Monteverdi – Mariavespers (Coevorden, 10 V ’24)

De vooraankondiging via een interview in het Dagblad van het Noorden oogt specta: artistiek leider Marit Broekroelofs in een rode jurk op stilettohakken. Dat de robe bij het concert is ingeruild voor een gele is natuurlijk spijtig, maar de heerlijke muziek vergoedt veel.

Gelukkig, er zijn geen programmaboekjes. Geen door geflatteerde jeugdfoto’s ondersteunde teksten of en zo ja waar de blazers, tokkelaars, zangers en strijkers de muziekschool hebben afgemaakt, geen ronkende verhalen over reisjes naar Korea en Japan, geen onbegrijpelijke teksten in het Latijn. Een experiment? In de pauze hoor ik van een latinist dat de zangers halverwege het concert geen roomse bezweringsformules zingen, maar een recept over hoe een dromedaris of voor de fok en export afgekeurde ezelin te barbecueën in de woestijn. Niemand die er erg in heeft. Ik hoor perfect gezongen en gespeelde muziek.

Coevorden is er klaar voor. De kerk die in vroeger tijden voor gepreekte woorden werd gebruikt is ingericht voor gezongen teksten. Geen slechte ruil. Wat zien en horen we? De vrouwen op de rechthoekige podiumblokkendoos zien er des vrouws uit: mooie jurken, een enkel gewaad en, zij het voorzichtig, prachtige, merendeels ingetogen kleuren. De mannen doen alsof ze worden gecast voor een ouderlingenrol in een remake van ’t Harts ‘De nakomer’: allemaal in het zwart. Maar zingen kunnen ze. We luisteren naar muziek die in Monteverdi’s tijd door de paus werd afgekeurd. Een betere aanbeveling kan je je niet indenken, toch?

In de krant vertelt artistiek leider Marit Broekroelofs dat Monteverdi’s rustpunten aanstellerij kunnen voorkomen. Jammer, denk ik, wat reuring kan de soms al te ingetogen,  introverte, klassieke muziek wel gebruiken, ik houd van drama, opwinding, virtuositeit. ‘Laat Monteverdi je hart binnenkomen en je overweldigen, onderga het, dompel je erin onder, je hoeft het niet per se te snappen,’ gaat Marit verder. Graag, denk ik. Muziek moet het, evenals beeldende kunst, zonder handleiding kunnen stellen.

Het krantenartikel toont een mooi verschil tussen Bach en (de katholieke) Monteverdi: zijn bij Bach de verhalende koren van ultiem belang, bij Monteverdi is het verhaal ondergeschikt aan de muziek. Dat komt me bekend voor. Van een vriend weet ik dat katholieken verhalen bijzaak vinden. Men leest de bijbel niet, maar houdt het op wat rituelen, veel uiterlijk vertoon, beetje bidden, Maria vereren, that’s it. Dat Monteverdi daar genoeg aan had voor de fijne muziek, poepoe. Maar of hij in de buurt komt van Bach?

Er zijn in Coevorden zowat 180 luisteraars in een sobere setting: thee uit papieren bekertjes en voor toiletbezoek gaat men naar buiten, twee keer rechtsaf en dan naar het bijgebouw. De muziek werkt zeker (licht) betoverend maar in de pauze check ik schielijk mijn foon en zie dat FC Groningen op voorsprong staat, dat Joost Klein bijna gediskwalificeerd is en hoop ik vurig dat er niet wordt bezuinigd op revalidatie-instellingen.

JOURNAAL week 19

MAANDAG: Als ik met C een Groningse-Poëziewandeling maak tussen Milnsum (Middelstum, met zijn radiale wierdenstructuur) en Doord (Toornwerd) zien we dat er in Doord een AED aan een muur hangt. Om twee redenen is dit apparaat onbruikbaar: net als -bijna – alle aan de openbare weg hangende AED’s is hij niet vrij toegankelijk, want afgesloten achter een cijfercode, maar erger nog is dat het storingsnummer niet bereikbaar is. Ook wordt er niet teruggebeld. Pictogrammen die een mogelijke gebruiker op weg zouden kunnen helpen zijn verweerd en onleesbaar. Het tweede telefoonnummer levert wel een (slaperige) stem op, die er iemand naar zal laten kijken. Terug naar de poëzie. Hardop de gedichten lezend, valt ‘Mien Laand’ van opa Jan Boer, niet tegen. Enkele gedichtenborden zijn verweerd en minder goed leesbaar.

DINSDAG: Franse wetenschappers bepleiten terughoudendheid in telefoongebruik -schermtijd geheten – bij kinderen. Tot drie jaar nul en tot vijftien geen social-media. Dat doet me denken aan de levendige discussies in lerarenvergaderingen rond de eeuwwisseling. De achterdestreepvakken wilden alles vrijlaten, maar de kennisvakken drongen onverminderd aan op beperkingen in het telefoongebruik. Het risico van verslaving aan de schermpjes is vergelijkbaar met dat aan nicotine waarvoor inmiddels een digitale petitie is ingesteld. Teveel aan schermpjes leidt tot oogschade (brildragen onder kinderen schijnt gelijk op te lopen met extreem rechts stemmen onder volwassenen) en nicotine tot je-weet-wel. Nu nog een petitie tegen religies in het onderwijs.

WOENSDAG: Fietste ik in ’23 de 165-km trip langs Holwerd en Uithuizen in één ruk, vandaag doe ik – met vage plannen Maastricht – Groningen nog eens in één dag te doen – een tot 147 kms verkorte versie met twee korte stops. Achterlampje aangebracht. Ik word voorzichtiger. Doel is een foto maken van de fake AED in Toornwerd. Het kost me moeite, ik beken dat de rit me tegenviel. Klein pijntje achterzijde rechterbovenbeen, gevoelige billen (schepte ik er ooit over op dat mijn billen gelooid waren als die van een in een versleten string getooide bejaarde Portugese stoephoer die 24/7 zon- of maanbeschenen efficiënt prostaat melkend Nederlandse mariniers voor een handvol escudo’s van hun onschuld beroofde) en een vlekje in de liesstreek. Mijn oude woonplaats Kollum is nog steeds in de ban van een omgekeerdevlaggenboer die veertig jaar lang heeft vergeten de juiste afslag te nemen en die nu argeloze passanten het dorp doet mijden als BBB stemgerechtigden die nadenken.

DONDERDAG: Nog even terug naar Toornwerd. Vaak wint het geromantiseerde verlangen naar in een dorp wonen het van praktische handelingen als onderhoud (de dorps-AED) en schoonmaak (de poëzieborden). De ware kwaliteit van het plattelandsleven vind je weerspiegeld in de sloten. Zelden zag ik een rijkere fauna en flora dan in en bij de sloten nabij Toornwerd en Middelstum. In de verste verten geen tulpen en/of leliekwekerijen, dat speelt natuurlijk mee. In vijf meter goed onderhouden sloot telde ik veertig kwakende kikkers. V e e r t i g.

Maarten ’t Hart ‘Wie God verlaat heeft niets te vrezen’ 37 (1997)

‘Wie God verlaat heeft niets te vrezen’ is een van de leukste boeken van ’t Hart. De ondertitel luidt ‘De Schrift betwist’. In 45 hoofdstukken en een nawoord beschrijft ’t Hart tegenstrijdigheden, feitelijke onjuistheden, onmogelijkheden en onbewijsbare bijbelse uitspraken over pratende ezels,  negenhonderdjarigen, gefantaseerde arken, fabels, legenden, raadsels en mythen die de godontkennende kerkverlater geen vrees hoeven in te boezemen, integendeel: hem, hen of haar laat schaterlachen.

’t Hart lees de bijbel met een geoefend close-readers-oog en laat er geen spaan van heel. Natuurlijk refereert hij aan intentionele malligheden als een zgn. goede God, maar de wereld is vol van gruwelijkheden als parasitisme, drugs, oorlogen, enz. Daarbij komt nog dat het Hebreeuws een moeilijk te vertalen taal is met polyinterpretabele zinswendingen, ontelbaar de bijbelse rariteiten en bizarrerieën en maakt het tot een (verheven) sprookje. Vaak worden letterlijk genomen bijbelteksten komisch en humoristisch vanwege de vele paradoxen. Braambossen in de woestijn, kinderen die als wegwerpartikelen worden beschouwd waarbij kindermishandeling, incest en kindermoord veel voorkomen. Theologen, fundamentalistische orthodoxen veelal, verklaren de bijbelse onmogelijkheden met de stelling dat het niet om geschiedenis maar om heilsgeschiedenis gaat en gaan verder met zelfverzonnen rituelen als de zondagsheiliging en de kinderdoop, terwijl de wel bijbelse voetwassing geëlimineerd is. ’t Hart constateert dat in het OT nauwelijks wordt gesproken over een leven na de dood, hemel of hel: allemaal Nieuwtestamentische apekool.

Natuurlijk is het verleidelijk de onmetelijke Israëlische agressie in het huidige Gazagebied te vergelijken met de agressie zoal verwoord in de bijbel. Er wordt, onder het toeziend oog van het opperwezen, zelfs door hem aangemoedigd, heel wat met de scherpte des zwaards afgeslacht, opgespietst, van de rots af gedonderd, met builenpest geslagen dan wel door speren of tentpennen doorboord. Een zorgvuldige telling brengt ’t Hart tot 600.00 slachtoffers.

Vrouwen komen er in de bijbel bekaaid af. Ze staan dan wel boven de dieren des velds maar ver onder de man. Triomfantelijk toont ’t Hart aan dat de kinderdoop een onbijbels maar al te graag toegepast ritueel is: werden niet kinderen maar uitsluitend volwassenen gedoopt dan zou het christendom een langzame dood sterven aangezien gelovig en kerkelijk worden op oudere leeftijd niet of nauwelijks voorkomt.

’t Hart schrijft dat hij tot zijn 20e bijbelteksten tot zich heeft genomen en daarna atheïst is geworden. Veel van de columns verschenen in NRC en ze deden veel stof opwaaien, voor de NRC-redactie aanleiding de serie te stoppen.

The morning after the night before: de wildplasser

Automerken doen alles aan image-building. Zo stond Audi, totdat het de plofkraakbak werd, bekend als luxe, duur, degelijk, Duits en snel. Die zitten echt niet te wachten op het epitheton: wildplasserswagen.

Zondagmorgen na koningsdag stopt er een witte Audi TT Roadster, kenteken beginnend met PN 1, softtop cabrio, op Reitemakersrijge. Een wit petje, groene trui, zwarte broek met een brede witte bies, sneakers met een groen/blauwe zijkant, stapt uit, loopt naar de steiger, haalt zijn leuter uit de broek en, voorzichtig wat om zich heen kijkend, pist hij, ongegeneerd, hondsbrutaal, zijn dronkemansstraal op het pleintje naast de steiger. Ins Blaue hinein. Als een ware exhibitionist neemt hij rustig het risico bekeken en gefotografeerd te worden door vroege vogels van Pottebakkersrijge, de vier Minerva-ateliers, Reitemakersrijge zuid en Reitemakersrijge noord.

De laatste tijd sta ik iets vroeger op: 06.30 uur. Het is zondagmorgen, de dag na koningsnacht. Ik bereid me voor op een racefietstochtje naar Froombosch, Sappemeer. Die contreien. Ik wil weer een dikke zestiger rijden. Streefgemiddelde 27/u. De banden zijn op spanning, mijn bovenbenen staalhard en ik kijk naar buiten of Buienradar gelijk krijgt. De afvalzak in de keuken wil weggegooid worden. Snel loop ik naar de ondergrondse container aan Kleine der A.

Dan: telefoon. Een wakkere bekende uit de buurt heeft me zien lopen. ‘Kijk eens naar buiten, naast de vuilnisbak bij de steiger.’ Op zijn Jeroen Pauws, koffiekop in de hand, loop ik naar het raam en zie de Audi TT-rijder, kenteken beginnend met PN 1, vergenoegd staan pissen in wat je beschouwt als je eigen tuin. Onbesneden snikkel uit de broek bungelend, handen aan het telefoonscherm gekleefd. Dan loopt hij terug naar zijn auto, ziet een schrammetje op de velg linksvoor (iets geraakt in de binnenstad?), pakt een verfstiftje uit het handschoenenvak en begint rustig de velg bij te werken.

Mijn buurtgenoot stuurt me een foto van de auto en de man. Het kenteken, PN 1 – –, is duidelijk zichtbaar. Even googelen en daar is-ie: vijfde eigenaar. Nieuwprijs bijna 60K, bouwjaar 2015. Een telefoontje naar de Groningse Audi-dealer leert dat de auto daar in onderhoud is. Men wil wel de eigenaar wel even doorgeven dat hij iets belangrijks in de binnenstad is kwijtgeraakt en dat hij gefotografeerd is. Op wildplassen staat een boete van € 140,-. Doneren aan een goed doel zou ik acceptabel vinden.

Maarten ’t Hart ‘De nakomer’ 36 (1996)

Deel I: ROEMER. ‘De nakomer’ begint in Groningen. De reden daarvoor lees ik in een interview van Frank van Dijl. ’t Hart kreeg de vraag waarom de plaats van handeling bij hem altijd Maasluis is. Vandaar nu eens Groningen en Drenthe. Volkskrantrecensent Arjan Peters sabelde destijds dit boek neer. ‘De nakomer’ dus, waarin Roemer (eigenlijk Simon) Minderhout wordt geboren als zoon van Neletta en Jacob. In 1918 wordt Jacob gemeentesecretaris in Anloo. In Anloo sterft Roemers vriend Coenraad nadat hij gif uit een bierflesje dronk. De rector van het gym uit Assen komt op huisbezoek nadat Roemer gezegd heeft dat God niet bestaat. Sieberig bewondert Roemer om zijn stoutmoedige vraag. In Gieten wordt Roemer belaagd door een groepje Drentse jongens dat hem ‘pak op pens’ wil geven. Apotheker oom Herbert lijkt het een goed plan als Roemer hem later zal opvolgen. Hij trakteert de Drenten op een ritje naar Stad en verkoopt de auto aan Jacob die er samen met Roemer mee naar concerten in Stad rijdt.Roemer raakt onder de indruk van de klassieke muziek. Hij gaat in Leiden wijsbegeerte en farmacie studeren. Hij wil zich verdiepen in het thema ‘jodenhaat’ maar wordt door zijn prof teruggefloten. Door verkeerd natronloog op te zuigen verliest R een deel van zijn tong.

DEEL II: DE NETTENBOETSTER. Het is 1939 in Maassluis waar Roemer net apotheker is geworden. Het wordt oorlog. De zoon van weduwe Vroombout wil, tegen betaling, vluchtelingen naar Engeland brengen. De boot wordt tot zinken gebracht maar de opvarenden overleven. Roemer bezoekt concerten in R’dam, samen met een Duitse militair. Een grote groep mannen uit het havenstadje sluit zich aan bij de geuzen. Later worden veel geëxecuteerd. Roemer wordt bezocht door een jonge vrouw, Hillegonda, die medicijnen moet hebben. In ruil speelt ze op de piano en zingt een Zweeds liedje. Later komt ze bij Roemer langs om chloroform te halen. Na een fosforbombardement gaat Roemer gewonden helpen. Hij is verliefd op Hillegonda. Zij brengt even later een nacht met hem door. Daarna probeert hij uit te vinden waar ze woont en belandt bij een gereformeerde vergadering over de kinderdoop. Roemer volgt de kerkstrijd op afstand. Op straat wordt hij hevig aangevallen door groepjes jongens.

DEEL III DE BESCHULDIGING Roemer is op leeftijd en wordt terminale thuiszorg aangeboden. Op straat wordt hij door motorrijders aangehouden: of 10.000 gulden betalen of ze maken bekend dat hij mensen in de oorlog heeft verraden. Later staat er een bericht in een regionaal krantje dat hij ooit een verzetsgroep zou hebben verraden wat leidde tot de executie van 8 man. Het artikel wordt uitgebreid herhaald in het Rotterdams Nieuwsblad, nu een paginagroot stuk en later op het Journaal. Roemer stort zijn hart uit bij Aäron bij wie hij schuilt. Er komen allerlei personen en situaties voorbij uit Roemers jeugd die duiden op verraad, terwijl de werkelijkheid anders is. Uiteindelijk lijkt het erop dat een dominee het verraad heeft gepleegd.

JOURNAAL WEEK 17

MAANDAG Lig je in het ziekenhuis dan worden kleinigheden belangrijk. Even WhatsAppen, een kaartje, een blommeke, een doosje brownies, een bezoekje, een kaarsje. Kortom wat aandacht. Ik heb een sterk geheugen als het op kaartjes aankomt. Op mijn twaalfde kreeg ik een kaart van de boer en boerin waar ik een groot deel van mijn vrije zaterdagen in mijn jeugd doorbracht. Op de kaart onnatuurlijk geel stro dat me als boerenknecht fascineerde. We waren een half jaar getrouwd toen wij een kaart kregen met een slome volgevreten dulle man, een supersexy vrouw en een pakkende leuke tekst. Afzender onbekend. Op mijn 66e een kaart met de gebroeders Klinkhamer van de Kameleon in één waarvan de afzender mij herkende. Sommige ansichtkaarten blijf ik me levenslang herinneren.

DINSDAG In ‘De nakomer’ van Maarten ’t Hart wordt geschreven over Stad. Hij beschrijft enkele straten/stegen die ik niet kende. Oeps. Ook interessant: de jonge hoofdpersoon wil ‘jodenhaat’ bestuderen. ’t Harts boek verscheen in 1996.

WOENSDAG Als wij gasten ontvangen kijk ik altijd even op straat of er ook vuilnis ligt. Vaak niet, maar zo ja, dan pak ik de prikstok en maak een rondje. Het schijnt dat er in Groningen 3.500 inwoners zijn die dat met regelmaat doen. Ooit in Marseille of Palermo geweest? Beide steden vergelijken met Groningen is kantje boord natuurlijk. De ruim drie keer grotere Siciliaanse stad hangt van frauduleuze maffiose door de katholieke kerk gedoogde praktijken aan elkaar, wat zich o.a. uit in de haperende vuilnisophaalmores. Marseille (vier keer groter dan Groningen) doet haar best het epitheton ‘bruut’ of ‘rauw’ eer aan te doen en heeft eeuwenlang vergeten zijn inwoners op te voeden. Maar dan (het veel kleinere) Groningen. De binnenstad van Groningen kent nauwelijks graffiti en is superschoon. Afgelopen week ontvingen wij van de buurtvereniging Het A-Kwartier het complete college van B & W. Na de lunch in dovencafé Luhu maakten we een wandeling door de wijk. De dag eraan voorafgaand zag ik iets meer bedrijvigheid van veegauto’s. Zaterdag is het koningsdag en op vrijdag wordt de straat en de stalen steiger naast de A even extra schoongemaakt. Ook Groningen doet het: krijg je gasten dan sloof je je wat extra uit.

DONDERDAG Lintjes en Koen Schuiling. VVD-burgemeester in het kneiterlinkse Groningen stampvoette schuimbekkend de longen uit zijn lijf toen hij constateerde dat de lintjescoördinatie in samenwerking met het middeleeuwse Kapittel voor civiele Orden, er weer niet in was geslaagd de old-boys-networks te doorbreken en inclusie was vergeten: slechts vier vrouwen en maar liefst 15 mannen. Één met een niet-Nederlandse achternaam. Schuiling, oud-leerling van de Jan Evert Scholtensschool en later de MAVO is een diplomastapelaar en weet als geen ander wat ervoor nodig is hogerop en in andere bubbels te komen.

VRIJDAG Ochtendrituelen. Even kijken of vrouw I in het revalidatiecentrum al wakker is, haar overladen met digitale zoenen en vertellen dat ik onderweg ben. Indien nodig de fiets nakijken, haar opwrijven en klaarzetten en dan even kijken of de mannetjes nog wat te melden hebben, een activiteit die begon in de covidperiode: whatsappen met twee vrienden, middelbareschoolspecialisten, ouwe pikken die weten dat mobieltjes in de klas, witte scholen en religies in het onderwijs foute boel zijn en die, beiden optima-forma moraalridders, het soms wagen het met mij oneens te zijn terwijl ze me in hun hart gelijk geven natuurlijk. Religie komt vaak voorbij. We hebben alledrie een kerkelijke achtergrond, maar één praktizeert nog, tegen beter weten in. Één is zo principieel dat hij betalingen via de RABO weigert vanwege dubieuze praktijken met de Liborrente, vastgoedfraude, ondeugdelijke rentederivaten, medeplichtigheid aan witwassen van crimineel geld van Mexicaanse drugskartels; nummer twee is zo vrijmoedig dat hij weduwen en weduwnaars binnen een jaar na het overlijden van de partner empatisch-belangstellend vraagt of men al aan het tinderen is geslagen en nummer drie is dagen van slag als hij de benepen orthodoxe fundamentalisten Renze en Thijs hoort zeggen dat de vraag ‘Zal ik voor u bidden?’ na het verlies van een dierbare ongepast is.

ZATERDAG Doelen. Mijn doel (sinds oktober 2022) geen kleding te kopen hapert. Ik heb een nieuw fietsjasje en een spijkerbroek moeten aanschaffen. Het jasje werd me cadeau gegeven maar de broek kocht ik. Sorry Bojan Slat. Het dagelijkse twintigfietskilometerdoel overschrijd ik en per dag een klein uurtje Maarten ’t Hart herlezen loopt, ik zit met 36 boeken in 36 weken op schema.

Maarten ’t Hart ‘Du holde kunst’ 35 (1994)

Maar liefst 25 scherpe, interessante stukken over klassieke muziek, veelal componisten, waaronder één over de cantates van Bach. Sta daar eens even bij stil, Bach schreef één cantate per week. Dat ‘t Hart Bach slechts één stuk toebedeelt is een voorbode van het boek over Bach dat enkele jaren hierna zal volgen. Ook al ken je de muziek of de beschreven componisten niet, toch zijn het zeer leesbare, prachtige essayistische artikelen. Dat ’t Hart de muziek de hoogste kunstvorm vindt en de literatuur bij hem pas op 17 komt, ver na de geurkunst op 8 is een overdrijving maar toont wel zijn voorliefde voor de muziek waar hij verschrikkelijk vanaf weet.

Niet alleen beluistert ’t Hart zoveel mogelijk muziek van door hem bewonderde/bestudeerde componisten, ook speelt hij het werk van de componisten zelf (of probeert dat), leest hij (alles) wat over de componist wordt geschreven en analyseert hij missers in boeken over de betreffende componisten. Er moeten weken zijn geweest dat ’t Hart er een dagtaak aan had.

’t Hart beschrijft levens en werken en heeft oog voor interessante details. Bijvoorbeeld dat Rossini naast 40 vruchtbare jaren 40 jaren niets schreef en dat verbindt hij dan weer aan Vestdijk en Marnix Gijsen. Of de Zweed Berwald die naast componist orthopeed was. Schubert die maar 31 werd en 1000 werken naliet, die hij in 18 jaar schreef. En dan Tsjaikovski van wie het meeste werk onbekend is gebleven en wiens dood een mysterie is: was het cholera of arsenicum? Elgar, een knappe man die trouwt met een oude dame en over wie de rol en invloed van vrouwen raadselachtig is en blijft. Strauss over wie de gekste meningen rondgaan, niet onderbouwd of slechts op 2 % van zijn werk. Als ’t Hart Nielsen ophemelt in een tijdschrift wordt hij teruggefloten door would-be deskundigen die later meer dan ongelijk krijgen. De ten onrechte wat verguisde Sibelius, de bij toeval ontdekte Stenhammer en Scandinavische liedkunst. De vrij onbekende Schmidt en de multitasker Schönberg en meer.

In alfabetische volgorde behandelt ’t Hart: Andriessen, Bach, Berwald, Bruch, Elgar, Franck, Medtner, L. en W. Mozart, Nielsen, Prokofjev,  Rossini, Saint Saëns, Scarlatti, Schmidt, Schönberg, Schubert, Sibelius, Stenhammer, Strauss, Tsjaikovski, Tubin en Von Weber.

’t Hart eindigt met ‘Muzikale memoires’. Veel componisten zijn jong gestorven en vaak ongeletterd, en er zijn (dan ook) maar weinig die hun memoires schreven. Toch weet ’t Hart er nog enkele memoires van componisten te vinden die hij beschrijft. Frankrijk, Engeland en Rusland zijn misschien uitzonderingen, daar komt hij wel memoires schrijvende componisten tegen.

Bach – Famous Cantatas (Luthers Bach Ensemble, Akerk 14 april 2024)

Waarom ik na afloop denk ‘mooiste concert ooit’ komt door het orkest, het projectkoor en de solisten. Natuurlijk. En wie weet heeft de dirigent ook wel een rol in het geheel. Maar er speelt meer. Ik bezoek het concert met L, want vrouw I ligt in het ziekenhuis. ‘Of Bach me kan troosten,’ vraag ik me af. Het zijn hectische dagen. Nooit zag ik vrouw I met zoveel pijn.

L is verrast als ik haar mijn vraag voorleg. Ik verbaas mezelf ook, troost betekent verdriet en met verdriet loop je niet te koop. De prachtige muziek ontspant. Heerlijk diepe zuchten. De beste koorleden doen alsof ze de teksten en de muziek lezen. Die kennen ze natuurlijk uit het hoofd. Ze zingen op hun gevoel en knipogen al zingend naar familieleden in het publiek. In de pauze wordt het publiek in de fuik van één tapperij geperst zodat notoire voordringers niemand ontgaan.

In Maarten ’t Harts boek ‘Het woeden der gehele wereld’ lees ik dat er van Bachs 300 cantates zo’n 200 zijn overgebleven. In de afgelopen week beluister ik een handvol cd’s uit de Bach-Master-Works-box van het Kruidvat. Veel van de teksten zijn onverstaanbaar. Ik glimlach als ik de obligate zinnen over genade en verlossing meelees. Ik transcribeer ze wat. Lees ik ‘Israel hoffe auf den Herrn’, vul ik het aan met ‘der Vereinte Nationen’. Net als de meeste zangers leg ik de tekst weg en geniet van de muziek. Op zijn best zijn de teksten kinderlijke gepaard-rijmende religieuze interpretaties en op zijn slechtst pure kwezelarij die je in Bachs tijd moet plaatsen.

Ik verbaas me over de natuurtrompet van Rabinovitz twee meter voor ons. Als hij het vocht uit het instrument laat lopen lijkt het of hij eruit drinkt. En die weergaloze droeve fagot en de onverstoorbare Koolstra op orgel, ik hoor enkel tienen. De zilveren balletschoentjes van sopraan Cressida Sharp betoveren me, evenals haar met een fibula bij elkaar gehouden vuurrode jurk. Plaatje! En wat een stem. En dan Van Laar als hij de alten bijstaat, tenor Knight en bas Santini die craqueléscheurtjes in de nieuwe kalklaag op de muren veroorzaken. En natuurlijk Bronda die de kwaliteiten van Arne Slot en Joseph Oosting combineert en de topspelers hun gang laat gang, het werk gebeurt immers in de training.

Ten slotte: bij het ‘Jesus bleibet meine Freude’ droom ik terug naar 1967. Maartenskerk te Kollum. Na de restauratie heeft het feestcomité bedacht dat onder het orgelspel van Jelle van der Meulen (geen familie) de bijdehante tweeling Folkert en Klaas de statenbijbel de kerk in mag sjouwen in een optocht van zingende, geboende zondagsschoolkids. Op de melodie van ‘Jesus bleibet meine Freude’.

Applaus. Geen bravogeroep. Bloemen. Zelfs een toegift. Pas tegenover de stadswerkplaats stop ik met onhoorbaar applaudisseren. ‘Mooiste concert ooit’, mompel ik, voorzichtig met grote woorden. En, troostrijk? Jaaa.

Maarten ’t Hart 34 ‘Het woeden der gehele wereld’ (1993)

Een in drie delen verdeelde psychologische Whodunnit van een kleine 300 pagina’s die in W.O.II begint. Het hele, wat dradige, boek door wordt gezocht naar de moordenaar van agent Vroombout die op een massale evangelisatiedag wordt doodgeschoten. Centraal staat de familie van voddenkoopman Goudveyl met zoon Alexander. Het is de tijd van de Korea-oorlog, midden jaren vijftig en de familie heeft heimwee naar de vroegere kerk van herstelden, die ze voor de gereformeerde kerk hebben ingeruild. ‘t Hart bedient zich van woorden die halverwege de vorige eeuw heel gewoon waren: voddenjood, van de verkeerde kant, enz.

Zoon Alexander zit te vissen als agent Vroombout hem vraagt voor een kwartje zijn broek te laten zakken zodat Vroombout zijn geslacht kan betasten. Gebeurt een keer of vijftien in een zomer. Op een evangelisatiedag, als Alexander op een piano speelt, wordt Vroombout doodgeschoten. Alxander ziet de schutter maar herkent hem niet. Agent Graswinckel ondervraagt Alexander en geeft hem drie namen van andere pedofiele mannen. Aan Alexander wordt gevraagd die eens nader te bekijken of er de mogelijke moordenaar bij zit. Opvallend is de uiterst luchtige toon waarop over de pedofiele mannen wordt gesproken.

Alexander Raakt bevriend met Herman, wiens (Engelse) moeder hem wel wil leren pianospelen. Als de vriendschap uit raakt en Alexander in de trein naar school gaat, ziet hij apotheker Minderhout die hem aanbiedt bij hem thuis te komen spelen op de Bösendorfer. Ook gaat Alexander op het kerkorgel spelen. Bij de apotheker wordt Alexander gevraagd regelmatig te komen spelen om inbrekers weg te houden. Ook hoort Alexander, terwijl Minderhout hem al wijn drinkend uithoort over de moord, dat Vroombout in de oorlog fout was geweest.

Bij Minderhout thuis gaat Alexander op onderzoek uit en vindt kleding die lijkt op die van de moordenaar. Later op onderzoek met William blijkt deze W zich graag in vrouwenkleren te hullen.

De buik van het boek staat vol met muzikale uitweidingen, bijbelse verwijzingen en relationele draden die onverwachte verbindingen aangeven. Interessante beschrijvingen komen voorbij, van een oudjaarsavond bij Minderhout, de zuinigheidscultus van A’s ouders, Alexanders componeerexercities, de vroegere relatie tussen vaders en moeders van vrienden, god Bach, de studie farmacie en het op kamers gaan wonen in leiden. En steeds de zoektocht naar details die leiden tot het vinden van de dader. Alexanders schoonvader was bij de moord aanwezig, maar zegt niet de schutter te zijn geweest. Dan moet Alexanders moeder het hebben gedaan.

JOURNAAL WEEK 14

ZATERDAG Het CGTC (Centrum voor Groninger Taal en Cultuur) heeft een gevarieerde avond, zeg niet bonte, aangekondigd in het Der Aa Theater met muziek van Hister en Bert Hadders, poëzie, een praattafel over poëzieworkshops en de aankondiging van een onlinecursus Gronings. Bert Hadders steelt de show: heerlijk gitaarspel & rake teksten in verstaanbaar Gronings. Hister is, ook na de vierde keer, wat lastiger te verstaan en de aankondiging van de onlinecursus is als een voorlichtingsavond voor ouders in HAVO-3: slecht voorbereid met  een haperende beamer.

ZONDAG Twan Huys dringt in Buitenhof ongegeneerd zijn privémening op aan Omtzigt en meekijkend Nederland en trekt, als de getergde Omtzigt met een gekwelde blik te kennen geeft daar niet van gediend te zijn, publiekelijk het boetekleed aan. De onbetwiste geslotenvragenkoning draagt eraan bij dat politieke partijen als PVV, BBB en NSC zich afkeren van de publieke omroep en ervoor pleiten de NPO uit te kleden en te  reduceren.

MAANDAG Het Groninger Museum doet nu eens iets verrekte goed: een Kinderbiënnale. Via basisscholen zijn kunstambassadeurs aangesteld. Natuurlijk moet er wat extra reuring komen. Zoals carnavalsverenigingen elkaars opgetuigde karren uitwisselen zo gaat de metershoge plassende ijsbeer van het ene naar het andere museum, en is nu dus, nog steeds geslachtsdeelloos, in Groningen neergestreken en prijst pissend het ook voor volwassenen leuke spektakel aan.

DINSDAG Groningen wordt geteisterd door woning- en kamernood. Vooral jongeren zijn de dupe. Woningen worden onttrokken aan de huizenmarkt en lucratief aangeboden in de hotelkamerbusiness, singles en kinderloze (gepensioneerde) echtparen bewonen zonder scrupules kasten van huizen en winkeliers verdommen het massaal bovenverdiepingen woonklaar te maken door een trap in de winkel te installeren. Gisse Minerva-studenten toveren de glazen ondergrondseparkinguitgang om tot huisje. Ramen, compleet met een hiergeenfietsenplaatsen papier, deuren met Nee-Nee-sticker, planten in de vensterbank en meer.

WOENSDAG Minibieb ‘Achter Minerva’ puilt uit: nu de orthodoxen of fundamentalisten de kerken de rug toekeren als grutto’s het Friese platteland (bekijk de film ‘Vogels kun je niet melken’), worden de boeken massaal weggedaan.

DONDERDAG Het orgelconcertprogramma 2024 vermeldt 50 orgelconcerten. Even overweeg ik ze dit jaar allemaal te bezoeken. Ook dit jaar weer de International Martini Organ Competition Groningen van 28 juli – 3 augustus.

VRIJDAG Na de deelscooter, -fiets, -auto is er nu de leen-, deel-, lease-, ruil-, of logeerhond. Keuze uit alle formaten, kleuren, rassen; teef of reu, lang- of kortharig, bruut of bangelijk, alles is mogelijk. Passend bij elk interieur. Op de foto: energiek, jeugdig, blij ei Bobby die van verstopte anaalklieren nog nooit heeft gehoord en het gedragsprobleem ‘flight or fight’ alleen maar kent van de folders in de dierenartswachtkamer. Met haar zwart-witte looks, hangoren en deemoedige, trouwe, bescheiden oogopslag doet ze het goed doet in kleurrijke interieurs met een afgeleefde bank.