Maarten (8 in 1999)

Hoe hevig ben je, Maarten, acht geworden;
je ogen lachten en je mond een plooi
vol pret en taart, van zes tot acht poesmooi
bezoek dat aan je zwengelde en sjorde.

Telefoon van oma Loris, tante Jels, oma
Schuitema, deze keer niet van opa want
die is immers dood na een korte tijd in coma
en Annie van het spoor uit Swifterband.

Vol spanning stortte jij je op de pakjes,
daarbij wel bijgestaan door broeder Mees,
die moeilijk los kwam van de doos gebakjes.

Diep in je hart, als ik je goed beschouw,
ben je het blijst, achter je pokerface
met het kaartje van Niree: ik hou van jou.

Een leer (uit 1999)

De pauzebel schreeuwt rust en koffie trekt
ons nader, de gode zij gedankt, Ted
viert zijn ouderdom; met veel effect
valt elkeen plechtig aan op een kroket,

zijn mond ontruimd zegt meester TLM,
een likje mosterd aan de lip, met klem:
bij menig mens is kunst een substituut
voor het geloof, ik open het dispuut.

Ach, vriendschap vlakt de scherpe kanten weg
en ik bind in, geef toe en hem meteen
gelijk want zelden gaan die twee tezamen.

Want zeg nu zelf, wie noemt langs zijn neus weg,
een componist, auteur, een fenomeen
met roomse lijn, of tolk van J. Calvijn? Amen.

Mijn vroegste herinnering

Er broedde een merel in de oksel van de steenperenboom in de voortuin. De grote letters TOLLENAAR bladderden af van de betonnen dakrand van het bushokje. De vuilniswagen kwam de hoek van de Van Eysingalaan om en twee gemeentemannen sprongen van de treeplank om de vuilnisemmer leeg te gooien. In de woonkamer werd de verjaardag van beppe gevierd met ranja, vruchten op sap en voor de mannen een berenburg. Beppe was als altijd in het zwart gekleed en staarde naar buiten. Om haar hals feestelijke bloedkoralen. Wie wist waar haar gedachten waren gebleven nadat ze in Leeuwarden geshockt was? Het was half twaalf in de ochtend. Heit had de radio uitgedaan en stak een sigaar op. Niemand kon mooier een baan blauwe sigarenrook naar de symmetrische plafondvlakken zenden dan hij. Stemmen klonken, gelach. Maar ik zag niks. Ik hield mijn hoofd stijf geklemd tegen de hals van mem, mijn handen speelden achter haar nek met de sluiting van een kettinkje net onder de watergolven in mems haren. Ik rook mem. Een vleugje Nivea en een beetje eau de cologne.’Klonje,’ zeiden ze bij ons thuis. Ik speelde dat ik op mijn duim zoog. Lippen op elkaar en geconcentreerd mijn mond vacuüm zuigen, dat maakte zo’n apart geluid, vooral als je veel speeksel had. Mem speelde het spel mee, kietelde me en zei: ‘Tomme út de mûle.’ We gierden beiden van de lach als ze doorkreeg dat ik haar fopte. Bij mem op schoot zitten was het leukste wat er bestond. Het was niet een alledaagse traktatie, want ik moest haar schoot delen met Folkert, mijn tweelingbroer. Vaag herinnerde ik me dat we samen op mems schoot zaten, altijd met het hoofd naar mems borsten gekeerd en de ruggen naar de buitenwereld. Hoe oud ik was? Drieëneenhalf of zo? Vier?

Oom Piet vertelde het verhaal dat Folkert en ik, we waren twee, met een riem vastgebonden aan de tafelpoot op de pot zaten, hard werkend zindelijk te worden. Folkerts plas kwam altijd iets eerder en genereus schonk hij de helft in mijn potje. ‘Klear mem, klear,’ riepen we en dan waren we weer vrij. Aan het geklak hoorde ik dat heit mijn aandacht vroeg. Hij stak dan altijd beide delen van zijn kunstgebit naar buiten en maakte klakkende geluiden. Hij stak het sigarenbandje omhoog, een grote deze keer. De bandjes van bokjes stelden niets voor. Af en toe rinkelde de telefoon. Ietsje had de beurt vanochtend. Geroutineerd stond ze klanten te woord. Af en toe liep ze even naar het kantoor om iets op te zoeken. Pake en beppe uit Nes zouden pas ’s middags komen. Met een gulden. Boven het buffet zaten twee schuifdeurtjes naar de keuken. Ik hoorde Annie zingen en ik rook versgekookte appelmoes. Een heerlijke, zure geur. Borden en bestek werden achter het luik klaar gezet. Folkert hielp haar. Vanuit een ooghoek zag ik mijn dinky toy op het buffet staan. Een groene vrachtwagen op een zwart chassis met gele hekken. Een echt stuur achter de raampjes. Achter de hekken twee koeien. Swart-wyte, natuurlijk. De auto had, samen met een handvol pepernoten en een suikermuis verpakt gezeten in een afdroogdoek. De handdoek was natuurlijk voor mem. We vonden de schat op 6 december 1959, ’s morgens vroeg om half zes. Folkert en ik hadden amper een oog dicht gedaan. Folkert kreeg een raceauto. De hele morgen hadden we met de auto’s gespeeld op een wirwar van wegen die we van ingedroogde kastanjes hadden gemaakt. Onze knieën waren ruw van de kokosvloerbedekking. Als Annie om zeven uur benedenkwam, ruimden we de kastanjes weer op. Annie was op zes januari 1956 bij ons komen wonen, de dag na de geboorte van Folkert en mij. Ze had een eigen slaapkamer en werkte zes dagen in de week als hulp in de huishouding. Toen we een keer met haar naar de kleuterschool waren gelopen om zus Tjitske op te halen, dachten schoolkinderen dat zij onze mem was. We liepen langs fietsenmaker Van der Ploeg, die speciaal voor mem een verlengd bagagerek had gelast zodat Folkert en ik beiden achterop de fiets mee konden. Om de beurt mochten we de armen om mem slaan. Een vleugje Nivea, wat Sunlight.

Nico de Mus

Personen: heit Anne, de vader; mem Sjoukje, de moeder; beppe Jelske, de oma; oom Jaap, de oom; Annie, de hulp; juffrouw Visser, schooljuf klas 1; Jelske, de oudste zuster, 12 jaar; Piet, de oudste broer, 11 jaar; Tjitske, zus 10 jaar; Klaas en Folkert, tweeling 9 jaar, Jacob 4 jaar; bakker Beerstra, Trixie, de hond.

Plaats: woonkamer van het gezin Van der Meulen, Van Eijsingalaan 15 Kollum.

Tijd: vrijdag 5 januari 1965, de verjaardag van de tweeling. Oom Jaap heeft een vrije dag. Juf Visser is te gast omdat haar huis wordt verbouwd en haar eigen keuken onklaar is.

Nota’s voor de regisseur: in het midden van de sober ingerichte kamer (vloerbedekking van kokosmatten, een doorgeefluik naar de keuken, schuifdeuren met glas-in-lood naar de voorkamer, schuifdeuren naar de serre, een deur naar een gang en een deur naar een hal, ramen aan straatzijde met uitzicht op de tuin met twee steenperenbomen met restanten van een merelnest zichtbaar, aan de overzijde van de straat een bushokje met vaag zichtbaar de witgekalkte letters Valkema tollenaar) staat een lange eettafel. Aan de muur een lijst met een papier waarop in zwierige letters: ‘Draagt elkanders lasten’. Een zwarte bakelieten telefoon naast het doorgeefluik. Op de vloer een krantenstaander met de Leeuwarder Courant, de Kollumer Courant, de Libelle, een enveloppe met eruit stekend een beduimeld zwart-witte cover van de Sekstant, met, als je heel goed kijkt of inzoomt vingerafdrukken in de maten small en medium. Om de tafel staan 12 stoelen, waarvan 8 gelijke en vier verschillende. Eén aan elk uiteinde, vijf aan de lange zijden. Vanaf de lamp hangen slingers naar de vier muren. Twee stoelen zijn versierd met kleine stukken slinger. Een verdwaalde lampion bungelt aan de lamp. Er klinkt luid geroezemoes en er heerst een lichte spanning vanwege het bezoek van juf Visser. De tafel is bedekt met een stuk tafelzeil met duidelijke slijtageplekken. Op de tafel staan eerst twee grote soeppannen en later twee grote, grijze smeedijzeren pannen met kapucijners, een braadpan met uitgebakken spekjes, twee potten met augurken, een pot zilveruitjes, een pot komkommerschijven, een schaal warme appelmoes. Aan de rechterzijde van elk bord ligt een strook papier van een telmachine en een potlood. Op een tafeltje in de hoek van de kamer ligt een glimmende, lederen bal, het verjaarscadeau dat de tweeling kreeg. In de gang is af en toe een blaffende hond hoorbaar.

Mem (gekleed in een jurk, een schort met op de borst een papieren roos, gemakkelijke schoenen) komt binnen en gaat zitten. Ze zit tegenover de tweeling en naast Jacob en beppe (gekleed in een zwarte jurk, draagt pantoffels en een halsketting van bloedkoralen) en knikt naar heit. Het rumoer verstilt.

Heit: We kunnen beginnen. Sstt.
Vijf kinderen: (beurtelings): Here zegen deze spijzen, amen.
Oom Jaap (kijkt met overduidelijke interesse naar juf Visser tegenover hem) juf komt uit Kollumerpomp, hè?
Juf Visser: Ja, mijn huisje wordt nu verbouwd en vandaag is Huizinga, de installateur bezig. Het water…
Oom Jaap (onderbreekt haar en lacht): In Kollumerpomp is geen voetbalvereniging?
Juf Visser (enigszins verbaasd klinkend): Nee, maar moet dat dan? Ik houd zelf meer van fierljeppen en kievitseieren rapen. (Oom Jaap kijkt verschrikt en niet begrijpend in het rond; juf Visser gnuift en heeft een overwinnaarsblik in haar ogen).
(Ondertussen schenken mem en Annie soep in de diepe borden.)Mem: Er is tomatensoep met balletjes en kippensoep.
Piet: Ik hoef geen soep, hoor.
Klaas en Folkert (tegelijk): Nee, wij ook niet, wij zijn jarig toevallig, dan mogen we de soep overslaan. Wij krijgen vanmiddag ranja en een stuk oranjekoek.
Jacob: En vruchten op sap? Juf, kom ik volgend jaar bij u in de klas? Ik ken de tafels tot vijf al.
Juf Visser: Misschien wel jongen.
Er klinkt een kakofonie van gesprekken, bestek tegen bordranden, de radio pruttelt zacht.
Juf Visser: lekkere soep hoor.
Heit: ja, getrokken met kippenhalsjes van poelier Visser, de halsjes koop ik voor 50 cent per..
Mem: Anne, genoeg, hebben de jongens een goed potlood bij hun bord?
Heit (een beetje verongelijkt omdat hij zijn financieel-economische verhandeling over de aankoop van kippenhalsjes niet kan afmaken): ja, ja, Sjoukje, allemaal geregeld. (Tegen juf Visser): en de halsbotjes kunnen de meisjes gebruiken om kettingen mee te rijgen, kost eigenlijk niks, ook geschikt voor handwerklessen op school, lijkt me. Kijk, (slurpt ze even leeg), blazen kan ook en dan zijn het net een soort van rijgkralen, een soort kleine mergpijpjes.
Annie: Jelske en Tjitske, afruimen graag, schuif de borden maar door het luik dan pak ik ze in de keuken wel aan.
Folkert: mogen wij nog even voetballen in de hal? (Mem schudt lachend haar hoofd).
Annie: dat zou nog wel even kunnen hoor, wij zijn nog bezig.
Piet: weet je wat rijmt op keuken? (Klaas en Folkert lachen en kijken brutaal naar de juf).
Oom Jaap (met een verlekkerde blik op juf Visser): ikke wel man, ik weet er wel twee…
Mem: Piet! Ga even naar de bijkeukendeur, ik geloof dat bakker Beerstra er aankomt.
(Exit Piet, die terwijl de kamer uitgaat wat mompelend zegt): Breuken, deuken, jeuken.
Jelske: Spreuken.
(Jacob doet verwoede pogingen vijf spekjes in zijn broekzak te stoppen):Die zijn taai, ik geef ze aan Trixie.
Tjitske: Beuken.
Juf Visser: Lekker, die warme appelmoes.
Heit: Van eigen boom. Sjoukje en Annie hebben wel vijftig potten geweckt. Met hulp van de kinderen, net een klein fabriekje. Nog geen vijf cent de liter, maar ja, dan moet je de loonkosten buiten beschouwing laten en geen sociale lasten…
Sjoukje: Anne!
Piet (vanachter de deur naar de gang): kreuken.
(De soeppannen worden weggezet en er komen twee grote pannen met grauwe erwten voor in de plaats en een koekenpan met uitgebakken spekjes).
Folkert repeteert hardop de tafels 6 t/m 10. Een keer zes is zes….tien keer tien is tien.
Juf Visser: Wat hoor ik daar?
Heit: Folkert draait alvast even warm, hij is een kei in hoofdrekenen. Jelske, wil jij de spelregels nog even uitleggen, dan kan de juf ook meedoen.
(Ondertussen komt Piet binnen met in zijn kielzog bakker Beerstra)Bakker Beerstra: en ik, kan ik meedoen?
Klaas: zeker, kijk, hier is nog een stoel (Klaas trekt nog een stoel bij voor de bakker). Kijk, een nieuwe bal. (Bakker Beerstra jongleert met de bal en kopt de bal rakelings langs beppe’s hoofd. De bal belandt tegen een raampje in de glas-in-looddeur): O, dat scheurtje zat er al in hoor. Toch?
(Mem doet alsof ze hem niet hoort.)
Jelske: iedereen mag na het aftellen van de klok voor Berichten voor boeren en tuinders beginnen met het eten van grauwe erwten. Gebruik een lepel, dan kan je ze beter tellen. Op de tellijst zet je vinkjes voor elk tiental erwten. Na veertig maak je een hekje. Wie de meeste heeft gegeten is winnaar.
Bakker Beerstra: en tellen stukjes ingelegde komkommer of augurk ook mee?
Folkert: nee en spekjes ook niet.
Klaas: Als tante Tet uit Nes vindt dat iets niet belangrijk is, dan zegt ze: Dat nukt neat. Wat betekent nukken eigenlijk?
(Heit zet de radio harder en iedereen luister naar de klok): en dan volgen nu de Berichten voor boeren en tuinders… (en iedereen begint grauwe erwten te lepelen, ondertussen met de vrije hand een vinkje zittend voor elke tien erwten.)
Juf Visser: dit heb ik nog nooit meegemaakt, prachtig. (Fluisterend tegen heit): Wie heeft dit bedacht? En ze leren gelijk tellen.
Mem (tegen bakker Beerstra): twee tarwe, een halfje wit, twee pakjes roggebrood en kunt u aan het eind van de middag een oranjekoek bezorgen, de jongens zijn namelijk jarig.
Tjitske: De jongens spelen vals! Ik zag Klaas twee vinkjes zetten na één lepel….
Klaas: klopt, ik had daarvoor een streepje overgeslagen, trut.
Mem: Klaas!
Piet: als ik de erwten eerst prak, dan kan ik veel sneller eten….
(Folkert en Klaas kijken belangstellend toe.)
Beppe:(verlaat de tafel en sloft naar de gang): Even pisje.
Mem: Tjitske, breng jij beppe zo meteen even wat toiletpapier?
Juf Visser (kijkt niet begrijpend): Uh?
Mem: Ja, beppe is soms in de war en dan duwt ze zomaar een hele rol toiletpapier in de w.c. De kinderen brengen haar dan wat toiletpapier, zodoende. De kinderen houden beppe om de beurt wat in de gaten.
Juf Visser (kijkt wat ongemakkelijk rond): Okee.

(Dit ritueel gat zo’n vijftien minuten door. Er is veel geroezemoes. Soms een uitroep als er een pot zilveruitjes omvalt of als de opscheplepel van de appelmoes te hard in de kom wordt teruggezet en de appelmoes hoog opspat. Beppe keert weer terug aan tafel, bakker Beerstra is vertrokken en oom Jaap krijgt, ondanks zijn verwoede pogingen bij de juf geen poot aan de grond.)

(De telefoon gaat over, heit knikt naar Jelske, die naar het toestel rent).
Jelske: Met accountantskantoor Van der Meulen (Jelske kijkt naar heit, die zijn pink opsteekt): Nee, die is er niet, om half drie is mijn vader weer op het kantoor.
Heit (wat verontschuldigend tegen de juf): Ach, dit is eigenlijk niet liegen. Ze bellen wel weer. Mijn pink betekent nee en als ik zin en tijd heb, dan steek ik mijn duim op voor een ja. Weet u trouwens dat dit jaar de regeling voor buitengewone lasten is versoepeld, ook voor ambtenaren? U kunt nog tot eind december…
Mem: Anne!
Heit: lekker, hè, die spekjes, die kocht ik van boer Benedictus, een halve koe in de vriezer is voordelig hoor, scheelt heel wat. Zo koop ik binnenkort 50 kg scharretjes van Vishandel Spijkerboer, en..
(Buiten, op straat naast het bushokje, verzamelen zich een stuk of vijf jongens, die een slow handclap doen en luid scanderen: Voet-Bal-Len!)
Mem: Laatste ronde, de jongens moeten naar school. Neem de voetbal maar mee. En na schooltijd mogen jullie ieder drie kameraden meenemen.

Heit: Het is tien voor één, de briefjes inleveren bij Piet.
Piet (staat alvast op): Ik ga de standen wel even in het kantoor uitrekenen, dan kan Willem het nog controleren. Vanavond volgt de uitslag.
Heit: Ho ho, eerst nog lezen. Tjitske is aan de beurt. (Tegen Jacob die al met de kinderbijbel aan komt zetten): Jacob mag morgen weer uit de kinderbijbel lezen. (Tegen de juf fluisterend en tegelijk knipogend): Nou ja, lezen, Jacob doet alsof hij leest. Hij heeft de verhalen onthouden en vertelt ze na vanuit zijn geheugen, je hoort geen verschil met lezen. Vier jaar!
Tjitske vol trots: weer verder bij Nico de Mus?
Heit: Nicodémus, weet je nog, ja ga daar maar verder in Johannes 19.
(De stilte keert terug en Tjitske leest serieus en kraakhelder het Bijbelfragment).
(Na afloop daarvan stormen beide jarige jongens van tafel nog voordat heit ’Sssttt’ als beginteken voor het gebedsprevelementje heeft kunnen laten horen)
Heit: Nou ja, ze zijn jarig hè….

Catechisatie

‘Doordat je de voorhuid over de eikel trekt en het dan weer snel terug schuift, ontstaat een prettig gevoel. Als je dat lang en snel genoeg volhoudt, ontstaat een ontlading, ook wel orgasme of klaarkomen genoemd. Maar als je besneden bent, is er wat van de voorhuid, zie plaatje 6c in § 4, weggesneden en als dat rafelig is afgewerkt, wordt aftrekken lastig, maar het kan nog wel hoor. De chirurg of vroeger de medicijnman, neemt de penis in zijn linkerhand, de zuster of dorpsoudste schuift de voorhuid iets op en knip, met de schaar of een scherpe steen wordt een stukje van de voorhuid weggesneden.’ Klas 1g van het Oostergo Lyceum in Dokkum luistert ademloos naar hun biologieleraar, meneer Germs, voor de Kollumers Harley-Frits. Meneer Germs vervolgt zijn route over lastig masturberen na de besnijdenis met informatie over de heilzame werking van vaseline of uierzalf die, mits niet te uitbundig aangewend, uitkomst biedt. De meisjes in de klas kijken met bewondering naar de jongens, die, zonder uitzondering, hun friemelende handen heel ver in de diepe broekzakken hebben verstopt. Meisjesbesnijdenissen werden nog niet genoemd in het biologieboek. En hup, daar gaat meneer Germs al weer verder met ejaculatio praecox en geslachtsziekten van a tot z in § 5.

De meesten van ons gingen vanaf hun twaalfde, net na de lagere school en na de laatste keer zondagsschool naar catechisatie. Op dinsdagavond zeven uur tot net voor achten in de consistoriekamer, achter de hervormde Maartenskerk aan de Voorstraat. Waar het precies goed voor was, wisten we niet. Onze ouders stelden er prijs op en het duurde maar zes maanden per jaar. Uiteindelijk, als je niet oppaste, leidde het tot belijdeniscathechisatie, maar zover is het niet gekomen. Dominee Dijkmeijer en zijn opvolger dominee Breeuwsma hadden de taak ons bij te praten over de Heidelbergse catechismus en gewoon over bijbelse en kerkelijke aangelegenheden. In feite was catechisatie een vervolg van de jongelingenvereniging. Dat was een club, vroeg in de avond, waar je, begeleid door vlotte vaders die ook voetbalden, kon knutselen, waar je uitbundig sinterklaas vierde en bij je kameraden een muis als cadeau bestelde en waar je leerde roken. Eenmaal per jaar gingen we met de jongelingenvereniging op kamp naar Ameland of Sellingen om kennis te maken met seksboekjes als Candy en Chick. De leiders van de jongelingenvereniging, naast voetballende vaders, vaak meesters van de lagere school, hadden, in samenspraak met enkele ouders, aangedrongen op een meer moderne aanpak van de catechisatie. Dat leidde ertoe dat we altijd vragen mochten stellen over dingen die ons bezig hielden. Vooral veel discussiëren over levensvragen was de bedoeling, dat zou de geesten scherpen. Vol vuur spraken we over Israel en kibboetsen; waarom god het beloofde land in zo’n dorre streek had gepland en niet in noordoost-Friesland; wat het verschil was tussen gereformeerd en christelijk gereformeerd; of je zwemmend in de Dode Zee niet op onsportieve manier aan je zwemdiploma kwam; waarom wel een gebod: eert uw vader en uw moeder, maar niet: eert uw kinderen; waarom in de bijbel, het boek van liefde, toch zoveel wordt gemoord, afgeslacht, gespietst, verbrijzeld, met de pest geslagen; of tongzoenen ook onkuis was; of het niet jaren zou duren als de ark van Noach echt met van alle dieren een tweetal gevuld werd; of Johnson een oorlogsmoordenaar genoemd mocht worden, rector Heukels en leraar Engels, meneer Van de Peppel van het Christelijk Lyceum in Dokkum hadden er immers schande van gesproken; of twee keer masturberen per dag was toegestaan; of er voor die arme katholieken een speciaal kamertje was aan de rand van de hemel omdat zij immers de brede weg bewandelden met die on-Bijbelse Mariaverering, een paus als opvolger van Petrus, en, het moest niet gekker worden, plaatsvervanger van JC, en dan ook nog allerlei gesneden beelden aanbaden; en hoe het toch kwam dat er, volgens de leraar maatschappijleer, geen grote Nederlandse schrijvers waren die zich christelijk noemden, tenminste volgens een radioreportage van de V.P.R.O.?

Op de fiets terug van Dokkum naar Kollum hadden we het besproken. Wietse, Andries, Anton uit Veenklooster, Johannes uit Westergeest, Rudi, Folkert en ik waren het erover eens. We zouden die suffe catechisatielessen wel eens opschudden en dominees kennis van besnijdenis testen. De meiden, inclusief Atsje, over wie ik later nog een gedicht zou schrijven, lieten we buiten het complot.

‘Dominee, in de bijbel staat dat jongens en mannen werden besneden, maar wat is dat eigenlijk? Bent u ook besneden? Waarom worden wij niet besneden? Worden vrouwen ook besneden? Is de bijslaap na besnijdenis nog wel lekker? Als je besneden bent en een kapotje gebruikt, voel je dan nog wel wat? De dominee begroef zijn handen diep in zijn broekzakken.

Vooral (g)een nieuwe kijk op 2 0 1 6

De nieuwe superman is nu een vrouw
Een egeljasje voelt als zachte zijde
Straks komt er nog een vijfde jaargetijde
‘Tyf op!’ betekent ooit ‘ik houd van jou’

De koningin werkt in de akkerbouw
De paus heeft zich succesvol afgescheiden
Een slager bakt nu broden op de heide
En stierenpis smaakt als een glaasje dauw

De opschepprijs is voor de noorderlingen
Een slak wordt winnaar van de steeplechase
Ús Epke duvelt daaglijks uit de ringen

I S’ers eten zondags varkensvlees
Softporno wordt gemaakt voor kloosterlingen
Maak zelf een keus: worden het ja’ s of nee’s?

De riedende notoaris

Tot in de verre omtrek werd hij de riedende notoaris genoemd, Frits Bergman uit Ter Apel. Hij was ook notaris, maar nog liever was hij buschauffeur. En in zijn vrije tijd was hij buschauffeur. Samen met wat kameraden had hij achter zijn huis aan de Stationsstraat een afdak gebouwd. En daar stond hij te glimmen: een rode Scania uit 1961. De carrosserie was indertijd vanaf een frame chassis gebouwd door Jan Kiel. Op de flanken in sierlijke belettering het trade mark: De Zwaluw. Nog met een blauw nummerbord, schuiframen en een radio met bakelieten frontje. De stoelbekleding als nieuw, de bekleding geverfd op aanwijzingen van zijn opa, die zijn kennis had opgedaan van zijn vader, die ooit stoffenverver was; blauwvaarver heette dat hier. Een echte bus, een streekbus. Al zijn vrije tijd stak hij in zijn Scania. De wieldoppen glommen als manchetknopen, het mechaniek van de passagiersdeur draaide als de bierpomp op carnaval. Op hoogtijdagen stond Frits extra vroeg op en liet de diesel warm draaien. Toen hij zijn buurman vroeg of hij daar geen hinder van ondervond had die geantwoord: ‘Houlemoal nait, mien jong. Dou maor.’
Om half acht ’s morgens deed Frits de pet op, wreef de klep met een beetje spuug glanzend en hij was chauffeur. De hele dag lag voor hem, een dag met ritten naar en van het Boshuis, het klooster, langs het kanaal naar het winkelcentrum en dan verder, keren bij de R.S.G. Op deze dagen kon de successiewet hem gestolen worden, voorlopige koopaktes, huwelijkse voorwaarden, ingewikkelde testamenten, vot d’r met! De diesel snorde, geen rookpluim te bekennen. Rijden, optrekken, keren, met liefde de double clutch toepassen, wat, als het koppelingspedaal niet bleef hangen, zo’n machtig geluid maakte, als een bronstige leeuw. ‘Dubbelklutsen,’ zei Geert, zijn technische man. Geert was specialist doorsmeren. Geen nippel ontging hem. Wel even oppassen als hij met zijn vette overall binnenkwam om koffie te drinken. Geert had een smeerkuil gewild, maar daar had Frits’ vrouw gewiekst een stokje voor gestoken.
Met de Boeskoolmarkt reed Frits de hele dag. Topdagen! Westerwolde zijn gebied, met uitlopers naar Sellingen en Roswinkel. ‘Busrieder, woar gaist hin?’had een oude vrouw hem toegeroepen. Geduldig legde hij haar de route uit, en Frits neuriede’ Quo vadis, Scania Vabis.’ Hij kende zijn klassiekers. Frits keek alweer uit naar september, dan hadden ze het middeleeuwse feest bij het Klooster. Dan kon hij op twee dagen diensten rijden.
De wethouder had nog wel even raar opgekeken toen Frits hem het plan voorlegde om een busafdak achter huize Barkenkamp aan te leggen. ‘Met vloeistofdichte vloer,’had Frits er geruststellend bij gezegd, dus zonder risico van bodemvervuiling door weglekkende olie. ‘Dikke prima,’had de wethouder hem gezegd. Op Ter Apel waren ze gemoedelijk. Geen drukte om niks.
Af en toe kreeg Frits vragen voorgelegd over recht van overpad, of dat in de koopakte moest of over het onbekende artikel 67 uit de successiewet. Met veel plezier legde hij het uit. In de carnavalsperiode was het oppassen geblazen. Dan kreeg hij nog wel eens een dronken passagier. Op zich maakte hem dat niks uit, als ze maar niet op de stoelbekleding kotsten. Even stoppen naast het kanaal was gemakkelijk zat, ruimte genoeg. Tegen het eind van de ritten zwierven zijn gedachten naar vroeger, toen zijn vader het busbedrijf bestierde. De drukte in de garage, de dieselgeur en dat Frits de eerste rijlessen kreeg, hij was amper veertien. Verkoop van de zaak aan Sijpkes was een moeilijke beslissing, moar het was goud. Hij grinnikte als hij aan opa dacht. Van fietsenmaker naar fietsenfabrikant. ‘Wat Fongers kan, kan ik ook.’ Frits had de fietsemblemen nog. Kom, opletten, nait soezen, de kop d’r veur. De laatste rit. Straks de bus schoonmaken, met Geert de motor inspecteren, een rubbertje bij de motorkap vernieuwen en dan twee halve liters voordat hij met de vrouw nog even naar het feestterrein ging.

Mächteld

We fietsten langs de Trekvaart naar school in Dokkum in een cocon van mist. Het was alsof niet alleen onze adem, maar ook de uitgesproken woorden veilig landden in de vochtige, grijze, wattendeken van mistflarden. Veiligheid zorgt voor uitgelatenheid, zo weet ik nu.

‘En als het onweerde moesten we een kaars aansteken en dan achter elkaar aan door de gangen lopen en hardop bidden dat het niet zou inslaan.’ Haar stem klonk vrolijk en wij lagen krom van het lachen. Onze sturen haakten bijna in elkaar van het wiebelen. ‘En dan ook nog kaarsen, we droegen bij deze nachtelijke processie grote kaarsen.’

Natuurlijk wisten we wel dat roomsen rare dingen deden, maar internaatskinderen ’s nachts wakker maken als het onweerde, dat ging wel heel ver. Wat meespeelde was dat we Mächteld maar wat graag geloofden en gelijk gaven bij heikele kwesties. Mächteld was op haar vijftiende overgestapt van een katholiek internaat in Bolsward naar het christelijk lyceum Oostergo in Dokkum. Vergeleken met de roomse school in Bolsward was Oostergo een vrije school. ‘Maar zijn er dan geen gewone kinderen in het internaat?’ vroeg ik nieuwsgierig. ‘Wat bedoel je,’ vroeg Mächteld. ‘Nou ja, zoals wij, hervormden en grefo’s.’ ‘Tuurlijk niet, joh, daar zitten alleen katholieke kinderen.’ Mijn bewondering voor Oostergo groeide, daar zaten zelfs openbaren, die te lui waren om naar Leeuwarden te reizen. Niet iedereen was zo principieel als oom Jaap, die elke dag naar de openbare HBS in Leeuwarden reisde omdat hij niet naar de christelijke hbs in Dokkum wilde. De Heegers woonden aan de Oosterdiepswal in Kollum. Mächtelds vader, Eegje, van Egidius nam ik maar aan, was winkelier in confectiekleding. Het gezin Heeger was – bij mijn weten – het enige katholieke gezin in Kollum. Tot haar vijftiende hadden wij Mächteld zelfs nog nooit in het dorp gezien. Ze zat nu bij mij in de vierde klas en de fietstochten kregen direct een heel nieuwe lading. Het viel mijn moeder op dat ik steeds vroeger vertrok ’s morgens. De eerste op de startplaats deelde altijd de fietsgroep in. De groep fietsende jongens – gingen er behalve mijn zusters Tjjitske en Jelske eigenlijk wel meisjes naar het lyceum in Dokkum? – werd uitgebreid met een meisje. Natuurlijk waren de Kollumer kameraden en Johannes Wijbenga uit Oudwoude en Anton Boersma uit Veenklooster, die onderweg naar Dokkum aanhaakten, ergens tussen de melkfabriek van Huisternoord en Triemen, leuke gasten, maar tegen Mächteld konden ze niet op. Zoals zij kon lachen en schateren. De eerste tijd hielden we haar braaf uit de wind, maar na een week of twee kreeg ze ook kopwerk. Haar bruine haren dansten dan in de tegenwind, op haar bovenlip parelde zweet, haar donkere wenkbrauwen vormden één lijn en haar mond had een verbeten trek en als haar fietstas dan wat verzakte onder de verslapte snelbinders en ze die met haar hak rechtschoof, moest ze alles geven om vaart te houden. Maar ze flikte het en zo werd ze één van ons. Rooms of niet, we gingen van haar houden. We genoten van haar ongewone internaatsverhalen. Oude nonnen met kapjes op, in witte lange schorten, op mannenschoenen, die de slaapkamers controleerden. Verplichte bidsessies. Biechten. Maar wat kon zij dan hebben gedaan? De bescheiden, overzichtelijke, mores van Calvijn verbleekte bij dit regime. Helemaal niet gek dat ze graag meeging naar Oostergo. Als we er eens goed over nadachten, had ze gelijk met de overstap.

Toen ze een paar dagen achtereen niet op kwam dagen om half acht, voor het huis van dokter Roosdorp, bedachten we dat ze ziek was. Rudie Heins zou thuis een fruitmand fixen en dan gingen we ’s middags, net voor de voetbaltraining, op ziekenbezoek. Mächtelds moeder glimlachte toen ze ons vijven zag staan. Een crucifix in de gang gaapte me aan. En toen Mächteld eraan kwam en ons zag met die stomme fruitmand, schaterde ze van het lachen. ‘Even een paar snipperdagjes, meer niet.’ We dronken een kopje thee en vertelden sterke verhalen over school. Ondertussen werden we begluurd door een nog groter crucifix boven een deur.

Sjoerdsje Beintema

2003. Bredevoort was een rustplaats op onze tocht van Eijsden naar Sleen. Toen Maarten en ik door het centrum fietsten, herkende ik een auto uit mijn jeugd, een VW kever. Ik zag onmiddellijk dat het een 1100 was met ovale achterruit, daardoor ook wel ‘ovaaltje’ genoemd. Een gerestaureerd exemplaar, geen roest aan de voor mij zichtbare treeplank. Ook zag ik dat er iets met de chauffeur aan de hand was. De witte Volkswagen stond slordig geparkeerd op de stoep. Alsof kermismannen, die verderop bezig waren, hem hadden geduwd en hem daar hadden laten staan. Uit mijn ooghoeken zag ik dat de bestuurder morsdood was. Althans ik hoopte vurig dat hij dood was. Een lange, dikke, sliert glinsterend snot hing naar beneden als een gerafeld stuk elastiek. Ondanks dat hij dood was, zat de man rechtop. Dit type VW stond bekend om de goede bestuurderszit, herinnerde ik me. Bij mij thuis, vroeger, reed mem in de kever. Hij schakelde gemakkelijk en je zat altijd goed. Heit voelde meer voor de wat wegglijdende zit op de rode bank in de Zephyr.

Het voorhoofd van de dode man rustte op de bovenste rand van het stuur. Een grote, natte, vlek in zijn kruis. Ik besefte dat als ik maar een gering levensteken zag, ik in actie moest komen. Op de b.h.v.-cursus had ik niet voor niets alles over een stabiele zijligging geleerd en over hoe te reanimeren. Je mocht, als de situatie erom vroeg, eerst de mond schoonmaken voordat je met mond-op-mond-beademing begon. De b.h.v.-instructrice, Sjoerdsje Beintema, kon beeldend vertellen over braaksel op de lippen van mensen die onwel waren geworden en beademd dienden te worden. In die tijd waren er nog niet van die kunststof kapjes. ‘Maarten, fiets maar even alleen door, ik kom zo bij je, hier is iets aan de hand,’zei ik tegen Maarten. Hij begreep me en vroeg niet waarom. Ik smeet mijn fiets tegen een boom en rende naar de VW. Het hoofd was al iets verder weggezakt, de neus raakte de chromen beugel van de claxon die in dit type kevers diagonaal, als ware het een bliksemschicht, op het stuur was gemonteerd. De aanraking was echter zo licht dat de toeter niet klonk. In de kattenbak een grote pluchen hond met droeve ogen. Dat er een mevrouw uit het tehuis was komen lopen, merkte ik nu pas op. ‘Laat mij maar,’ zei ze monter en ze opende de autodeur. Wist zij al van de dode man? Had zij zijn dood voorzien? Hij zal zich niet goed hebben gevoeld en op weg zijn geweest naar de medische zorg van het tehuis, concludeerde ik snel. Misschien had hij zich telefonisch aangekondigd? ‘Bedankt,’ zei ze vriendelijk, ‘gaat u maar gerust verder.’ Ze glimlachte als iemand die dagelijks dode mannen uit VW-kevers verwijderde en handelde professioneel. Verderop zag ik Maarten naar me kijken. ‘Kom je nog?’ riep hij, ongeduldig, we zouden gaan zwemmen, weet je wel?’

Het was bloedheet. Zo warm dat de Nijmeegse wandelvierdaags de routes had ingekort. ‘Echte bikkels geven niet snel op,’ hield ik Maarten voor, ‘fietsen kan altijd, kijk maar naar de Tour de France, daar korten ze etappes ook niet in als de zon schijnt.’ Vooral veel drinken en goed eten. Toen al wist ik dat wilskracht een spier was die je kon trainen. Met gemak fietsten we de 380 kilometers van Eijsden naar Sleen in vier dagen. Op dikke-banden-fietsen.

Vooral die lange taaie, speekselsliert, bleef lang in mijn gedachten hangen. En als ik die verwijderd had, waarmee trouwens, had ik de oude man dan wel durven beademen? Als het Sjoerdsje Beintema was geweest wel. Dan had ik met een doordacht gebaar het beetje snot weggeveegd met mijn zakdoek, had ik haar neergevlijd onder de boom, naast mijn fiets en dan had ik haar weer tot leven gewekt. Ze zou hebben gelachen om de korreltjes van haar lipstick in mijn mondhoeken en verdwaasd hebben rondgekeken.
Maarten kon zwemmen als de beste. Met zijn drie of vier zwemdiploma’s hoefde ik hem niet steeds in de gaten te houden, dat deden een stuk of vier vakantie vierende meiden wel. Langzaam dutte ik wat weg op mijn handdoek op de zonneweide. De eigenaresse van het Vrienden-van-de-fiets-logeeradres, probeerde mij op mijn gemak te stellen. Natuurlijk was ik weer over de dode man begonnen. De dode man plakte aan mij als kauwgum onder een schoen.

Witte

Ik zat op zijn rug, net onder de schouderbladen en duwde zijn mond met kracht in een rulle molshoop. Moest hij ook maar niet zo schreeuwen en spartelen. Folkert zat achter mij, op zijn bovenbenen en hield zijn voeten en handen in bedwang. Witte probeerde zijn hoofd te draaien. Ik voelde dat zijn verzet wegebde. Hij hoestte en spuwde natte modder uit. Oké, dacht ik, goed, ademen moet, en duwde nu zijn rechteroor in de rulle grond van de molshoop, zodat zijn mond vrijkwam. Er ontstond een kuiltje onder zijn hoofd. Twee pissebedden glipten weg, zag ik uit mijn ooghoeken. Maar pissebedden vertonen zich toch nooit in zonlicht, dacht ik. Ik had wel eens een tegel opgelicht en me verbaasd over de levendigheid van deze diertjes en dat terwijl ze onder een platte steen zaten. ‘Genoeg,’ fluisterde Folkert, ‘ik hoor de fluit van meester Van der Heide al.’ Aan het begin van de ochtend en de middag moesten de klassen zich in rijen voor de schooldeur opstellen. Als kleine militairtjes wachtten we op het fluitsein ‘binnenkomen’. ‘Ho ho,’antwoordde ik, ‘de andere wang moet ook nog even. ’Ik verslapte mijn greep om het hoofd van Witte en draaide het, zodat nu het linkeroor naar de weggekropen mol kon luisteren. Witte keerde mij zijn andere wang toe, bijna uit zichzelf. Ik begreep hem wel, hij verdiende nu eenmaal straf, dat zag hij nu ook zelf in. Zijn tranen mengden zich met de kluitjes grond tot een bruine pap. Ik zag een worm en pakte die. Het uiteinde van de worm duwde ik tegen Witte’s mond. Hij wilde niet proeven. Dat begreep ik ook. Ik voelde me sterk, de rollen waren nu omgedraaid. De helft van een tweeling zijn leverde nu iets op. Pure kracht. Samen waren we hem verreweg de baas. Mem zou het niet goed vinden, natuurlijk, wraak was niets voor haar, maar mem was er niet bij. Mems hulp, Annie, dacht er gelukkig anders over, zij was meer van oog om oog en tand om tand. Folkert trok me weg en Witte ging er vandoor. ‘Rotzak, verrekkeling!’ riep ik hem na. ‘Zeg maar tegen de meester dat ik eraan kom,’ zei ik tegen Folkert, ‘ik moet eerst mijn handen nog wassen.’ Folkert rende naar school. Ik voelde dat mijn armen en handen beefden. Ook mijn bovenbenen trilden. Ik ging tegen de muur van het bushokje zitten en voelde mijn spieren ontspannen. Of het niet te hevig was geweest voor Witte vroeg ik me nu af. Waar de bus altijd stil stond waren de straatstenen verzakt en ontstonden waterplassen met blauwgroene cirkeltjes van weggelekte olie. Ik boog me voorover en waste mijn handen en knieën. Mijn zakdoek werd handdoek. Spijt had ik niet, maar ik voelde me wel bezorgd. Of schuldig. Ik dacht na over het verschil tussen spijt en schuld. Met zijn tweeën tegen één, was natuurlijk niet goed. Maar Witte was zeker drie jaar ouder dan wij, hij zat al in de tweede of derde van de ambachtsschool en wij in de zesde van de lagere school. Had hij me maar niet moeten uitschelden elke dag als hij mij zag.

De grensrechter bij Friese Boys C2 – Kollum C2 had wit haar. Hij was een jaar of vijftien, maar groot, je gaf hem gemakkelijk zestien als je hem zag staan. Folkert was spil en ik keeper. Ik droeg een oude trui en voetbalschoenen die te groot waren. De punten had ik met schapenwol gevuld. Vaak verloren wij van Friese Boys uit Zwagerveen, zoals we ook verloren van WTOC uit Oudwoude. Viod uit Driesum en De Lauwers uit Warfstermolen konden we wel hebben. Maar deze keer stonden we toch op winst tegen de Boys. De grensrechter had wild gevlagd op het moment dat ik de bal opraapte bij de achterlijn. Iedereen zag dat het geen doelpunt was en de scheidsrechter had het vlagsignaal genegeerd. Onze trainerleider, Jan Boer, had er iets van gezegd, grensrechters van veertien, vijftien waren niet toegestaan. Hij mocht dan een goede A-speler zijn, maar dat maakte je nog niet een goede grensrechter. Kon ik het helpen dat hij door de mand viel?

Elke keer als hij me in Kollum zag, riep hij me na. Hij schold me uit voor kievit, strontkeeper, klootzak, snotneus. Dat schelden was niet het ergste, maar wel zijn dreigende houding als hij mijn kant op fietste. Als ik hem zag, dook ik weg. Ik verstopte me achter een heg of deed alsof ik post bezorgde en daarom naar de voordeur liep van willekeurig welk huis ik maar passeerde. Daardoor kwam ik geregeld iets te laat op school. Als ik op zaterdag voor heit post bezorgde in de streek rond Zwagerbosch, Triemen, Zwaagwesteinde, Veenklooster en Zandbulten, dan keek ik extra goed om me heen. Ik wist dat hij hier ergens moest wonen.
Ik kneep hem, maar dat kon je niet bang noemen. In gedachten noemde ik hem Witte. Ik nam me voor hem eens samen met Folkert te pakken.