Randje Drenthe

Zoals Groningen de provincie van het Groninger trekpaard is, Friesland van de Elfstedentocht uit de geschiedenisboekjes, zo ontpopt Drenthe zich als de moeder aller fietsprovincies. De internationale overkoepelende wielerbond UCI (Union Cycliste Internationale) deelt speciale Bike Region Labels uit, een soort keurmerk voor regio’s die ernaar streven en daarenboven erin slagen fietsen te promoten. Drenthe is de eerste UCI Bike Region ter wereld. Drenthe wordt aangeprezen als een toonbeeld van een regio waar veel in fietsen wordt geïnvesteerd. De wielercultuur zit diep in Drenthe verankerd, als de olie onder Schoonebeek. Ook bij het Landelijk Fietsplatform scoort Drenthe vijf sterren. Mooie evenementen dragen bij aan de Drentse status als fietsprovincie, maar ook het uitstekende fietspadennetwerk van meer dan 2100 kilometer. Met de breed gedragen erkenning op zak, maakt de provincie zich op om het WK wielrennen in 2023 binnen te halen. De ambitielat ligt hoog. Dat is in Drenthe weleens anders geweest. Op diverse terreinen wordt gewerkt aan een nog betere inzet van fietsen. Gedeputeerde Henk Brink, met de portefeuilles verkeer en vervoer, economie en vrijetijdseconomie is trots op de koppositie die Drenthe inneemt. 

Voorbeelden van oude en recente fietsprojecten in Drenthe:

  • De Ronde van Drenthe, een monument van bijna zestig jaar oud;
  • Drenthe 200, een ultramarathon voor mountainbikers, fatbikers, cyclocrossers;
  • Een keur aan nieuwe fietsroutes: drenthe.nl/fietsen;
  • De inmiddels veertig jaar oude Gouden Pijl (men leze ‘Veertig Gouden Pijlen’ 2017);
  • Een nieuw fietstracé op de VAM-berg in Wijster, binnenkort uit de ontwikkelfase als een tweejarige uit de luiers, met hellingen van 8 – 13 % inclusief kasseienstrook;
  • Randje Drenthe, tien routes van ca 60 km, twee gekoppelde routes van 135 en 170 en de ultieme tocht van 255 km: fietssport.nl;
  • Cycling Valley, het fietsmekka van Noord-Nederland wordt ontwikkeld in Roden;
  • Para-Cycling World Cup, na 2017, dit jaar in juli en in 2019 de wereldkampioenschappen te Emmen;

Voor meer informatie: www.opfietseindrenthe.nl;

28 x Andalusië, 22 – 28 MALAGA

Martes, seis marzo. Malaga heeft in zijn eentje wat Cordoba, Torremolinos en Antequera samen hebben. En nog wat meer. Een grote, flitsende, open, mooie, cultuurrijke stad. Schitterend aan het water, de Alboránzee, gelegen. Met ondertussen een autovrije of -luwe binnenstad. De laatste twintig jaar is er op dat vlak veel ten goede veranderd. We doen mee aan een ‘free city tour’ van drie uren. Gids Alejandro vertelt met enthousiasme & deskundigheid over de gezellige, ruime pleinen, fraaie straten met de talloze musea en kerken.  Picasso liet hier zijn sporen na als een pas ontdekte Van Gogh in de TEFAF-brochure. Plaza de la Constitucion, Plaza de la Merced zijn je van het. Straatmuziek, met oog voor detail beschilderde schuttingen, lustig betegelde straten, overal is met zorg en oog aandacht aan besteed. Joáo en Breixo doen het even rustig aan. Ze komen uit Portugal en Joao, de muzikant wordt verteerd door liefdesverdriet en ligt het doel van het leven te overdenken. Breixo (23)  is vrolijker. Als hij zijn schoolcarrière beschrijft maakt hij het gebaar van een door de golven laverend schip dat hier en daar een haventje aandoet en alle tijd heeft om het einddoel te bereiken. Ze slapen op het strand. Ik probeer wat voor de mannen te tokkelen op het eenvoudig geconstrueerde instrument. Een strakke staaldraad als een boog gespannen en op het eind een uitgeharde, open kalebas als trommel.

Miércoles siete marzo. De zon beschijnt de daken tegenover ons als een te felle bouwlamp op gipsplaten in een nieuwbouwhuis. Malaga telt zo’n 28 musea. Nou ja, musea, daar zitten dan ook musea bij over Malagese wijn, Andalusische kostuums, het bisschoppelijk paleis en zo meer. De kathedraal, hier bekend als La Manquita, de eenarmige, telt hier zelfs dubbel: èn als museum èn als kathedraal. Dat is een beetje als een ijssalon bij de KvK meetellen als melkverwerkend bedrijf en als genotshuis. Toen we van Antequera naar Malaga reden staken we wel zestien keer een miezerig stroompje over, de Rio Guadalmedina. Tegenover ons appartement is het uitgegroeid tot een betonnen goot die meestal droog staat en waar Malagezen hun honden uitlaten. Heel soms gaat ergens een schuif open en kolkt er een bruine, licht onwelriekende stroom voorbij, zoals, stel ik me voor, op Twitter na een Forum voor Democratie-discussie.

We bezoeken het CAC, het Centre de Arte Contemporáneo. Een mooi gebouw en een schitterende expositie. Deze maand krijgen Secundino Hernández en de Duitser Stephan Balkenhol de ruimte. Balkenhol toont houten sculpturen. Mannen en vrouwen in erg grote of juist kleine uitvoeringen, los staand in de vrije ruimte of aan de wand gespijkerd. In de vaste collectie zit werk van Norberto Gil, Peter Halley e.v.a. Na een uurtje in de onderbroek liggen en lezen op het strand gaan we de stad weer in. Ik laat mijn schoenen poetsen en we zien grote en voor deze keer uitzonderlijk goed uitgevoerde graffiti.

Jueves ocho marzo. We dwalen wat door de stad. Bij warenhuis El Corte Inglés is het rustig. Bij Victoria’s Secret demonstreren meisjes, vrouwen en enkele jongens voor de expansie van het feminisme. Ze roepen en zingen vrolijke leuzen, o.a. dat ze vandaag een koopstaking houden. Als het rumoer aanzwelt zien we ze vanuit de verte met bh’s zwaaien als cowboytje spelende jongens met lasso’s. We zijn bijna een maand in Spanje en dan valt je weleens wat op. Als je meer dan zestig jaar in Noord-Nederland hebt gewoond, dan is Spanje een schok. Waar zijn de boodschappentassen,  fietsen, zonnepanelen, brievenbussen, stadse geveltuintjes, rollators, snackbars en wekenlange wolkenluchten? Het weer, de vrouwen, het eten, the way of life, allemaal anders. En de infra. Zet de Drentse keienweggetjes, bolle, kierende Groninger klinkerwegen, brokkelige Coevorder stadsvloer met breuklijnen als in kapot abriglas, eens naast de glimmende blokken graniet en zonbeschenen marmerplaten in voetgangersgebieden in Spaanse steden, dan zie je de verschillen. Het Stendhal-syndroom ligt op de loer als verkoudheid in september.

Viernes, nueve marzo. Heel traag klimt de zon omhoog op de muren als ik naar de bakker op de hoek loop. Ik koop hetzelfde als gisteren en eergisteren en betaal drie keer een ander bedrag. Het winkelmeisje en ik verbazen ons er niet over. Ze vindt het vreemd dat ik haar plastic tasje afwijs. Voor Spanjegangers staat altijd wel een markt op het menu, als kikkers voor reigers. Wij bezoeken Mercado de Atarazanas in het oude deel van Malaga. Vlees, vis en vers gestapelde aardbeien. Buiten zit een geduldig wachtende koopvrouw met fresia’s. We eten liefdeloze tapas op een plein en bezoeken dan het museum van Malaga’s beroemdste inwoner, de uitvinder van het kubisme: Picasso, de beste kunstenaar van de 20e eeuw? Het overzichtelijke museum toont alle zijden van Picasso: (zelf)portretten, vrouwen, geometrische werken, sculpturen van mensen, stieren en duiven. Na dit bezoek zie je allerlei Picassoësque invloeden, waar je ook kijkt. We maken een uitstapje naar Rincon de la Victoria. Als we ooit nog eens in Spanje gaan wonen, dan hier. Op fietsafstand van Malaga, gelegen naast de zee en minder druk dan Torremolinos. We spreken   Sergio Santamaría, oud-speler bij FC Barcelona en nu werkzaam als inmobilario. Hij vertelt gespeeld te hebben met De Boer, Kluivert sr. en getraind onder Van Gaal. Als ik hem niet gelovend aankijk zegt hij: ‘Google me.’

Sábado diez marzo. Bewolking trekt over Malaga. De wereld lijkt somber, als de toekomst van ontmaskerde kalver- en mestfraudeurs. Toch trekt de stad ons weer aan. Het worden vandaag winkels en overdekte mercado’s. Mijn bewondering voor marktkooplui, meestal profi’s en soms losvaste amateurs, is groot. Met liefde voor je product asperges uitgestald in een kruiwagen: klasse! Boekhandels hebben wel de stokoude El Ciclista van Krabbé maar de nieuwste van Vincent Werner niet. Goede schoenen, een paraplu en een lichte regenjas zorgen ervoor dat we de straten zowat voor ons alleen hebben. Een fraaie graffito met een schildpad en een donna hebben op ons hetzelfde effect als een rap: als je herkent dat er meer tijd aan is besteed dan vijf minuten infantiel, seksistisch gebroddel met bier en een pilletje of twee, vallen ze vaak mee. Deze vitale schildpad lijkt weg te zwemmen uit een door GreenPeace bewaakte, want ultraschone, rioolbuis terwijl moeder Maria er wat weer-, hulpe- en hopeloos bij staat met geloken ogen. Met de gemeenteraadsverkiezingen in zicht zie ik een poster van de Partij voor de dieren voor mij, starring Marianne Thieme als Maria. Net even buiten oud-Malaga vind je moderne kantoorgebouwen die je ook in Düsseldorf, Gent of  Almere-zuid aantreft.

Domingo, once marzo. Vandaag blijft de temperatuur wat achter en zijn er buien voorspeld. Via Carreteria en Alamos slenteren we de stad in. Tegelijk met de zon arriveren we op Plaza de la Merced. Daarna steken we door naar het Centre Pompidou Málaga. We bekijken enkel de vaste collectie en die valt niet mee. Langs Muelle 1 naar de Playa, waar we licht lunchen met een handvol sardienen en een watertje. Daarna bezoeken we de onneembaar lijkende vesting La Alcazaba en het Teatro Romano. La Alcazaba, een van oorsprong Moorse burcht, werd uiteindelijk door de christenen na een lang beleg, overgenomen. De geschiedenis toont aan dat door de eeuwen heen, religies een garantie waren voor kamp, strijd en agressie.

Lunes, doce marzo. De zon is slapjes ingekapseld tussen grijze en donkere wolken, als de CDA-principes tussen wat Buma kan en wat hij wil. Torrox en Nerja staan op de reislijst. Uiteindelijk halen we Nerja niet, maar Torrox, Torrox Costa en Lagos wel. Torrox ligt tegen een heuvelrug geplakt. Voetgangers die de nauwe straatjes ingaan nemen beter een kompas mee. Ook met harde wind bekoort de kust. De zon kruipt uit zijn schulp en koestert ons.

Martes, trece marzo. Boven de 18, 19, 20 graden verandert het straatbeeld. Er zijn aanmerkelijk meer straatmuzikanten. De kwaliteit van de muziek wisselt nogal. We beluisteren een gitarist die na een half Beatlesnummer met zijn gitaar rondgaat, een zanger van operamuziek met een versterker, een cellist die zijn muziekstudie op straat praktiseert, en enkele begenadigde gitaristen die, gadegeslagen door Maassluise vertegenwoordigers van de ‘red hat society’ (“Er kunnen enkel vrouwen lid worden; we komen maandelijks bij elkaar en onze stelregel is: we zeuren, klagen en roddelen niet en iedereen draagt iets paars en een rode hoed,”), prachtige Spaanse flamencomuziek spelen. Als we even niet kijken groeit de groep van twee naar drie spelers.

28 x Andalusië, 15 – 21 ANTEQUERA

strijdperk

Martes veintesiete febrero. Antequera ligt op 575 hoogte, 55 km boven Malaga. Het is een Andalusisch provinciestadje van ca 40.000 inwoners en heeft een arena voor stierengevechten. Stieren opjagen, in een hoekje drijven en dan gefaseerd doodsteken onder luid handgeklap vinden Spanjaarden net zo gewoon als Nederlanders vissen, kievitseieren rapen, kistkalveren slachten, haantjes shredderen, bokken kelen en op weerloze dieren jagen.  Het enige verschil: stieren willen uit pure wraakzucht de belagers nog weleens te grazen nemen. Met Drenthe heeft de Antequera regio gemeen dat er vroeger Hunnen woonden.

vlag van Andalusië

Miércoles veintiocho febrero. Dia de Andalucia, dag van Andalusië. Op deze dag wordt herdacht dat de regio Andalusië, met als hoofdplaats Sevilla, op 28 februari 1980 als autonome regio werd erkend door de Spaanse regering. De scholen zijn gesloten en de winkels hebben aangepaste winkeltijden. Veel musea zijn op deze dag gratis toegankelijk.

Antequera, amandelboom en zware luchten

Jueves uno marzo. Hoewel archeologische opgravingen en steenklompen zoals hunebedden op ons doorgaans de aantrekkingskracht hebben als Staphorster klederdracht op een lingeriefetisjist, bekijken we toch de folder over dolmens in Antequera aandachtig. De folder en de regen slagen erin ons vandaag thuis te laten blijven. Het wordt een dagje lezen en later de stad bewandelen. We zien conventen met gesloten deuren, prachtig betegelde halletjes, door amandelbloesem begeleide vergezichten en fitnessapparaten in de vrije ruimte. Die zie je in deze regio alom.

 

(detail) M. Sánchez

Viernes dos marzo. Voor het eerst een paraplu gekocht in Andalusië, dus op naar het MAD,

marmerijs

het prachtige, maar bijna uitgestorven Museo de Arte de la Diputación. Naast een vaste collectie, met o.a. werk van Leoncio Talavera met het ontroerende doek Niño con cisne (jongen met zwaan), Antonio Reyna Manescau, José Navarrete Oppelt, Enrique Symonet y Lombardo, Adolfo Ocón, en folkloristische, ontwapenend onnozele,

M. Sánchez – La nave de los locos

stierenvechters van José Denis Belgrano is er recent werk te zien van Juan Miguel Quiñones: kleine marmeren sculpturen van taartjes en ijsjes. En van Matías Sánchez: grote verhalende doeken met duidelijke middeleeuwse invloeden. Vooral voor de grote doeken van Sánchez kom je gemakkelijk op (en erover) de zes seconden die museumbezoekers gemiddeld stilstaan om een werk te bekijken.

La Nave de los locos van Sánchez = Het Narrenschip van Jeroen Bosch.

bibliotheek Antequera

Sábado tres marzo. We bezoeken de openbare bibliotheek in Antequera, gevestigd

naambord bieb

in een prachtig gebouw met een stijlvol binnenplein. Het doet me aan een klooster denken. Bovenop het torentje een nestelende ooievaar. De bieb werd geopend in 2004. Er is een gedeelte voor kinderen en op de eerste verdieping voor volwassenen. Het is zaterdag en er wordt goed gebruik gemaakt van de lees- en studiezaal. De donkerhouten kasten en het hoge gebogen plafond geven de ruimte de grandeur die je in films van Harry Potter ziet en in moderne leeszalen mist. Waar vind je nog echte encyclopedieën? Nou, hier.

Alejandro y Javier

Er zijn relatief veel jongeren, sommigen met een laptop, allen met smartphones en velen met grote schrijfblocs. Naast elkaar aan een grote leestafel zitten Javier Peral Aguilar en Alejandro Rodríguez Terrones. Beiden zijn zestien jaar. Ze zitten hier geregeld te studeren, bijna elke zaterdag en vandaag de hele dag. Alejandro vertelt dat hij aanstaande maandag een toets heeft, vandaar zijn studiezin. Javier leest een boek voor de literatuurlijst. Terwijl ik hen fluisterend spreek is het verder doodstil. Een meisje verderop, druk bezig met het maken van aantekeningen voor een geschiedeniswerkstuk, kijkt me al eens wat bozig aan en na vijf minuten komt de bibliothecaresse ons tot stilte manen. Met een optimistisch gevoel over Spanjes toekomst, vertrek ik.

Hee, waar hoorde en zag ik de naam Aguilar eerder? In Cordoba zag ik een borstbeeld van Monsénor Antonio Gómez Aguilar (1927 – 1993). Familie van Javier Peral?

strak, strakker, strakst

Antequera bezoeken zonder een blik op de dolmens geworpen te hebben gaat eigenlijk niet. In 2016 kwam de internationale erkenning, waar elke hunebeddenshow naar hunkert, van de werelderfgoedlijst van de Unesco en dat is te zien. Een heuse receptie met een videopresentatie in het Spaans, het Spaans en het Spaans, een indrukwekkende, strakke toegangspoort en een ruime parking. Te zien zijn grote stenen blokken die kamers vormen waarvan de daken bestaan uit lateien of valse

twee x profiel

koepels. De drie tombes die begraven lagen onder de originele aarden grafheuvels behoren tot de meest opmerkelijke architecturale bouwwerken van de Europese prehistorie. Maar het mooist van al is een in de verte zichtbaar profiel van een kop die, als Beatrix’ contouren op een postzegel, in het beton op de voorgrond wordt gespiegeld.

afwatering

Domingo cuatro marzo. Zon en regen wisselen elkaar vandaag af als winst en verlies bij Ajax. Er oefent een goed klinkende tenor in ons trappenhuis. De akoestiek is perfect. De open ruimte nodigt hem uit om tussen de strakke toonladders door te roken. In het paleisachtige stadsmuseum, Museo de la ciudad de Antequero, mag je niet fotograferen, zie ik helaas te laat. De suppoost met wapenstok knipoogt. Op de museumwebsite stopt de programmeringsinfo bij 2015. Bij regen klateren vier fikse waterstralen uit de geopende slangenbekken aan de gooteinden op de binnenplaats. Bij het horen en zien ervan gaan vele oudere señores onmiddellijk met mij naar de aseos om daar broederlijk naast elkaar staand, benen wat uit elkaar, kont iets naar achteren, de blik bestuderend gericht op interessant afbladderend stucwerk dertig centimeter voor ons, met een groot gevoel voor timbre, lichter klaterende stralen te produceren. En vooral de concentratie niet verliezen!

Op de begane grond de verplichte, misbare, archeologische brokken, scherven en stukken. Op de eerste verdieping

saaie, want te bont geborduurde, overgooiers als werkkleding voor pastoors, kardinalen en bisschoppen. Verder geestelijke parafernalia van zilver en vormloze, kleurrijke, joekels van schilderijen van dimensieloze, blijde bijbelse taferelen die in hun eenzijdigheid, de gruwelen van de eerste vijf Bijbelboeken zijn hier niet te zien, de afgebeelde ongeloofwaardigheden slechts versterken.

 

Gehangende

Weer iets hoger José Maria Fernandez (1881 – 1947) en bovenin, het dichtst bij de hemel en de water spuwende slangenbekken, Cristóbal Toral (1940). Fernandez, een tijdgenoot van Edward Munch, wekt de indruk Munchs werk (De schreeuw) te kennen (zie de gezichtsuitdrukking van de gehangende).

De zaal met Toral maakt ons bezoek de moeite waard. Fijn en realistisch geschilderde, verweesd en eenzaam rondkijkende vrouwen op bedranden, een dode emigrant naast zijn schamele bezittingen, heel veel troosteloos en treurniswekkende collecties dozen, opgestapelde meubels en kastjes. Ze willen je een verhaal vertellen dat veel verder gaat dan dat van de obligate kerkvaderen twee verdiepingen lager.  De verwijzing naar de spullen die na deportaties van vele Joden in WOII overbleven, is glashelder. Toral klaagt de terroristische barbarij aan en noemt daarbij Daesh oftewel I S bij naam.

Wolfgang

Lunes, cinco marzo. Aan de grootste en drukste winkelstraat in Antequera, de Calle Infante Don Fernando, die de stad doorsnijdt van het kasteel naar de stierenvechtersarena, zie ik Wolfgang zitten, een vriendelijke meneer met een wit sikje en een paardenstaart onder een pet. Voor hem een bakje met wat muntgeld. Ik schiet hem aan met mijn vaker gestelde vraag: “Habla usted Inglès?” en tot mijn verbazing antwoord hij – in het Engels – bevestigend. Mooi dat scheelt alvast. Inge loopt even door en wacht verderop in de straat. Ik wil weten hoe hij in het straatleven verzeild raakte en vraag hem of ik hem enkele vragen mag stellen en of ik hem mag fotograferen.  “Of course,” is het snelle antwoord. Wolfgang is negenenvijftig jaar oud, afkomstig uit Duitsland, hij is niet getrouwd en heeft twee dochters van 34 en 25 jaar oud. Hij heeft geen contact met zijn dochters en hun moeder, dus hij weet niet hoe het hun gaat en of er kleinkinderen zijn. Duitsland heeft echt voor hem afgedaan. Hij heeft geen vast adres. Als ik hem vraag wat er gebeurt als hij een keer ziek wordt, houdt hij zich op de vlakte.

Zijn beroep is ‘Steinmeister’. Heel af en toe heeft hij losse klussen bij particulieren. Een keer helpen bij de verbouw van een huis, een schoorsteen metselen, dat werk. Of het leven op straat hem bevalt? “Zeker, ik ben helemaal vrij. Ik heb nu alle tijd.  ’s Morgens ga ik hier zitten, op mijn in plastic zakken verpakte twee slaapzakken. Dit is alles wat ik heb. ’s Middags om ongeveer drie uur, krijg ik een warme maaltijd van een heel aardige Braziliaanse vrouw. Ik slaap op straat, dat wil zeggen bij de overkapte entree van een gerechtsgebouw, je weet wel, zo’n straatje waarlangs ze verdachten naar binnen brengen.” Terwijl we doorpraten verander ik van houding en ga even op de tegels zitten. Ik wil niets romantiseren, maar Wolfgang maakt bepaald geen zielige indruk. Terwijl ik met hem praat, worden er geen munten in het voor hem staande doosje geworpen. “Spanje bevalt me heel goed, het weer is prima. Nee, ik heb geen computer. Ik had een mobieltje, maar dat is kapot. Spanje heeft geen sociaal vangnet voor mensen als ik. Wel kun je per week drie warme maaltijden krijgen in steden als Antequera. Als ik me wil douchen, neem ik voor een nacht een kamer in een hostel, voor ongeveer € 15,-.” Zonder het te merken zijn we overgegaan van het Engels op het Duits. Wolfgang: “Ik spreek vijf talen: Spaans, Duits natuurlijk, Engels, Portugees en een heel klein beetje Nederlands.” Als ik wegga en hem groet geef ik hem mijn kaartje met (website)adres, kan hij het nog een keer nalezen. Ik besef dat ik hem in gedachten niet een bedelaar zou noemen, maar, eeh, een vrije dakloze. “Wolfgang, alles gute!”

28 x Andalusië, 8 – 14 CORDOBA

Martes veinte febrero.

Centro deCreación Contemporánea C3A

Het Centro de Creación Contemporánea de Andalucía, ook bekend als het C3A, oogt aan de buitenkant als piepschuim.

Museuminterieur

Binnen zijn alle muren van beton, de bekistingsplaten nog zichtbaar. Tien minuten voorbij het gekrioel van de Mezquita-Catedral is het hier een oase van rust. We tellen vijf bezoekers. De entree is gratis. 12.000 m² ruimte is gecreëerd door de architecten van Nieto Sobejano. We zien een audiovisuele show over de Vietnamoorlog. Metershoge en -brede beeldschermen tonen in de oceaan stortende helikopters. Vietnamese inwoners beschrijven welke impact Amerikaanse luchtaanvallen hadden. Vervreemdend. Indringend. Wat een contrast met een zaal waarin Yoko Ono bezoekers vraagt iets te breien t.b.v. de wereldvrede.

Miércoles veintiuno febrero. Zwervend door Cordoba (met 325.000 inwoners twaalfde Spaanse stad) geloof je niet dat Spanje de vierde economie in Europa is. Vooral de straatjes in de Joodse wijk doen je meer denken aan Urk dan aan Madrid. Wat een mooie stad, doorsneden door de Rio Guadalquivir, met tegenover de Mezquita de wonderschone brug Puente Romano met selfies makende plattelanders, straatmuziek in alle vormen en duiven die er een wedstrijd van lijken te maken zo hard mogelijk onder de brugbogen door te vliegen zonder elkaar en de stenen pilaren aan te raken.

Puente Romano

In C vind je een flink aantal kerken, een synagoge, een universiteit, heel vaak de zon, plaveisel gemaakt van kiezels en marmeren stoepranden, veel interessante court yards, zeg maar binnentuinen of patio’s. De patio’s hebben de sterrenstatus van Wereld Erfgoed bereikt. Ooit was Cordoba één van de belangrijkste steden in de wereld, met meer dan 500.000 inwoners. In de tiende eeuw was Cordoba een kalifaat, met zo’n 500 moskeeën.

Jueves veintidós febrero.

Ook Spanje

Mijn verleden als campingbaas heeft mijn interesse voor riolen en het systeem van vuilnis verwerken aangewakkerd. Spaanse steden kennen een prima systeem voor de vuilnisverzameling. Overal staan verzamelcontainers en in steden zijn veel ondergrondse containers. De bovengrondse afvalbakken zijn gemaakt van roestvrijstaal. Die dingen heb je in Groningen en Palermo ook. In Spanje zagen we enkele malen dat de bakken werden schoongepoetst door brigades vuilnismannen. “Puedo fotografar usted?” “Si, naturalmente.”

Viernes veintitres febrero.

Plaza de la Corredera

Zoals in een schoolgebouw of markthal het geluid aanzwelt als je de ruimte nadert, zo hoor je in Cordoba toenemend gezoem als je dichter bij het Plaza de la Corredera komt. Misschien Europa’s, nou ja, Spanjes, nou ja Cordoba’s mooiste plein. Aan vier zijden omsloten door hoge gebouwen waan je je in een theaterzaal. Eenmaal op het plein valt het geroezemoes weg en kun je genieten van de voorstelling van parende honden, fietsende peuters, je smartphone met een hevig zwijgende André van Duyn in een DWDD-discussie die ertoe doet, zon, terrasgenoegens, een verdwaalde violist, het nieuwste boek van Lize Spelt en meer.

Omhoog man!

Sábado veinticuatro febreo. In Cordoba geen Friese paarden maar Andalusische. In het Caballerizas Reales worden paardenshows opgevoerd. Het begint met gaapverwekkende longeeroefeningen en het eindigt met circusachtige trucs: een zittend, achteruitlopend, met een voorbeen zwaaiend, met een in het rood geklede zwierige danseres dansend paard. € 15,-. De zitplaatsen zijn aan de krappe kant. Voor mij een iele Deense meneer die links door zijn vrouw en rechts door een Spaanse deerne zowat wordt geplet als een zwetend broodje kaas in een te volle rugzak.

Fernando Clemente

Domingo veinticinco febrero.  Na het zoveelste mooie straatje, putdeksel, voordeur, leicitroenboom, of plein, was het wel eens tijd voor hardcore moderne kunst. Ik tref het met geometrisch werk van Baez, Clemente, Pereñiguez en Romero onder de naam ‘Geométrico Trip South’ in het nieuwe Centro de Arte Rafael Botí. Heerlijke, overzichtelijke, a-romantische, onbegrijpelijke, meetkundig te berekenen structuren in olieverf.

This is what it is

Lunes veintiseis febrero. Tussendoortje I: aan deze datum is af te lezen dat het Spaans het telwoord zes letterlijk aan het Fries heeft ontleend: seis. Tussendoortje II: Terwijl ik genieten en rondbanjeren in Andalusië combineer, lees ik dat Spanje het bloed van een specifieke Nederlander wel kan drinken. Vincent Werner (woont en werkt al 17 jaar in Spanje) schrijft over The real (S)pain of Europe een boek ‘It is not what it is’ over Spaanse gebreken. Zijn kritische analyse komt voort uit liefde voor Spanje.

Catedral Mezquita

Je kunt er niet in zaalvoetballen maar paaltjesvoetbal zou wel gaan. 23.000 m²vloerruimte telt de Catedral Mezquita. Ooit was het een moskee. Na 1236 wordt het als kathedraal gebruikt. ’s Morgens van 08.30 – 09.30 is er vrije entree. Daarna kost het € 15,-. De maatvoering, pracht en praal en het idee van de omtovering van moskee naar kathedraal (stel je zoiets nu eens voor) doet je mond af en toe open zakken van verbazing. Schitterende architectuur, met bladgoud opgeleukte kapellen aan de buitenzijde die je aan de Sint Pieter doen denken, restaurateurs die met een scheermesje immense staalconstructies roestvrij krabben, grote vloerdweilmachines met zwaailicht, geen reclame: prachtig allemaal.

Plaza Tendillas, Cordoba

bachelor-party-tijgers

Het is zaterdagmiddag, twee uur. We gaan zitten op een door de zon verwarmde marmeren bank op het mooie Plaza Tendillas. Lekker even een boek lezen in de zon. Het is er gezellig druk. We zien mensen die naar een feest gaan, oude wandelaars, uitbundig goed geklede bejaarden, bachelor-partytijgers, jongeren die wat rondhangen, een meisje dat de nagels van een hondje vijlt door het liefdeloos achter zich aan te sleuren, opa’s die duiven voeren en een handvol toeristen. Iedereen lijkt tevreden en gelukkig. Ik zie geen jongeren die hun gezichten verbergen onder hoodies met bontkragen.

drie aardige jongens

Geen rondraggende scooters te zien. Ik probeer met passanten een gesprekje te voeren over het leven in Spanje. Eerst spreek ik drie aardige jongens aan. Hun Engels en mijn Spaans blijven achter bij onze bereidheid tot praten. Dan drie iets oudere personen, van wie er één wat Engels spreekt. De mevrouw van wie ik de leeftijd op 19 à 20 schat blijkt 39 jaar oud te zijn. We lachen er allemaal hartelijk om. Ze

links de 39-jarige

werkt zes dagen per week acht uur per dag bij een groenbedrijf. Ze is zeer tevreden met het leven in Cordoba. Mijn Spaans is te slecht voor een vlotte conversatie. Als ik net weer begin te lezen komen er vier jongeren op me af. Een microfoon vastgeknoopt aan een mobieltje. “Mogen we u wat vragen over het beroep van ….. leraar?” “Tuurlijk, leuk. Maar daarna wil ik jullie wat vragen.”

Carmen, Maria, Miguel en Juan zijn vijftien jaar oud en ze zitten in het laatste jaar van hun schoolopleiding. Na dit jaar gaan ze naar het twee jaar durende Bachillerato en daarna willen ze naar de universidad, in Cordoba, Madrid, Jerez en Granada. Ze kiezen merendeels voor grotere steden dan Cordoba, want die zijn interessanter. De gewenste studierichtingen zijn: marketing, onderwijs, digital design en piloot. Ze vinden alle vier het leven in Cordoba prima. Het is een fijne en gezellige, kleine stad. Het onderwijs voor jongeren is gratis. Op Juan na, denken ze in de toekomst allemaal in Spanje te blijven. Juan overweegt Amerika. Cordoba is een veilige stad, tenminste het centrum. Misschien dat enkele andere wijken wat minder veilig zijn. Natuurlijk is er in Spanje sprake van een hoge jeugdwerkloosheid, maar alle vier zijn het erover eens dat als je hard wil werken en studeren, er banen te krijgen zijn. “Het ligt ook aan jezelf.” Als ik ze vraag naar hun politieke voorkeuren noemen er drie de nu regerende P P, de Partido Polular, en Miguel weet het nog niet. Zonder aarzelen noemen ze desgevraagd de naam van Mariano Rajoy als Spanjes eerste man.

Carmen, Maria, Juan, Miguel

Ook zijn ze het er alle vier over eens dat de Europese Unie goed is voor Spanje en voor de andere Europese landen. Dezelfde munteenheid en gemakkelijk reizen zijn belangrijke voordelen. Misschien dat eruit stappen voor Engeland wel beter is. Opvallend is dat ze niet (meer) actief sport beoefenen. In het verleden wel. Genoemd worden dansen, basketbal, volleybal en voetbal. Naast FC Barcelona en Real Madrid wordt Real Betiz genoemd als favoriete voetbalclub.

28 x Andalusië; 1 – 7 TORREMOLINOS

Martes trece febrero. In het Centro Cultural Pablo Ruiz Picasso te Torremolinos worden cursussen gegeven: Frans, Engels, Chinees, fotografie, kantklossen, yoga en schilderen. Er zijn cursusruimtes, een auditorium, expositiezaal, uitzicht op zee en een cafetaria. Op vrijdagavond bezoeken we een jazzy concert: romantische, klassieke jazz. Gratis. Het kwartet heeft meer dan genoeg power en kwaliteit om de aangrenzende carnavalsvoorbereiding te overstemmen. Torremolinos is een mooie vakantiebestemming, vooral, of misschien uitsluitend, in het voorseizoen. Sinds eind vorige eeuw is het losgeweekt van Malaga en een zelfstandige gemeente. Het telt ruim 70.000 inwoners. Veel Nederlanders hebben de ‘frites van Piet’-reflex bij het horen van de Spaanse naam voor Torenmolen.

Miércoles catorce febrero. Voor een roodgeaderde smient bezoeke men Schier, Rügen of Engelands zuidkust. Wil je behalve vogels spotten ook genieten van wat cultuur, een prettig klimaat, relaxte terrasjes, heerlijke vis, dan is de kust van de provincie Malaga misschien iets. Palmbomen op het -schone- strand, een schitterende promenade Paseo Marítimo, onderdeel van het 180 km lange Kustpad, schoon zwemwater: deze ideale combi bestaat. Torremolinos ligt aan de Costa del Sol, een van de eerste populaire zonbestemmingen voor veel Nederlanders. Voor ons is februari in Spanje voorjaar; voor Spanjaarden is het nog winter. Moet ons vliegtuig op Schiphol nog ontijsd worden, vijf uur later smeer ik me in de zon op het strand in met factor 30.

Jueves quince febrero. Spanje is een relatief goedkoop vakantieland, maar wat betekent dat concreet? Wij huren een auto gedurende 28 dagen voor € 128,-, inclusief een basisverzekering, maar met een hoog eigen risico. Een glas bier en tapas (een schaaltje garnalen) kost € 1,- Een volledige maaltijd met gegrilde sardienen, gemengde sla, brood en een flesje mineraalwater € 10,-. Supermarkten hebben een met Nederland vergelijkbaar prijspeil. Culturele activiteiten zijn goedkoop. Een klassiek concert in het Auditoria ‘Principe de Asturias’ doet € 8,-. Daartegenover staat dat je geen pijl kunt trekken op openingstijden. De botanische tuin is in februari open van 16.00 – 18.00 uur.

Viernes dieciséis febrero. Enkele belangrijke bouwwerken in Torremolinos zijn de Plaza de Toros en het gemeentehuis, respectievelijk rond en hoekig. Het gemeentehuis met zijn strakke vormen en moderne constructietechniek lijkt ontworpen volgens de lijnen van De Stijl. In Torremolinos zijn veel hotels, een oud centrum, vele playa’s en een drukke vissers- annex jachthaven. Opvallend is een op de stadskaart als ‘LGBTI-friendly area’ aangeduid gebied. Voor rolstoelers, scootmobielen en rollators zal niet elke straat of passage prettig zijn. Er zijn vele -soms autovrije – plaza’s en in het algemeen zijn de straten, op een enkele hondendrol na, schoon.

Sábado diecisiete febrero. Félipe & Tony zingen als de besten terwijl Jairo met de pet rond gaat. Het lijkt alsof ze met opzet af en toe een vals nootje produceren. Dat ontlokt het publiek een glimlach, wat weer leidt tot meer generositeit in de pet. Ze lichten hun presentatie toe in, voor muziekdocenten, redelijk goed Engels. De verhouding Spanje/Engels is een beetje als water/vetvlek: het werkt uiterst moeizaam. Net als in Italië, waar zich hetzelfde manco voordoet, schrijf ik dat deels toe aan de televisie: alles wordt nagesynchroniseerd. Niet voor niets staat Spanje op de 18e plaats in de English Proficiency Index en Nederland derde (en Italië 24e).

Domingo dieciocho febrero. De voor Burkina Faso kenmerkende lemen architectuur kom je tegen in Emmens WildLands, maar ook in Torremolinos’ Crocodile Park. Het ligt naast de botanische tuin, de gemeentelijke plantenkassen, Aqualand, tegen een dennenbos aan. Het schijnt dat je daar een jonge krok mag knuffelen. We vragen ons af waarom in de gemeentelijke plantenkassen geen werkgelegenheidsproject voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt is georganiseerd. Per slot van rekening kent Spanje (nog steeds) een hoge werkloosheid (in januari 2018 16,5 % tegenover 23,5 % in 2015). Onder jongeren lag het nog hoger: boven de 35 % in december 2017.

Lunes diecinueve febrero. We zien weinig blauw op straat. We lezen en merken niets van criminaliteit. Een juwelier stalt een display met ringen uitdagend buiten uit. In het gemeentehuis spreek ik een advocaat die papierwerk afhandelt. Ze vertelt dat het in Torremolinos meevalt met de kwade zaken. Een mevrouw op straat heeft hetzelfde verhaal. “Mijn ouders emigreerden zestig jaar geleden vanuit Denemarken naar hier. Misschien dat het bij de stranden voorkomt, maar we merken van criminaliteit niets.” De eigenaresse van ons appartement zegt: “Je hoeft de deur niet eens af te sluiten, want hier gebeurt nooit iets.” Deze verhalen zet ik af tegen de beveiligingsinstallaties bij huizen en winkels. Bijna alle ramen zijn voorzien van tralies. Om alle tuinen staan hoge hekwerken. Voordeuren, vaak dubbele, hebben doorgaans een drie- of vijfpuntssluiting.

Halahaixiang (vervolg van Golden Wings)


“Ik mag jullie een nadoodgesprek aanbieden,” zegt Sjaakje Oerdedam via de telefoon. Ze zit in haar Volkswagen Jetta hoor ik. Het open raampje maakt een gierend geluid als ze over de nieuwe brug over de Krûme Ie nabij Burgum rijdt. Mijn Samsung heeft daar moeite mee. Sjaakje is huisarts van mijn overleden oudste zus.
“Oudste zus had een overlijdensrisicoverzekering die was uitgebreid met een extra module. In die module zitten twee nadoodgesprekken met maximaal twee naaste familieleden.” De Jetta, aan het janken te horen een TSI hybride, heeft zijn laatste beurt gemist, de versnelling kraakt.
Ik weet alles van Jetta’s maar van nadoodgesprekken heb ik nog nooit gehoord.
“Goed, dat lijkt mij wel wat,” zeg ik. Ik zet mijn telefoon op de luidspreker en ga door met het afplakken van strakke lijnen op een vierkant klein doek.
“Omdat jij destijds uitweidde over mijn taak als huisarts, wil ik bij voorkeur jou als gesprekspartner,” zegt Sjaakje vriendelijk. Op een inpalmende toon, zal ik later denken en in mijn dagboek noteren. “Kom maar alleen. Met zijn tweeën praten is wel zo gemakkelijk.”
“Goed,” zeg ik. Wat zou ze willen? denk ik. Negenenveertig tubes acrylverf staan op de kop voor me klaar.
“Wacht, ik parkeer even op een uitwijkhaven. In de kleine letters lees ik dat de nadoodgesprekken op een locatie naar keuze van de nabestaanden mogen worden gehouden,” zegt Sjaakje. Ik hoor dat ze de knisperende polisbladen op haar knieën uitspreidt. Ik hoor nog iets in haar stem, maar kan het niet zo snel thuisbrengen.
“Dat wordt dan aan de oever van de Leijen,” zeg ik. “Daar kwam oudste zus graag.” Na even denken voeg ik eraan toe: “Zou je dan van tevoren even willen googelen op huisartsenij in Halahaixiang? Dat is in Noord-China, niet ver van Qiqihar.”
Sjaakje Oerdedam klinkt niet in het minst verbaasd als ze mijn niet alledaagse verzoek hoort.
“Goed,” antwoordt Sjaakje. “China is hot de laatste tijd. Mijn collega onderhield me laatst over taoïsme. Kennis daarvan zou in discussies belangrijk kunnen zijn. Iets over een strakke en een gebogen, mee verende arm.”

Sjaakje is niet gek, denk ik. Gelukkig maar. Er zit niet een sticker met een vis achter op haar Jetta. Vissenstickers zijn een teken gods en Jetta’s worden veel gereden door gelovigen. Huisartsen met een vis kun je beter mijden. Gelovige dokters vertrouw ik niet en ziekenhuizen met grote kruisen op de daken, als magere antennes uit de vorige eeuw, evenmin. Op Sicilië in de vakantie oefen ik dagelijks zinnen waarmee ik naar een niet-gelovige dokter vraag.

Als ik mijn sandalen uitschop zie ik brede bruine strepen als afgeplakte lijnen op een nieuw doek. Ik zit in een geometrische periode. Sjaakje is tegenover mij komen zitten. Ze draagt een driekwart broek en een te vaak gewassen T-shirt. Dat ze aan thaiboksen doet had ik niet verwacht.
“Vroeger was het kaatsen en nu thaiboks ik dus. Nog niet zo lang hoor.”
Ik kijk naar haar armen en probeer mij haar voor te stellen als krabi-krabong vechter. Of liever als een verre nazaat daarvan. Had Sjinkie Knegt niet ook Chinese voorouders? Ze zweet. Haar oksels tonen ronde vlekken als kringen op een te vaak gebruikt biervilt. Toch ruikt ze niet verkeerd.

“Waar wil je het over hebben?” vraagt Sjaakje geroutineerd. Zij heeft duidelijk vaker een nadoodgesprek gevoerd.
“De huisartsenij en hoe die in Nederland is georganiseerd,” antwoord ik. “De perversie van de stuksmethode.” Ik hoor dat ik plechtig klink. Ik heb nagedacht. Ik wil het gesprek ten volle benutten. Niet weer dat onbevredigende gevoel achteraf dat ik meer en anders had willen zeggen.
Ik zie dat Sjaakje mij bestuderend aankijkt. Haar rechterwenkbrauw wat opgetrokken als een jonge Weimaraner die in onbekend gebied komt. Ze leunt voorover in mijn richting. De strandparasol geeft haar een lichtoranje kleur als ranja dat met te veel water is aangelengd.
“Dus niet over de dood van oudste zus?” constateert zij vragend. Van een jonge Weimaraner verandert ze in een oude.
Ik ga door zonder te reageren.
“Ik zou willen dat huisartsen zich aan de eed van Hippocrates houden. Of aan de artseneed van het NAV of de KNMG. Dat zij zich preventief meer bekommeren om de gezondheid van patiënten,” zeg ik. “Dat ze niet alleen in actie komen als er patiënten naar hen toekomen. Dat ze niet per handeling betaald worden.” Mijn stem klinkt gejaagd, hoor ik.
“In Noord-China schijnt een gebied te zijn waar dokters worden afgerekend op het aantal gezonde namen in hun kaartenbak. In de buurt van Halahaixiang, om meer precies te zijn.”
“Maar ik heb een drukke praktijk,” antwoordt Sjaakje stoïcijns.
“Ja, klopt,” zeg ik. “Maar dat komt omdat jij alle patiënten zomaar toelaat op je spreekuur.”
“Moet ik ze dan voorselecteren?” vraagt Sjaakje enigszins ongerust. Ik zie haar denken. Ze kijkt naar een surfer in de verte die met moeite blijft staan.
Sjaakje bestelt een Leffe Blond. Ik zie kleine barstjes in haar lippen. Pier brengt de glazen. Als Sjaakje zich ongegeneerd uitrekt komt haar navel vrij. Pluisjesvrij, zie ik.
“Jazeker,” antwoord ik. ”Hoogopgeleide patiënten die langskomen met kwaaltjes van niks zou je moeten weren. Zou jouw beroepsgroep moeten weren,” voeg ik er formeel aan toe.
“Wat noem jij kwaaltjes van niks?”
“Nou, gekneusde ribben, kalknagels, hoofdpijn, wratjes, verstuikte enkel, griep. De tijd die je daarmee overhoudt besteed je aan echt zieke patiënten.”

Sjaakje kijkt bedachtzaam voorbij een groepje zwemmers verderop in de Leijen. Een schuimrubberen drijfstaaf steekt omhoog als de Labellostick naast de bierglazen. Ik voel dat Sjaakje welwillend wil zijn. Ze vindt het nochtans moeilijk. Ze kijkt op haar horloge. In gezelschap op je horloge kijken is als smakken aan tafel. Zou naast misofonie iets als misoscopie bestaan, vraag ik me snel af. Zou precies passen in de trend van de hedendaagse klusjespsychologie, overweeg ik. Ik concentreer me weer op Sjaakje als een puber op de Franse juf.
“En dan die anderhalf duizend overbodige medische handelingen,” vervolg ik. “Die nalaten levert veel tijdwinst op.”
“Dat was een onderzoek onder specialisten en niet onder huisartsen,” zegt Sjaakje.
Sjaakje kijkt naar de oude verfvlekken op mijn elleboog.
“Zullen we de volgende keer over oudste zus’ dood praten?” vraagt ze niet onvriendelijk, “als jij het goed vindt.”

Van Gogh Huis Drenthe, Veenoord/Nieuw-Amsterdam (€ 5,-)

Het Van Gogh Huis in Veenoord/Nieuw-Amsterdam is het enige openbaar toegankelijke pand in Nederland waar Vincent van Gogh woonde en werkte.

Drenthe is in de 19e eeuw een gewild oord onder kunstenaars. Maar wat zoeken behangschilders Egbert van Drielst, Hendrik Willem Mesdag, Marie Cremers, L. W. R. Wenckebach, Van de Sande Backhuyzen, Van Dulmen Krumpelman, Van Rappard, J. Bosboom en later Vincent van Gogh allemaal in Drenthe in de 19e eeuw? De levendige en vaak lyrische brieven van Van Gogh aan zijn lievelingsbroer Theo geven het antwoord. Ze lezen als een toeristische folder van Magisch Drenthe: men zoekt rust, natuur, ongereptheid, puurheid, kortom: schoonheid. En af en toe een prostituee voor de gezelligheid natuurlijk. Onder het mom van ‘een model inhuren’ was er veel mogelijk, ook in Veenoord. Van Gogh maakte ontdekkingstochten door de veengebieden en zijn doel was de gewone mens, de landarbeider, te schilderen. Maar het was voor de gesjeesde theologiestudent annex domineeszoon Van Gogh natuurlijk niet alle dagen feest in Drenthe. Met de trekschuit De Snikke was Vincent vanuit Hoogeveen neergestreken in Veenoord. Volgens museummedewerker Anne de Vries werd hij ternauwernood als gast geaccepteerd door hoteleigenaar Scholten. Ma Scholten laat hem binnen en Van Gogh krijgt een prachtig bovenkamertje. In dit nagemaakte hotelkamertje zouden zich enkele onbehandelde planken bevinden uit de periode dat Vincent van Gogh hier logeerde, aldus De Vries. Nog een overblijfsel uit de periode met de beroemde gast is een lampetset die via de kleindochter van mevr. Scholten boven water kwam. Geldgebrek, eenzaamheid, rusteloosheid en melancholie zouden Van Gogh na een maand of drie (andere bronnen spreken van twee) weer uit deze contreien hebben verdreven. De gezelligheid in het café op de begane grond was voor de kunstenaar of niet bereikbaar of niet genoeg. Vanuit Veenoord bezocht Van Gogh Zweeloo, waar Berlijner Max Liebermann, nog zo’n fervent Drentheganger, verbleef. Drenthe inspireerde Vincent, hij schreef er ruim twintig brieven en hij maakte er veertig kunstwerken. Dat Van Gogh een werkzaam leven leidde bewijzen de 1100 schetsen en studies, 900 olieverfschilderijen en aquarellen en de zowat 1000 brieven die hij naliet. Ook verhuizen vergde veel van zijn tijd. Na Groot-Zundert, Den Haag, Londen, Parijs, Ramsgate, Dordrecht, Amsterdam, Brussel, Hoogeveen strijkt Vincent neer in Veenoord/Nieuw-Amsterdam. Latere woonplaatsen zijn nog Nuenen, Antwerpen, Arles, en Auvers-sur-Oise.

Op de bovenverdieping van het Van Gogh Huis kijken we naar een film over de Drentse periode van Van Gogh, met Mike Reus in de rol van Vincent. De teksten komen allemaal uit zijn brieven. De nagemaakte hotelkamer, compleet met een schilderstafeltje,  geven een goede indruk van de toestand vroeger. Met een periscoop (!) kunt u op de zolder kijken waar oude spullen uit de tijd van Van Gogh zijn uitgestald.

Golden Wings

“Hebben jullie nog vragen?” Huisarts Sjaakje Oerdedam zegt het op een toon als wil zij een compliment ontvangen. Soms heb je dat. Na een ingewikkelde klus moet er worden nabesproken, het liefst met een positieve twist. De gedachten zijn al bij een glas fris.
Oudste zus zegt niets. Ze ligt al een half uur in de kist. Sjaakje Oerdedam had de dood vastgesteld, nadat wij oudste zus de dood hadden zien inglijden. Nu is uitvaartverzorgster Sjoerdsje Praam bezig oudste zus wat op te knappen. Vier broers en jongste zus voelen zich eendrachtig rot en opgelucht. Dood is nooit mooi. Maar nu het achter de rug is, is het goed. Ja toch?
Sjaakje kijkt ons aan. Als een organist trekt ze ‘luchtig register’ open.
“Als er geen vragen meer zijn, dan ga ik maar eens,” concludeert ze voorbarig. Ze verlangt hevig naar de stoel van haar Volkswagen Jetta. Raampje open en…

“Waarom,” zo begin ik aarzelend, terwijl ik Sjoerdsje Praam negeer en de zijkant van Sjaakjes streepjesonderboek bestudeer, streepjes die duidelijker en kleurrijker worden naarmate Sjaakje schever op de stoel gaat zitten en haar billen dus meer onder spanning komen te staan, “waarom heb jij oudste zus nooit op de gevaren van roken gewezen?” Streepjes overdwars maken breed, denk ik tussen de bedrijven door. Ze had beter verticale streepjes kunnen kiezen. Of een minder doorschijnende rok, dat leidt ook minder af.
Tweelingbroer schrikt. Ik zie dat hij denkt: ‘godver, waar gaat hij nu weer heen?’ Oudste broer kijkt vertrouwend toe. Jongste zus en twee jongere broers kijken vol rust naar buiten, ze denken aan zwemmen, vliegeren en hardlopen. Overbuurvrouw Geartsje Schoenema loopt voorbij. Geartsje twijfelt zichtbaar. Een knikje of de hand opsteken? Als compromis kijkt Geartsje naar de nu bijna onfatsoenlijk uitbundige hortensia’s.

Sjaakje laat de hengsels van de dokterstas los en kijkt mij aan. “Alle mensen hebben een eigen verantwoordelijkheid. Oudste zus kende de gevaren. Ik heb een drukke praktijk.” Ze verschuift ten teken dat de eindevaluatie voorbij is. Ze moet nog een rapport schrijven. Haar rok trekt een beetje op. Kniekousen dwingen mij te blijven kijken. De ene is wat afgezakt en laat een diep spoor na, net onder de knie. Ik zie een oud, geribbeld, bleek litteken op d’r knieschijf. Sjaakje heeft vroeger gekaatst, weet ik.
Ik denk aan school. Tegen vijven lonkt de buitenlucht. De belangrijkste vragen worden aan het eind van de vergadering gelost. Iedereen wil naar zijn fiets.
Ik had het oudste zus een keer gevraagd. “Is je huisarts wel eens bij je langs geweest? Heeft Sjaakje Oerdedam je gewaarschuwd voor longkanker?”

In Ureterp is een huisarts die het dorp rookvrij wil maken. Ook een vrouw natuurlijk. Sommige dokters hebben goede initiatieven. Op de televisie komen twee felle kankerspecialisten voorbij die sigarettenfabrikanten de maat nemen. ‘Verdomme, ze gaan ze aanklagen,’ hoop ik hardop als ik zit te kijken. Sportverenigingen willen rookvrije kantines. Ziekenhuizen bepleiten asbakloze ingangen. Scholen combineren de strijd tegen de krimp met die tegen de sigaret.
Huisartsen hebben het druk. Dat weet ik wel. Mijn eigen huisarts had mij acht vrijdagochtenden laten terugkomen om mijn bloeddruk te laten meten door een physician’s assistant. “Het ziet er nu goed uit, maar kom toch nog maar een keer terug. Het is een momentopname.”

“Oudste zus heeft gymnasium gedaan. Daarna nog twee masters. Zij kende de gevaren van roken.”
Sjaakje staat nu naast haar stoel. De oude caféstoel heeft een scheur in de zitting. De stroeve metalen veer kan je behoorlijk raken, weet ik. Als de punt van de veer tussen je billen komt, ben je zuur. Vertel mij wat.
Als Sjaakje haar tas pakt, zie ik een streep blote rug. Een verschoten hemd kruipt naar boven als een schaduwstreep in de middagzon. De stoelleuning tekent lichte contouren op haar vel als een tatoeëerder hulplijntjes voor golden wings.

The American Dream, Amerikaans realisme 1945 – 2017 in Assen (en Emden)

De dubbeltentoonstelling is een prachtig voorbeeld van internationale samenwerking door musea in de regio. Meer dan 200 kunstwerken zijn in beide musea te zien. Assen biedt 58 werken uit de periode 1945 – 1965 aangevuld met een handvol (super)recente werken en Emden zo’n 150 vanaf 1965. Verschillen in aanpak zijn er ook: in Assen is alles in één zaal geplaatst, in Duitsland worden meer ruimtes gebruikt. Als het druk is in Assen is het onmogelijk met enige afstand naar de werken te kijken. Iedereen vraagt zich af waarom in vredesnaam het balkon niet wordt gebruikt. Nu staan daar slechts fauteuils voor een handvol luisteraars. Er is een indrukwekkende, oneindig lijkende lijst sponsoren. Iedereen weet dat bij grensoverschrijdende projecten de subsidies over de plinten klotsen. Toch vraagt Assen kleingeestig nog € 2,- pp naast de museumkaart. Waarin een klein museum groot en dus weer klein kan zijn. Assen presenteert een piepklein informatieboekje (met soms één woord als toelichting (bijv. ‘Zeefdruk’ bij een Roy Lichtenstein)). 

Emden is royaler met een groot boekje met veel meer info en nuttige fotografie als illustratiemateriaal. Okee, okee, genoeg, maar wat een prachtexposities. Naast beeldende kunst is er info over politiek en muziek uit die tijd.
Na de grote overzichtstentoonstelling van Hopper in 2004 in Keulen wil ik weer echte Hoppers zien. Hopper was een veelschilder. Hij maakte meer dan 3000 werken, waarvan er nu (zegge en schrijve) twee in Assen te zien zijn: ‘New York Restaurant’ en ‘Morning Sun’, respectievelijk geplaatst onder het thema Stad en Mens. Andere subtitels in Assen zijn: Verhaal, Stilleven en Platteland. Ik kies de invalshoek van het verhaal.

Hoppers Morning Sun (1952) toont een vrouw op een bed zittend en kijkend naar een huizenblok met op de achtergrond een waterreservoir. Twee elementen domineren: de vrouw en de mooie groenige lichtbaan die achter haar op de muur wordt geprojecteerd. Wat haar interesseert of obsedeert, waar ze naar kijkt, zeg het maar. Ze poseert overduidelijk. Opvallend zijn haar vlekkerige huid op de bovenarmen, haar forse bovenbenen, witte voorhoofd, en haar ogen, bestaande uit donkere driehoekjes. Haar mondspieren lijken strak. We lezen dat het om Hoppers vrouw gaat die haar man te verstaan heeft gegeven niet langer van modellen gebruik te maken maar dat hij haar moet schilderen. Een eenzame vrouw, denk ik, als ik haar bekijk. ‘Verdomme, waarom moest dat raam zo nodig open,’ denkt ze. ‘Straks zal Ed wel weer zeggen dat het alleen om het licht om de muur ging. Wat gaat hij met mijn okselhaar doen en mijn artrosevinger? Als dit maar goed gaat.’

Iedereen die in een kerktoren wel eens de vlag heeft moeten hijsen kent Toll Rope (1951) van Andrew Wyeth. Je opent een piepende en krakende deur en je beklimt een wenteltrap. Na vijftig treden beginnen de houten ladders. Sommige staan vast, een enkele wiebelt op een te smal plankier en alle zijn door houtwormen bezocht als bejaarden door in hun hoofden borende kwade dromen. Een muf ruikend henneptouw biedt houvast bij paniekaanvallen. Boven je kiert een baan licht en zijn duiven, rustgevend als altijd, hoorbaar. De wind suist om de taps toelopende torenspits. Bij elke stap dwarrelt stof op. Je verbaast je telkens weer over de ingenieuze pengatverbindingen die de balken spijkervrij aan elkaar kluisteren. Hier en daar een krijtstreep als een spoor van je voorganger, een halve eeuw geleden.


Van The Lake in Central Park (2017) van Stone Roberts is de verf nauwelijks droog. Een maand of vier voor deze tentoonstelling rondde Roberts dit prachtige verhaalschilderij af. Een propvol meertje in Central Park (NY) met tientallen bootjes op een kleine oppervlakte. Waar je kijkt zie je precies geschilderde mensen die het naar de zin hebben in Central Park. Er worden selfies geschoten als buksen op de kermis en men heeft oog voor elkaar. Aan de rand van het water is een overvol terras. Zat je buurman erbij, je zou hem herkennen. Rechtsboven, achteraan ontwaar ik een minder vrolijk tafereel. Een bruid houdt haar linkerhand vertwijfeld voor haar gezicht, terwijl ze belt met de onzichtbare telefoon in haar rechterhand. De bruidegom is niet komen opdagen. Het prijskaartje zit nog aan de zoom van de witte trouwjurk. Ze wordt straal voorbijgelopen door een kanoër. ‘Als ik haar ga helpen is mijn hele middag naar de knoppen,’ denkt hij, ‘doorlopen dus. Ik doe net alsof ik haar niet zie.’