Adwin de Kluyver – De eilanden van goed en kwaad

‘De eilanden van goed en kwaad’ is een heerlijk veelomvattend goed geschreven boek over… eilanden. De auteur, historicus en deeltijdeilander, is gefascineerd door eilanden en schrijft er (met een projectsubsidie, reisbeurs en ontwikkelbeurs), een bijzonder boek over met een uitgebreide bibliografie en een goed werkend register. Hij heeft -praise the lord – niet het doel alle eilanden te beschrijven. Van de door mij bezochte: Ameland, Borkum, Engeland, de Fokken, Funen, Île de la Cité, Japan, Kreta, Liberty Island, Rottumeroog, Rügen, Schiermonnikoog, Sicilië, Tenerife, Terschelling, Texel, Tinos en Vlieland staan maar enkele in het register. Dat betekent dat hij niet de gebaande paden betreedt, want zeg nou zelf, wat is Vlieland nou helemaal als je het ook over Okunoshima kan hebben of het verleidelijke Pukapuka? Niet voor niets is de ondertitel van het boek ‘een ontdekkingsreis’.

Het prachtig vormgegeven en fraai geïllustreerde boek wisselt interessante (historisch onderbouwde) eilandgeschiedenissen, vooral die over eilanden als primitieve gevangenissen maken indruk, en beschrijvingen vanuit allerlei points of view, af met een eilandencompendium, Isolaria (1 t/m 13) geheten en gedrukt in lichtrose, met een stroom aan informatie.

De eilandhoofdstukken gaan over befaamde en minder bekende eilanden: Atlantis, Lesbos, Formosa, Floreana, Spike Island, Clare Island en meer. In het eilandcompendium worden op kleinere schaal eilanden beschreven.

Een voorbeeld. Clare Island is een eiland aan de westkust van Ierland, met nog ongeveer 50 bewoners en duizenden schapen. De Kluyver beschrijft een naar en wreed historisch fenomeen: shunning: doodzwijgen als straf. Een ander onderzoek beschrijft de relatie van de primitieve Ierse eilandbewoners met Afrikaanse aapmensen, en via hen met de mensapen. De mannen zijn klein en de vrouwen niet bepaald mooi.

Van goed en kwaad, voorspelt de titel. Vooral het kwade aspect intrigeert. Nare experimenten, productie van chemische en/of biologische wapens, akelige dierproeven, schimmige grond aan- en verkopen, geïsoleerde gevangenissen, illegale transacties en meer overrulen het idee van brave vakantieresorts. Megalomanie, idiote acties (100 miljoen aan papiergeld opfikken) en meer, dat gebeurt allemaal op de broertjes van Schier.

De Kluyver eindigt met een weergave van zijn deelname aan een poolexpeditie in 2022, een soort kopie van 1878, maar dan net iets anders. De auteur gaat in zijn detaillering zo ver dat hij precies de outfit van de deelnemers omschrijft tot en met de driekleur (rood bovenaan hahaha, we mochten eens denken dat de gecorrumpeerde visindustrie subsidieert) en de emblemen.

(En, mwaah, dat ook uitgeverij Unieboek bezuinigt op de correctieafdeling blijkt uit een typo per 35 pagina’s (dat zal in werkelijkheid misschien het dubbele zijn, ik mis ook wel eens wat). Soit. Het doet maar weinig af aan deze fijne ontdekkingsreis).

JOURNAAL week 24

ZONDAG, belastingmoraal I. Maart 1969. Dokter Sjouke Bakker uit het Friese Kollum zet zich in voor Biafra. De Kollumer Courant schrijft en hervo/grefo predikanten preken over hem. Wij hebben een grote tuin die bomvol staat met eigenwijze narcissen (de enkelvoudige fijnbloemige Tazetta Narcissus).  Met mijn jongste zus opper ik het plan narcissen te verkopen voor dokter Bakker. We krijgen – gek genoeg – toestemming (want tuinbloemen afknippen is geen gewoonte). Tien stuks in een plastic boterhamzakje. Ik herinner me dat we 88 zakjes huis aan huis verkopen. Op het moment dat wij de poet gaan aanbieden aan het Sjouke-Bakker-comité zegt heit dat hij het bedrag met 37 gulden naar boven afrondt. Dat is het goede nieuws. Het slechte: i.p.v. met een zak guldens (die we met de dag hebben zien voller worden) bieden we een kale giroafschrijving aan. ’s Avonds aan tafel krijgen we les één van fiscale giftenaftrek.

MAANDAG, belastingmoraal II. Ik lees dat de nieuwe coalitie de giftenaftrek wil afschaffen. Balen. Vanaf het moment dat ik belasting betaal, slagen we erin een fiscale aftrek vanwege giften te krijgen. De laatste drie jaren beheren we (met onze zoons) het VDMF. Het VanderMeulenFonds is ingericht voor tien jaren en beheert een aandelenportefeuille. Gezamenlijk bespreken we de beleggingsstrategie en de goede doelen. Het VDMF is een mix van het enigszins volatiele ASML en brave ASN-fondsen. Jaarlijks doneren we 10% van het startbedrag aan goede doelen. Nu de giftenaftrek dreigt te verdwijnen komt het erop aan het leuk te blijven vinden en niet de spreekwoordelijke egoïstische altruïst te worden.

WOENSDAG, fietsen. Als een politica die van Dokkum naar Den Haag of Straatsburg verhuist worden mijn fietsgrenzen wijder. Niet een rondje Winsum – Onderdendam – Bedum, maar een rit van 160 kms.: Groningen – Leeuwarden – Heerenveen – Drachten – Groningen. In Akkrum neemt een bui me te grazen. De bakkersvrouw steelt mijn hart als ze mij een handdoek aanreikt. Het wordt zes uur fietsen. ‘n Kwartier rusten. Daarmee komt Groningen – Maastricht in beeld met 12 uur fietsen en twee uren rieleksen. Zou dus van 05.00 – 19.00 uur moeten kunnen lukken. Grenzen kun je oprekken. Dat zie ik aan één van mijn beste vrienden, oud-blaas-, hernia- en prostaatlijder, nu hielproblemenman, die ondanks alles een wandeling van zes uren maakt.

DONDERDAG, kunstacademie. Minerva en Instituut Frank-Mohr exposeren op 13 locaties in Stad de eindexamenwerkstukken van hun studenten. De tijd dat kunstacademies uitsluitend opleidden voor banen in het onderwijs is passé. Wel staat het beroep kunstenaar in de hoogste regionen van de rankings van bullshitbaanoverzichten. Aan Reitemakersrijge staat een schaftkeet met een op duurzaamheid gericht afstudeerproject van Koos Buist. Prachtig. Goed. Topstuk van Buist: ‘Deurbel voor het huis van de dode slak’. Koos Buist, naast  kunstenaar groenedakenontwerper, richt zich op kunst en educatie.

ZATERDAG Een kleine groep (internationale) demonstranten en studenten loopt door Stad. Ik herken de vrouw die ik eerder sprak bij het tentenkampje naast het Harmoniegebouw. Door een megafoon klinken de zangerige woorden Palestine en Revolution. Ik mis de woorden river, sea, Markuszower, en free. Ze worden begeleid door  verkeersregelaars. Het zijn bijna uitsluitend jongeren. ik zie Palestijnse sjaals en regenjacks. Ik denk met plezier terug aan mijn eerste demonstratie in Leeuwarden, augustus 1973. Ik was 17. Lichte opwinding. Nog herinner ik me de leus die we tegen de Griekse militair / politicus / president scandeerden: Weg met Papadopoulos. Het werkte, in november eindigde zijn presidentschap.

Maarten ’t Hart 41 ‘De zonnewijzer’

Een thriller, een soort vervolg van ‘De kroongetuige’. Op voorwaarde dat Leonie Kuyper voor de poezen zal zorgen erft zij alles van haar vriendin Roos de Berczy. Notaris Graafland praat haar bij en adviseert haar in de voetsporen van Roos te treden. Dat doet Leonie, ze gebruikt Roos’ make-up en haar kunstnagels. Leonie wordt door Freek gebeld die vertelt dat Roos en hij in een clubje zaten. Pleun Mastenbroek blijkt Roos op het strand gefilmd te hebben. De videobanden worden door Leonie en Pleun bekeken; ze zien een mysterieuze schaduw.

Leonie vereenzelvigt zich met Roos: kleding en kapsel veranderen. Freek Volbeda schrikt van het evenbeeld, hij betwist dat zonnesteek de doodsoorzaak kan zijn geweest. Ligt vergiftiging, Roos werkte per lot van rekening op een lab, niet veel meer voor de hand? De lezer bekruipt het gevoel dat de overledene een apart leven had: als eenvoudig analist reed ze in een Saab, ze had haar appartement afbetaald en was niet onbemiddeld. Rare uitspraken, als ‘ze zeek over Freek’ dragen hier aan bij.

Het wordt duidelijk dat Roos bij leven dreigementen had ontvangen en ook dat ze over veel contant geld beschikte, zowel in een bankkluis als verstopt in boeken. En er blijken mensen te zijn die een kopie van haar voordeursleutel hebben. Op het lab blijkt dat er in de tuin een uiterst giftige variant van de Datura staat.

Leonie kruip in de huid van Roos en gaat op onderzoek uit naar een woonboot waar Roos ook zou zijn geweest. Uit in de slaapkamer gevonden SM-kledij en – attributen blijkt dat Roos in een SM-club werkte. Als Leonie een keer meegaat naar de club in de Poseidon worden ze door een boot aangevaren.

Er speelt een spionagerisico van een Canadees lab en het boek eindigt met een curieuze vergiftiging van Leonie met het zaad van de daturaplant, ingespoten in champignons. Niet helemaal onverwacht leidt de oplossing van de moord naar de vrouw van de hoogleraar. Was het jaloezie?

JOURNAAL week 23

ZONDAG Arjen Lubach heeft een schitterende show in Groningens stadsschouwburg. Afgeladen. Veel jongeren. Zeer hoge grapdichtheid, met enkele missers. Vanuit de loge ontgaat ons soms iets, want projecties op de achterwand van het toneel zijn dan te hoog en onleesbaar en als je dan net nog nadenkt over wat de namen Nirvana en Kurt Cobain alweer betekenen, raak je achterop. AL is openhartig. Hij worstelt met ouder worden en verhaalt van zijn periode van somberte, maar met behulp van gesprekken (stelregel: op een rij zetten / benoemen / erover praten) is hij uit ‘t dalletje geklommen.

ZONDAG Lale Gül treedt op voor volle zaal in Forum. Niet eerder betaalde ik € 10- om een interview bij te wonen. Dit is waarschijnlijk ook de laatste keer. Als je het (dag)boek hebt gelezen, hoor je hier enkel oud nieuws. Interviewster Lotte Lentes heeft zich goed voorbereid maar blijft in de bewondermodus hangen. Ze is niet kritisch op Gül, vooral daar waar ze constateert dat Gül zonder serieuze prijzen blijft. Gül wijt het aan vooringenomenheid van jury’s. Iedere geoefende lezer, waaronder toch ook zeker Lentes, ziet dat Gül het moet hebben van publieksprijzen. Voor literaire prijzen is Güls stijl niet goed genoeg: het is overduidelijk (te)snel geschreven is: er zijn veel herhalingen en het lijkt alsof Prometheus heeft bezuinigd op redactionele assistentie. Er zijn nogal wat taalkundige missers, zoals een Prometheus-bureauredacteur het noemt: harde fouten. Gül wijst naar veelschrijver Brusselmans die voor geen van zijn 100 romans een literaire prijs kreeg. ‘Beste Lale, dat komt niet omdat veel- en snelschrijver Brusselmans over de recensenten onwelgevallige onderwerpen schrijft, maar omdat hij kwaliteit mist.’

MAANDAG De Grote Markt is af. We zien een miniproductiebos, wat bomen zijn geplant langs de liniaal. Verder een fraaie betonnen ster met punten naar alle windrichtingen en een miniatuurfontein in mineur.  Stel je in gelid op de rug liggende kaboutermannetjes voor die met hulp van een extra shot Viagra nog één keer ejaculeren door ruwe schrale openingen in beton. Zoiets. Vergelijk dit magere spuitwerk eens met de elf fonteinen in Friese steden: groot, prachtig, fier, potent, krachtig, artistiek. Dan enkele met hout ingelegde betonnen banken die, niet enkel bij nattigheid, je nieuwe pantalon naar de Filistijnen helpen. En dan een onmetelijke, kale, stenenvlakte voor kermissen, concerten en demonstraties. Maar alles autovrij, dat dan weer wel!

WOENSDAG Kunstacademie Minerva meent het roken tegen te kunnen gaan door in slappe fletse blauwe kleur de boterzachte aankondiging ‘rookvrije generatie’ aan de muur te spijkeren. Dat zet geen zoden aan de dijk. Een deel van het personeel en een handvol studenten zijn of analfabeet of hardleers of beide. Ze lappen de goedbedoelde raadgeving aan hun laars (hoewel, zie ik de laatste tijd een kentering ten goede?). Nee, dan de felrode verbodsborden van de universiteit.

WOENSDAG Mijn Giant voert me naar Visvliet, Noordbergum, Leeuwarden, Lekkum, Dokkum, Kollum en Zoutkamp. Onderweg neem ik me voor mijn bovenbenen weer 30 minuten aan de handen van Yara toe te vertrouwen; het idee alleen al stuwt mijn gemiddelde naar 27,9/u.

DONDERDAG Er zijn in Groningen 125 adressen waar gestemd kan worden. Sommige met 2 of 3 stembureaus. De gemeentelijke organisatie grenst aan perfectie. Ik werk mee in Maartenshof waar twee bureaus zijn, elk met zeven medewerkers. Ben van 06.45 – 22.00 uur in touw. Twee pauzes. Het is erg leuk werk en heel gezellig. Ik houd van een gebbetje en de hele dag messcherp blijven is dan lastig. Eén keer vergis ik me. Ik word gered door twee junioren, beiden student. In ruil haal ik koffie en thee. Als vergoeding vangen we ruim € 10,- per uur.

Maarten ’t Hart 40 ‘Johann Sebastian Bach’

Hèhè, daar is hij dan, het Bachboek waarvan je voelde dat die er aan zat te komen. In bijna elk boek van ’t Hart valt de naam (herhaaldelijk) en al lezend wacht je op een overzichtsboek. ’t Hart slaagt erin een goed boek over de veel beschreven componist te schrijven, vaak vanuit een interessante invalshoek.

Gek eigenlijk, maar er is weinig bekend over Bachs leven. Wel wordt er veel over gespeculeerd. Ook is veel van Bachs werk verloren gegaan, misschien zelfs een derde van zijn cantates. ’t Hart noemt Bach ‘de melodievinder’ een kwalificatie die niet alle componisten dragen.

In Bachs jeugd komt een ruzie voor met een fagottist. Deze kwestie wordt door vele schrijvers/onderzoekers op vele wijzen beschreven, maar even vaak gebaseerd op drijfzand, zoals ’t Hart beweert. Of Bach een onbehouwen, ongeduldig, ongenietbaar heethoofd zou zijn geweest bestrijdt ’t Hart, waarbij hij zich op de expressie in Bachs muziek baseert. In Bachs familie en gezin werd veel vroeg gestorven. Of en hoe de dood zijn werk heeft beïnvloed is een vraag die ’t Hart aftast door te verwijzen naar Bachs meesterlijke muziek. Van Bach zijn niet veel brieven bewaard gebleven. Uit wat er is blijkt dat veel brieven over geld(problemen) gaan en duidelijk wordt dat Bach een beroerd schrijver was: onleesbare, lange zinnen en nog eens uiterst onderdanig bovendien.

Ook is er een grote discrepantie tussen de mooie muziek en de kreupele, ten hemel schreiende miserabele kerkteksten die tekstdichters aanleverden. Klaarblijkelijk deerde het B niet. Of B zelf zeer gelovig was is niet te achterhalen. Dat hij veel religieuze literatuur bezat wil niet alles zeggen (zegt hard-core atheïst ’t Hart die ook veel religieuze literatuur bezit).

Natuurlijk is er een hoofdstuk over de cantates. Daarvan is ’t Hart zo onder de indruk dat hij ze allemaal wil beluisteren, spelen en er alles over lezen en er met Vestdijk over wil corresponderen. Dagelijks speelt ’t Hart iets uit de cantates. Daarna geeft ’t Hart in ‘Een klein compendium’ in enkele zinnen zijn indrukken weer van bijna alle cantates.

Natuurlijk is er veel aandacht voor de passies: de twee grote JP en MP en dan zijn er waarschijnlijk nog drie kleinere geweest, waaronder de Markuspassie, van het bestaan waarvan we zeker zijn. Een hoofdstuk over Bachs orgelwerken: schitterend, vooral de Passacaglia en de Toccata en fuga in d klein. Dagelijks speelt ’t Hart iets van Bach; het is interessant dat ook beginners oefenstof genoeg hebben. Verder nog info over Bach-concerten en literatuur over de componist. Ook voor niet-Bachliefhebbers een zeer leesbaar boek.

JOURNAAL week 22

ZONDAG Ik noem mezelf een natuurfietser, maar anders dan mijn voorbeeld Monegask Mollema houd ik wel van belasting betalen. Voor mij geen hartslagmeter, supplementen, gelletjes of spierversterkende poedertjes in bidons. Luisteren naar je lijf, veel slapen, veel lezen, wat schrijven, dagelijks een bordje oesters, halve liters Leffe Blond ruilen voor of aanvullen met bietensap, veel bewegen en niet te hoog van de toren blazen. Deze maand fiets ik ruim 1.000 kms, verdeeld in wat langere stukjes en de standaard 40-km-routes.

MAANDAG Alida wordt opgetild, neergevlijd en afgevoerd. In de buurt heet het skûtsje Tante Alida, kortweg tante Alie. Met liefde en deskundigheid wordt ze door twee kranen opgehesen, even neergelegd op de museumoprit en dan door één kraan op een verlengde dieplader gelegd en getransporteerd naar Wehe den Hoorn. Het voormalige scheepvaartmuseum wil nieuwe wegen inslaan en gaat samenwerken. Bingoënde drag queens moeten bezoekersaantallen die dalen als grondwaterstanden in door waterschappen beheerde landerijen opkrikken.

DINSDAG Voor ons betekende de naam Maartenshof een sterfhuis: twee (schoon)ouders vonden er een laatste haven. Als vrouw I er wordt gerevalideerd kantelt ons beeld diametraal. We herkennen de revalidatiekwaliteiten met actieve verpleegkundigen, attente zorgmedewerkers, artsen en fysio’s die alles van heupen weten en niet voor privépraktijken in yuppenwijken kiezen maar toegewijd zijn aan het solidariteitsbegrip. We zijn onder de indruk van het arbeidsethos, de kundigheid en de patiëntbenadering: allemaal veilig en vertrouwd.

WOENSDAG Ik vraag deskundigen hoeveel je moet trainen voor een monsterfietstocht. ‘Per week opbouwen, de hele monstertocht praktizeren is niet nodig,’ hoor ik geruststellend.

DONDERDAG Mijn fietsdoel, van 06.00 – 11.00 uur is: Groningen – Beilen – Ureterp – Groningen. Gelukt. 125 kms. met gemiddeld 27,3.

VRIJDAG Ons autodeelproject CCP (Clio Coöperatie Pompplein) is een groot succes. Met zijn drieën delen we Clio en gezien de gereden kilometers zou er een vierde en vijfde deelnemer toe kunnen treden. Zo leveren we een substantiële bijdrage aan het verdelen van de beschikbare, krappe, ruimte op wegen en parkeerterreinen in Stad. Zoals Groningens wethouder Rik van Niejenhuis graag in interviews debiteert: het kleine persoonlijke belang inruilen voor het grotere publieksbelang. Er lang over filosoferen primo maar ook hier is handelen beter dan oeverloze salontafelgesprekken.

ZATERDAG In de RTV-Noord-app lees ik over een bedrijf in Groningen dat hoefijzers produceert. Een uiterst eenzijdig kritiekloos stuk, een soort advertorial gepresenteerd als nieuws. Het hoefijzerbedrijf meldt met grote trots dat ze iets maken dat sinds de middeleeuwen niet veranderd is. Paarden krijgen aan elk been een stuk ijzer aangemeten van soms 450 gram. Met fikse spijkers in de hoeven, eigenlijk nagels, geslagen. Soms tot zes keer per jaar. Is het niet vreemd dat de RTV-Drenthe-journalist vergeet zich af te vragen of er geen alternatief is voor dit middeleeuwse gebruiksmiddel. Had zij/hij het wel gedaan, was men uitgekomen bij hoefschoenen.

Maarten ‘t Hart ‘Een deerne in lokkend postuur’ 39 (1999)

Een tweede Maarten ’t Hart in de Privé-Domeinreeks. Een bijzonder afwisselende, dagboekachtige persoonlijke kroniek over 1999.

Januari. In Leiden raakt M onder de indruk van een bloedmooi meisje. Als hij haar na een zoektocht weer vindt, wordt hij achterna gezeten door haar beschermer, een besnorde gorilla.

Februari. Over jeugdvriend Eduard Bomhoff en de aftakelende schrijver F. B. Hotz en M’s avonturen als tv-presentator, een baan die zoveel voorbereiding vergt en spanning oplevert dat hij er hartproblemen van krijgt.

Maart. Over de voorbereidingen van een nog te verschijnen Bach-boek, de vreselijke Connie Palmen, een bezoek aan Leipzig en rijlessen bij een plaatselijke instructeur die liever met zijn pupil veevoer vervoert dan het rijexamen voorbereiden.

April. Ook een zgn. rijexamen in 10 dagen (die 4 maand blijken te zijn) lukt Maarten en ook Hanneke, niet. Een paar leuke vertelsels over psychiater en schrijver Koenegracht die een varken heeft en een meisje met achtervolgingswanen en een omgewaaide populier. Dan nog wat perikelen over het veranderen van zware zeeklei in de polder naar zanderige grond geschikt voor bollenteelt.

Mei. Over de noodzaak van ‘mooischrijverij’ in de letterkunde, vroege merels, een ingewikkeld gezondheidsdieet met supplementen, een niet aflatende stroom aanvragen voor artikelen en interviews, een fietsongeluk en hartproblemen en hoge bloeddruk, de angst voor (verslaving aan) pillen.

Juni. Wat zijn de tien beste romans van de eeuw? Boezemfibrilatie, Bach, opschepper Büch en de overbodigheid van filosofie.

Juli. Het hart, Bach, de platenclub (een aantal mannen laat elkaar nieuwe muzikale vondsten horen), middelbareschoolherinneringen en eigen leraarservaringen.

Augustus. Van alles wat en vooral leeservaringen. ’t Hart leest jaarlijks 300 boeken, 1% van de uni-bieb. En steeds maar weer onder de indruk raken van de bibliotheekmedewerksters.

September. Dertien dagen in vrouwenkleren gehuld is ongeveer het maximum. Veel mensen herkennen hem dan niet als man. Vooral een passage uit het kinderboek ‘Reis door de nacht’ van Anne de Vries heeft ’t Harts wens zich als deerne te verkleden aangewakkerd.

Oktober. Met smaak vertelt ’t Hart over het verlies van belangstelling voor het geloof, literatuur en biologie. En over zijn eenmans BV, zijn dieet, enz.

November. Over november als de mooiste maand van het jaar en een fotosessie die een hele dag zal duren.

December. Over zijn Bach-reis, de verschrikkelijke pakjesmiddag, een millenniumdiscussie, de narcistische A. van Dis, en weer de platenclub.

Lale Gül ‘Ik ben vrij’

Lale Gül slaagt erin een boek van 366 pagina’s te schrijven dat ik in één ruk uitlees. Heerlijk. Het boek legt pijnlijk bloot hoe zij de de nare rol van de talibaneske islam ervaart: vrouwen worden onderdrukt en intolerantie gepredikt. Of het nu Russische orthodoxen, de Joodse ultra’s of de  islamitische zwartekousen in de vorm van religieuze lichaamsbedekten zijn, we zien overal om ons heen wat de extreme uitwassen in de wereld van religies aanrichten: oorlogen en strijd, kommer, kwel en ultieme onverdraagzaamheid jegens vrouwen en de LHBTQI-gemeenschap en virulente haat gericht op de critici.

Gül beschrijft in dit dagboek (of het een roman is vraag ik me af) openhartig en indringend hoe het haar vergaat na publicatie van haar debuutroman ‘Ik ga leven’ waarin ze zich van haar geloof afkeert. Dit boek boek komt in negen maanden tot stand. Het begint met een consult bij de psycholoog bij wie Gül tot huilens toe haar hart uitstort na de vreselijke, hatelijke, intimiderende, verstikkende, agressieve reacties van haar van oorsprong Turkse, islamitische familie na het eerste boek. Zij is de uitputting nabij, haar individualiteit en vrijheid smoren. Enkel haar oma begrijpt haar, maar die sterft al snel. Een boek schrijven is als pornoacteur worden: alles ligt op straat. Na een succesvol interview bij Op1 barst de bom en wordt ze bijna gekielhaald door een familietribunaal. Haar broer Halil voorkomt fysieke schade. Ze wordt gedwongen in een safehouse onder te duiken, aangeboden door Femke Halsema. Ook krijgt ze steun van de minister van justitie Dilan Yeşilgöz.

haatmails aan Gül

Gül verkeert in tweestrijd: aan de ene kant wil ze schrijven en de zware last van de onverdraaglijke, islamitische cultuur uit ‘zoefiezoefieland’ Turkije achter zich laten, maar ze ziet haar broer en zusje Defne lijden. Haar moeder chanteert haar door te dreigen met zelfmoord, haar vader speelt de tandeloze sukkelaar en Yasemin, een tandheelkunde studerende nicht, ook behept met een primitieve, achterlijke denkcultuur, laat haar vallen.

‘Ik ben vrij’ beschrijft thema’s bindingsangst, de islam en de invloed van de familie in haar jeugd, de rol van vrienden in haar directe omgeving. Heel bijzonder en onverwacht is een lofzang op haar moeders kwaliteiten en het verschil met haar vader. Een heel hoofdstuk over daten. Interessant is haar analyse dat links, bang van racisme beticht te worden, in de kramp schiet bij islamkritiek. Ook ervaart Gül een kloof met (witte) Nederlandse schrijvers. Haar beste vrienden: Turken met gedeelde ervaringen, met Mert als voorbeeld. De hedonistisch ingestelde tandheelkundestudent Benjamin wordt afgeserveerd. Later komt vriend Noah in beeld. Ook bij buitenlandse optredens wordt Gül (verbaal) aangevallen.

De hatelijke, uiterst agressieve reactie van de Turkse (familie)cultuur is ronduit talibanesk. Uit wroeging schrijft Lale een 15 pagina’s lange brief aan haar zusje Defne, met een uitgebreide beschrijving van het thema hypocrisie. Dat in het boek talloze herhalingen voorkomen zij Gül vergeven. Het boek eindigt met een openhartig stuk over een Swingersavond in Valencia en uiteindelijk met een (mislukt) bezoek aan het ouderlijk huis, op verzoek van Lales zus Defne. Lale wordt door haar moeder verstoten.

Natuurlijk dringt de vergelijking met andere met het geloof worstelende Nederlandse auteurs (Franca Treur, Jan Siebelink, Maarten ‘t Hart) zich op. Waar Gül de modus van de verstikkende moskee op vrijdag en de koranschool (zaterdag en zondag verplicht van 10.00 – 16.00 uur koranteksten uit het hoofd leren) als drukkend, vrouwen vernederend en indoctrinerend beschrijft, is de toon van ’t Hart bijna luchtig, vrolijk, humorvol en kritisch.

Dagboek of roman. ‘Ik ben vrij’ leest als een dagboek, misschien moet je het een geromantiseerd,  psychologisch ideeëndagboek noemen. Zeer opvallend is de ene illustratie in het boek die zou bewijzen dat (homo)erotiek, compleet met anale penetraties, in oude islamgemeenschappen net zoveel voorkwam als de afkeer Mohammeds hoofd af te beelden.

Taal. Een groot verschil met ‘Ik ga leven’ is dat de hoofdpersoon niet Büsra maar Lale Gül heet. Dit versterkt het autobiografische element. Ook worden in dit boek geen overdreven moeilijke woorden gebruikt. Wel gebruikt Gül enkele minder gangbare substantieven als ‘bedaring’ en ‘hunker’ en de moderne variant ‘hoezo’ van ‘waarom’ en de minder bekende uitdrukking ‘achter de veren’. Soms laat haar uitgever haar wat in de steek. Ik ontdek enkele handenvol taalfouten die ik Prometheus  voorleg. Bureauredacteur Coenraads verzekert mij dat die in een tweede druk zullen worden hersteld.

Politici. Politici die het voor Gül opnemen worden in het boek met name (Halsema), of in het dankwoord (Marijnissen, Omtzigt, Arib, Wilders en meer) genoemd. Onder de indruk is Gül van Dennis Wiersma die kortstondig minister van onderwijs was. In het boek genoemde politici die zich van haar afwendden zijn Kaag en Simons. Lezen dus! Op 2 juni in Groningens Forum.

JOURNAAL week 20

MAANDAG. Met fietsmaat M spreek ik fantaserend over Maastricht – Groningen in één dag. Kortste route is 323 kms. Dat wordt 12 uren fietsen. Dan nog zes pauzes van 20 à 30 mits. Dagje werken zal het wel worden. Voor fietsmaat M is de grootste opgave zich aan mijn tempo aan te passen. Hij stelt een alternatieve route voor: vrijdag: Groningen – Amsterdam – Rotterdam – Vlissingen, zaterdag: Vlissingen – Antwerpen – Maastricht; zondag freewheelend met mij: Maastricht – Nijmegen – Zwolle – Groningen. Totaal 886 kms. Beiden blij.

DINSDAG. Fietsen. Na de deconfiture vorige week, uitgewoond na 147 kms, probeer ik het deze week opnieuw, voorzichtiger. Om sleutels voor Oringer kameraden op te halen die klaarliggen in Stad ergens boven de Korreweg besluit ik een rondje langs Gieten en Assen te gaan doen. 85 kms met een mooi gemiddelde. Uit pure vreugde ga ik even naar de boekhandel en vraag of de nieuwste Lale Gül er al is. ‘Nee, morgenvroeg,’ hoor ik.

WOENSDAG. Mijn patiënt in Maartenshof moet maar even wachten want de boekhandel aan de Vismarkt gaat pas om 09.30 open. Kunnen ze eerst nog de boeken sorteren, stapels klaarleggen, en nagels lakken, denk ik nog. Na een eerdere slechte ervaring bij de boekwinkel, na de winst van Joost Klein bij een popfestival in Stad, had men vergeten in te kopen, zelfs niemand van de verkoop had ooit van Klein gehoord, had ik goede hoop op verbetering van de belabberde service. Om 09.20 sta ik fluitend voor de winkel. Precies 09.30 uur gaat de deur open. Dan ontspint zich een vreemd gesprek tussen een verslaafde boeklezer die een boek heeft aangevraagd en op tijd staat om een patiënt te bezoeken en een verkoopster die nog nooit een kritische klant heeft te woord gestaan. Nee, het boek van Rob van Essen ligt nog in de onuitgepakte kratten, pakt u het zelf maar even. En nee, Lale Gül ligt nog niet klaar, is zelfs nog niet binnen. En dat terwijl mij op dinsdag was verzekerd dat het boek er zou zijn. Zonder een excuusje te mompelen gaat mevrouw in discussie en draait me op een bepaald moment zelfs de rug toe. Ineens denk ik aan het woord ‘angstcultuur’ waaraan de bedrijfsvoering in deze winkel zou lijden. Uitsluitend jonge, bedeesde, non-assertieve vrouwen die een lastige klant met slechts stilte tegemoet treden i.p.v. hem met een kopje koffie en een gesprek met de bedrijfsleider inpakken. Brrrr. In Maartenshof bel ik met de boekenzaak in Zuidlaren. ‘Ja hoor,’ ligt klaar, is gisteren binnengekomen.’

DONDERDAG Wat is er leuker dan vroeg opstaan en voor zessen zuidoostwaarts per Giant kruisen op weg naar een kop koffie bij twee ouwe, goede vrienden in Odoorn en Emmen? Tandenpoetsen, bidon, banaan en foon klaar leggen, zonnebril niet vergeten en gaan. Rustig starten en gevoelig plekje in m’n bovenbeen niet wakker maken. Bij het eerste viaduct lekker rammen en de wereld ligt voor me open. Het gevoelige billenplekje heeft inmiddels de portugesestoephoertaaiheid hervonden. Strijklicht over de velden in Haren. Geen verkeer tot Gieten. Een stratenplanfoto van brutalistische, toegepaste kunst in Emmen. Van Ter Apel tot Groningen één rechte streeop. Voor twaalf terug.

VRIJDAG. Het is 16 mei en mijn fietskilometers staan halverwege deze maand op 669. Dat is ruim 40 per dag, 1,5 uur. De twee dagelijkse bezoekjes aan Maartenshof zitten daarbij. Hoe manage ik mijn tijd? Facebook, X, LinkedIn, TikTok en instagram zijn voor mij even lege begrippen als natuurbesef bij boeren en weldenkendheid voor de BBB-politici. Ik lees de krant, check NOS-app, corrigeer, de schoolmeester uithangend, de geslotenvragencultuur van de linksekerkjournalisten van de NPO en denk steeds: geen wonder dat extreemrechts Nieuwsuur haat.

ZATERDAG Lale Güls ‘Ik ben vrij’ leest als een trein. Bezig met mijn 38e van Maarten ’t Hart denk ik steeds: die Maarten groeide op met een star, vervelend, beklemmend geloof, maar beleefde daarnaast onbekommerde licht- en vrolijkheid en kon zijn ongezouten kritiek kwijt. Een uurtje zondagschool, een half uur catechisatie en later belijdenis, wat stelt het allemaal voor? Nee, dan die nare, door de staat gesubsidieerde, mistroostige koranschool op zaterdag en zondag van 10.00 – 16.00 uur van Lale Gül en die achterlijke, analfabete, alles verstikkende, agressieve, uit Turkije geïmporteerde gezinscultuur van haar islamitische jeugdindoctrinatie: vreselijk. Wat heb ik met haar te doen.

Maarten ‘t Hart ‘De vlieger’ 38 (1998)

De vlieger is niet ’t Harts beste zullen we maar zeggen. Te veel herhaalde, uitgesponnen, voorspelbare dialogen en een dunne plot. Er lopen enkele verhaallijnen door elkaar:

  • Op een bepaalde manier is dit een voortzetting van het met bijbelse onnozelarijen doordrenkte boek ‘Wie God verlaat heeft niets te vrezen’, maar nu verwerkt in een roman met een handvol personages (vader, moeder, zoon, Gilkinus Diepenburch, zijn dochter Machteld, meneer pastoor als vertegenwoordiger van de papen, enz.).
  • Hoofdpersonen zijn een grafdelver die opdracht krijgt een rooms kerkhof handmatig te ruimen (schudden) en te verplaatsen en zijn zoon die almaar verliefd is op bloedmooie meiden, gek is op studeren en lezen en boeken lenen in de roomse bieb waar hij dan weer onder de indruk raakt van de òf zwaar opgemaakte jonge vrouwen òf afgeleefde, uitgewoonde, oudere uitleensters.
  • Als de grafdelvers zoon een vlieger krijgt, wordt die hem ontfutseld door enkele snotapen. Later vindt hij de vlieger terug bij Gilkinus Diepenburch.
  • Gilkinus, Ginus, is een man die de heilige schrift bestudeert en een discrepantie in het Onze vader ontdekt en vanwege zijn vasthoudende dwarsdenkerij, na van de kansel aangekondigde gedragsmaatregelen, van het avondmaal geweerd en later de kerk uitgebonjourd wordt.
  • De grafdelver wordt herhaaldelijk door gemeentemedewerkers, de dominee, de burgemeester en zelfs meneer pastoor gevraagd de roomse begraafplaats te ruimen en te verplaatsen; iets wat hij enkel zou willen doen met twee draglines en twee vrachtwagentjes.
  • De dochter van Gilkinus van Diepenburch die zwanger raakt van een onbekende man.
  • En dan is er nog een reiger die de begraafplaats blijft bezoeken, een dove man die wat hij wil zeggen op papiertjes schrijft en ouderlingen die maar blijven doorgaan met zware boodschappen bezorgen bij gelovigen die niet in de pas wensen te lopen.

Uiteindelijk wordt de grafdelver gepasseerd voor de klus en heeft hij spijt als haren op zijn hoofd.

Dan nog een heel bijzondere epiloog, waarbij het eerst – vanwege het strerk autobiografische karakter van het boek – niet duidelijk is of het gaat om Maarten ’t Hart, of de inmiddels volwassen geworden zoon van de grafdelver. Hij krijgt het verzoek mee te doen aan een actie van Amnesty International om een dag geketend in een kooi te zitten. Dan herkent hij de initiatiefneemster, SM-meesteres Machteld van Diepenburch, nu oud en verweerd, vroeger bloedmooi. Zij verguist hem vanwege zijn vroegere indringende blikken naar haar. Zij blijkt hem desondanks toch interessant gevonden te hebben.