Maarten ’t Hart 33 ‘Een havik onder Delft’ 1992

Veelzijdige, gevarieerde, persoonlijke, soms felle, vaak vriendelijk uitwaaierende columnachtige korte stukken. De ondertitel luidt: Polemische paukenslagen In de eerste vier al komt tweemaal ’t Harts wens zich in vrouwenkleren te hullen naar voren. Daarnaast scherpe observaties over psychologische typologieën, gaapgedrag, grappenmakers die de pointe herhalen, misverstanden bij en door Jung en Freud en vrekken.

Het verschijnsel godsdienst bestrijkt het verschil tussen psalmen en gezangen, de vraag of de paus werd vermoord en het celibaat waarvoor ’t H als oplossing heeft: sta priesters één vrouw toe en gewone mannen twee. Dan mooie verhalen over oud worden, Zweden en de onbelezenheid van Nobel-Prijs-toekenners, de studie Nederlands in het VK.

Een paar columns zijn wat langer: een over heimwee en reizen en het fraaiste (vakantie)land Zwitserland. Verder weer kortere, over de steeds uitdijende repro-afdeling, gezond eten en lijnen, het nut van kinderen krijgen op latere leeftijd en zijn afkeer van feestjes en feminisme. Mooie anekdotes over Gomperts, Renate Rubenstein en Simon Carmiggelt, de bijzondere A. Moonen, de overschatte Musil, auteur van Der Mann ohne Eiegnschaften, en (het opvallend grote aantal) auteurs uit het jaar 1944.

Een lang stuk wijdt ’t Hart aan het ongenadig neersabelen van Ton Anbeeks Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur 1885 – 1985, omdat hij èn vrouwelijke auteurs zo goed als overslaat en helemaal voorbij gaat aan alles wat met Nederlands Indië te maken heeft. Ook Vrij Nederland recensent Carel Peeters moet het ontgelden, die ontvangt een behoorlijke polemische paukenslag.

In het blokje muziek iets over de muzikale onwetendheid van Brouwers en Karel van het Reve, de harkerige taal in Samama’s boek Zeventig jaar Nederlandse Muziek, de rangorde der kunsten met muziek fier bovenaan, de overtrokken belangstelling voor Mahler in Amsterdam, opera’s van Smetana, de onbegrijpelijke voorkeur voor popmuziek van verder heel normale mensen, naast de Mattheus, de Johannes en  de Marcus Passie van Bach.

Dan nog de zeer door ’t Hart bewonderde Karel van het Reve die er soms wat oplos beweert, de vraag van de BBC om voor het afscheid van Tinbergen een stekelbaars een kunstje te laten doen gebaseerd op de invloed van een voorbijrijdende rode postauto: een mission impossible.

Het thematisch gerangschikte boek eindigt met de polyandrische Jezus-Christus-vogel, over het zeldzame verschijnsel bij dieren waarbij een dominant en initiatiefrijk vrouwtje meerder mannetjes heeft, een verhaal over ongewilde paring en vaginale pluggen, tijdens de paring mannetjes etende insecten en dieren die werktuigen maken of gebruiken. Interessant is de conclusie dat de Nederlandse literatuur, anders dan de Engelse, wordt gedomineerd door niets van natuur en biologie afwetende stadjers. Het laatste verhaal, ‘Een havik onder Delft’  toont aan dat de Nederlandse topauteurs niets hebben met de natuur.

Maarten ’t Hart 32 ‘Onder de korenmaat’ 1991

Het achterplat belooft een roman over een in radeloos verdriet eindigende liefdesgeschiedenis. Pianist/componist Alexander Goudveyl, 45, begeleidt vriendin Hester en ontmoet dierenaarts Sylvia Hoogervorst, 30, die een diepe indruk op hem maakt. Ze spreken een paar x af bij Alexander thuis; overdag en ’s avonds als A’s vrouw slaapt. Bijna alles is muziekgerelateerd: telefoonnummers, namen, rammelende dakpannen, kentekenplaten, enz. Hoewel de verhouding nog geen twee weken duurt wordt al over het einde gedacht en gesproken. Dat de vijftien jaar jongere Sylvia van popmuziek houdt verwijst naar een vroegtijdige afloop. Wat daar ook naar bewijst is een omgewaaide joekel van een populier, die Alexander maar niet van de oprit verwijderd krijgt.

Alexander is erg ontevreden in de relatie met Joanna en stelt geregeld voor om uit elkaar te gaan vanwege de verschillen en gescheiden werelden. Sylvia echter heeft alles voor hem: de betoverende geur, het krullende haar, haar lengte, de oorbellen, de zoen- en vrijlust, haar looptempo, enz. Sylvia vraagt Alexander bij haar in te trekken. Soms echter staat de muziek tussen hen in: pop tegenover klassiek. Met vriendin Hester bespreekt Alexander de liefdesperikelen.

Wat Alexander aan zijn vrouw Joanna bindt is de muziek van Brahms. Als hij haar verlaat moet hij ook afscheid nemen van deze componist. Alexander schrikt als Sylvia, na een bezoek aan zijn vroegere woonplaats, zegt dat ze wel in zijn oude stadje zou willen wonen. Het blijkt dat ze nogal wat vriendjes heeft gehad, serieuze en minder serieuze. Hester en Sylvia ontmoeten elkaar als Alexander een anti-Mahler lezing geeft. Daarna wordt duidelijk dat Sylvia niet en Alexander wel samenwoonplannen heeft.

Halverwege het boek komen de eerste barstjes in de relatie. Alexander is jaloers op andere of ex- vrienden van Sylvia. S wil alleen een maand naar Aruba en A hoeft haar niet te brengen en te halen, tot wanhoop van Alexander. De lezer voelt op zijn klompen aan: dit gaat  de verkeerde kant op. S vertelt A dat haar verliefdheid is overgegaan in vriendschap. Langzamerhand ontrolt zich het einde van de relatie, gesymboliseerd in snijdende winterkoude, telefoons die onophoudelijk rinkelend niet worden opgenomen, de hoofdpersoon die zonder noodzaak een konijn doodt en meer. Alexander realiseert zich een ‘wegwerpvrijer’ geweest te zijn, een volgnummertje in een oneindige reeks en hij bedrinkt zich met vier flessen wijn en begint een oeverloos gesprek met een vleermuis.

Giant Advanced Defy Tiger Red & Spaak

‘En, hoe vind je ‘m?’ vraag ik enthousiast de mij onbekende vrouw die naast me voor het stoplicht staat te wachten. Ze doet d’r oortje uit, en ik herhaal m’n vraag. ‘Cool ding man, nieuw nog, antwoordt ze lachend, mijn jongensgeluksgevoel herkennend?’ Groen. Ik probeer een opgevoerde bezorgscoorter voor te blijven. Makkie. Mijn benen zijn na een weekje wandelen en trappen klimmen in Marseille in topvorm. Fietsen geeft me vaak een goed gevoel en vandaag is dat extra.

Ze rijdt heerlijk. Het is een Giant Defy Advanced Tiger red 2024 geworden. Instapmodel carbonframe. Kekke kleur. Shimano 105-groep. Afgeplatte stuurbuis. Verzonken zadelpenbout. Weggewerkte bekabeling aan het stuur. Spiegeltje in linker beugel. Bel. Eenvoudige snelheidsmeter annex kilometerregistratie. Iets bredere banden dan de vorige, nu 32’ers, met een ruwer profiel, zeg maar tegen de gravelbike aan. Dat geeft een psychologisch voordeel. Je denkt dan een vastere wegligging te hebben, een gevoel dat ik na mijn val (juli 2023) denk te kunnen gebruiken. O ja en nu met de door mij tot nu toe vanwege het gewicht verguisde schijfremmen. En eerlijk is eerlijk: die houden mij en haar goed in bedwang.

Aan Spaak vraag ik of ze een doordeweeks fietsgroepje kunnen regelen; de laatste tijd moet ik de SpaakMasters op zondag vaak missen. Vijf gasten melden zich, van wie er op woensdag nog drie over zijn. Met de kleinst denkbare groepssamenstelling (Buienradar had wat regen voorspeld) vertrek ik. Aduard, Zuid- en Noordhorn, Niezijl, Grijpskerk – zit na 25 kms op gemiddeld 27,3 – linksaf tegen de wind in: Gaarkeuken, Sebaldeburen, Oldekerk, Niekerk, Zuidhorn, Aduard, Nieuwklap, Slaperstil – na dik 40 kms op 28,1 –  Stad, Spaak: 47,3 met gemiddeld – aaargh -27,4.

In twee dagen rijd ik een kleine 100 kms. Soms in de yoga- of Zenmodus en soms op de racestand. Zo red ik mijn 7K jaardoel wel. Op de vrijmoedige vraag van een fietsmaat, ‘Wat doet zo’n beessie nou?’ speel ik open kaart. Kosten € 2.799,- + 2 pedalen € 40 = € 2.840. Minus inruil (afgetrapte) Giant TCR 2019 € 340,- = € 2.500,-.  Ik spaar maandelijks € 34,50 aan kosten fitnessclub uit x 32 maanden (de tijd dat we in Stad wonen) = 1,1K. Ons deelautoproject (CCP) levert, laat ik laag schatten, € 100,- per maand, in 16 maand 1,6K op. Samen 2,7K. De beurten en sportmasseur betaal ik met geld dat ik bespaar door geen nieuwe kleding te kopen. Zo.

Maarten ’t Hart 31 ‘Een dasspeld uit Toela’ (1990)

Een groot deel van de zestien, zeer informatieve verhalen, eigenlijk artikelen, in deze bundel verschenen in NRC en/of waren de teksten van lezingen. Kritische stukken, je hoort de meester al lekker uithalen. ’t Hart fulmineert tegen al te strenge regeldwang van neerlandici die op de universiteit onnodige en onmogelijke wetmatigheden voor romans uitbroeden terwijl de enige geldige regel die is dat er geen regels voor romankunst zijn. Strak veegt ’t Hart de vloer aan met de elitaire laag die neerkijkt op volkskunst. Behalve in de orgelmuziek en de schilderkunst heeft Nederland internationaal nooit iets voorgesteld. Een prachtverhaal over het verschil literatuur <-> wetenschap en verifieerbaarheid en plagiaat. Dat de neerlandistiek oprukt in de literatuur is te merken aan het aantal afgestudeerden bij uitgevers en in de literaire kritiek. Gelaagdheid, complexiteit en polyinterpretabiliteit zal toenemen. Hoe lang zal het duren voordat auteurs afgestudeerd moeten zijn?

In enkele gevallen hebben nare kritieken schrijvers (Melville, Salinger) of componisten (Bizet) dusdanig hard geraakt dat ze depressief of ziek werden of zelfs vroegtijdig stierven. Ook ’t Harts eigen ervaringen komen aan bod. In een artikel over stijl breekt hij een lans voor scherpe, kernachtige onopgesmuktheid tegenover geraffineerde schoonschrijverij. Al zijn meningen worden gelardeerd met concrete voorbeelden uit de (inter)nationale literatuur.

Een mooi stuk over de juist gestorven auteur en collega-bioloog Hillenius en over Hotz, van wie ’t Hart door herschikking van de volgorde en analyse van personages en tijden uit de hoofstukken van vijf boeken een roman over Hotz’ moeder destilleert. Dan nog een analyse van Hotz’ vermeende toegenomen sobere schrijfstijl en een mooi verhaal over Biesheuvel, van wie wordt gezegd dat hij veel fantasie heeft, maar volgens ’t Hart zich steeds in bijzondere situaties manoeuvreert en die vervolgens tot verhalen uitwerkt. De verguisde Mensje van Keulen wordt door ’t Hart op het paard gezet, haar eenvoudige schrijfstijl geeft juist haar kwaliteit aan. In ‘Karakter’ van Bordewijk herkent ’t Hart het vijftig jaar later bekende fenomeen van de BOM-moeder.

Dan een verhaal over de onverenigbaarheid van het schrijverschap met dat van wetenschapper. De ambities, erkenning van vakgenoten en van een leespubliek zitten elkaar in de weg, zo erg dat ’t Hart van zijn vroegere collega-vrienden geen heeft overgehouden. Een schitterend verhaal over een typisch Karel-van-het-Reviaanse evolutietheorie, met in de hoofdrollen Darwin, vogels, ongevleugelden, ogen, mutatiekansen, giftanden en Karel van het Reves minderbelezenheid. Dan Nog Multatuli en het Darwinisme, waarin Multatuli wordt opgevoerd als iemand met schrikbarend weinig kennis over exacte vakken. Later nog een verhaal over Multatuli’s beroerde Nederlands met een overkill aan gallicismen, germanismen, latinismen. ’t Hart spaart hem (die vaak wordt aangeduid als grootste Nederlands schrijver) niet en benoemt M’s gemekker en infantiliteiten. I.t.t. veel Multatuli-bewonderaars heeft ’t Hart wel alles van M gelezen. Hij laakt Multatulibewonderaars die enkel over M’s stijl spreken.

In Memoriam Frans Winter

Er valt een rouwkaart op de mat. Eerst denk ik dat  het een plantencatalogus is van verzendhuis Hamersma in Waskemeer. Ik zie acht plantensoorten, o.a. de zonnehoed, de Phlox Paniculata, de lelie Anasthasia en de rode klaroen. In het midden de naam FRANS en een tuinschepje. Typisch Frans de leraar/tuinman: enkele planten zijn verrekte lastig te determineren, maar voor de beginner ook weer gemakkelijk want de zonnehoed staat er twee keer tussen.

De eik is om, Frans Winter, echtgenoot, vader, leraar, vriend, dichter, sportman, muziekliefhebber, tuinier, veelweter is, op hoge leeftijd, overleden. Frans was mijn oud-collega. Enkele collega’s hadden de kwaliteit collegialiteit om te toveren in vriendschap. Daar hoort Frans ook bij. Wij leerden elkaar kennen in het laatste kwart van de vorige eeuw. Hij werkte op mavo Baander en ik op mavo Allee, beiden leraar Engels. De Baander stond bij de Allee bekend als de praatjesmakerskolonie, die onder de knoet gehouden moesten worden door een koelbloedige directeur. Mavo Allee kende uitsluitend harde werkers die in een gemoedelijke cultuur hun eigen gangen gingen. Er kwam een fusie. En die slaagde.

Frans was een uitstekende, eigenzinnige, steile leraar, waarschijnlijk de beste in de Baanderstal. Het waren mooie tijden. Er wordt veel gemopperd op het talenkennisniveau van leerlingen in Nederland. Vaak wordt vergeten dat ons vak, Engels, al sinds jaar en dag bovenaan staat in de internationale ranking: The English Proficiency index. Daar heeft Frans zijn deel aan bijgedragen. Ik werkte graag met hem samen en we vormden een goed team.

Behalve dat Frans een goede docent was, was hij een veelweter. Of het nou ging om planten, het rijke roomse leven, semantiek, Franse kasteelarchitectuur in het Rhônedal, of van lekkere hapjes, Frans lijkt soms een vat waarin ontelbare weetjes zijn opgeslagen. Waarom hij nooit aan Twee-voor-twaalf, of De-slimste-mens, of Per-seconde-wijzer, of Lingo heeft meegedaan, ik zou het niet weten, terwijl Frans wel een echt spelletjesmens is.

Ook de klassieke muziek had hem in zijn greep. Zag hem daar eens zitten in de gemakkelijke stoel naast een indrukwekkende,  plafondhoge collectie cassettebandjes en een heuse, zwarte, driedelige stereotoren, simultaan luisterend naar vier klassieke zenders en dan ook nog tijd hebbend om sudoku’s op te lossen, naar Tienke te luisteren, ontelbare aantekeningen te maken in schriftjes over verkeerd uitgevoerde allegretto’s, onhoorbare piccolo’s, dirigenten die hoorbaar last hadden van de linkerpols, kuchende plattelandsvrouwen…. Maar de laatste tijd, zo begrijpen we, was Frans, aangespoord door de twee prinsessen Hemma en Jessica, helemaal into spotify en ruimden cassettes hun plaats in voor c.d.’tjes, praise the lord.

Frans de plantenman. Gepassioneerd is Frans bezig in de tuin en praat en vertelt en expliceert over de gevarieerde flora in zijn tuin, over de ontelbare kleurenvarianten, over de voordelen van compostbemesting (zònder paprikazaaddozen en sinaasappelschillen uiteraard). Van heinde en verre worden zeldzame plantenrassen geïmporteerd uit verre oorden als Kollumerzwaag of Jubbega. Toen wij indertijd een camping in Sleen startten hebben we hem ingehuurd als plantdeskundige, hetgeen neerkwam op een dag keihard werken en een dikke duizend bomen en heesters in de grond steken. En o, wat kon hij narrig kijken als die suffe juryleden van de Zuidenveldtentoonstelling zijn tuin niet nader bewonderend inspecteerden maar het hielden bij een ruwe blik over het hekje en niet drie kwartieren uittrokken voor een gastcollege over de effecten van mannetjesslakken op de laterale nervenontwikkeling bij de ligularia’s. Schitterend hoe hij kon verhalen van werkzaamheden in de tuinen van Jessica en Hemma, werkzaamheden die vaak klaar waren net voor de verhuizing naar een nieuw oord, naar een nieuwe casa die schreeuwde om een tuinprojectplan.

Frans man, rust in vrede.

 Marseille VI

Met ‘Il est cinq heures’ van Jacques Dutronc in en tussen mijn oren ratelen we om 06.30 uur onze rolkoffers over de ongelijke stoepstenen van Rue de l’Académie naar de Boulevard d’Anthènes en kijken nog eens om. Slaperige mannen in lange gewaden en op teenslippers gaan uit bidden naar de moskee. Een uitgelichte heilige steunt een gevel en kijkt afkeurend naar overvolle vuilnisbakken. Met gemak beklim ik de 107 marmeren treden voor Station Saint Charles.

Sortie. Fini. Le départ op de achtste dag en we vinden dat het goed is. De wandelroutebijbel van Marseille leidde ons gisteren de stad uit, van rauw naar charmant, van Stad naar Haren, van spannend naar suf: naar Aix-en-Provence, een stad  van 150.000 inwoners. Een soort uitje. In de bus naar Aix overdenk ik het idee van Volkskrantcolumnist Peter de Waard dat eigenhuisbezitters zelf de WOZ-waarde mogen aangeven, maar dat de gemeente dan het recht heeft het huis voor dat bedrag aan te kopen. Zou heel wat rompslomp, in het Frans ‘tracas’ besparen. En dan Rutger Bregman die een appèl doet op de mensen met bullshitbanen en hun vraagt een U-turn te maken en ervoor te zorgen dat ze niet vermogend het graf in rollen. Een moreel appèl. Een ethisch réveil.

Waarom bevalt ons Marseille beter dan Aix? Omdat Marseille een ‘round’ in plaats van een ‘flat’ character is. Poly en niet mono. Vormvolle vorm en inhoudsvolle inhoud. Waar Aix-en-Provence één gezicht heeft, dat van de gegoede, rijke, beetje boring, mooie, provinciestad, heeft Marseille er wel tien: dat van het  multiculturalisme, de haven naast het land, gepolijst en ruw, uitwaaierend en ingedikt, mooi en lelijk, smerig en gewassen; kortom een wereldstad. Maar een wereldstad met havenstedelijke, wereldgrote problemen zoals drugshandel en drugsgerelateerde moordpartijen. Op onze laatste dag zien we een lange rij politiebussen staan aan Boulevard Canébière. Een week later lezen we dat  president Macron Marseille bezoekt i.v.m. la lutte contre la drogue.

En als we thuis zijn ruilen we de oranje beer voor het MUCEM in voor de witte ijsbeer voor het Groninger Museum; beide geslachtsdeelloos.

Marseille V

Je kiest een iconische Franse auto, een zilveren Citroën DS, zaagt die in tweeën, gooit het middendeel weg en last beide fragmenten weer aan elkaar. Opzienbarend werk van de Mexicaanse kunstenaar Gabriel Orozco. in het Musée d’Art Contemporain.

Maar eerst nog even dit: ons onderkomen ligt op de derde verdiepeing en heeft een luie trap die het gemak van een luie stoel heeft. Het voordeel van een door Moslims bewoonde wijk is dat dronkenschap niet voorkomt. Ons slaapritme benadert dat van thuis: van 22.00 – 07.00 uur. ’s Nachts is het doodstil en worden in alle rust de straten, grace à Allah, geveegd en gespoeld, ook de smalle voetgangerspassages.

Voor een Stadjer die af en toe met een prikstok papiertjes weghaalt is Marseille een behoorlijke omslag. In de armere binnenstad is milieubesef ver te zoeken. Mijn strakke waarden- en normenpatroon wordt op de proef gesteld als ik een vette dode rat in de straat zie. Een grote vuilniswagen rijdt voorbij. Etensresten op straat. Rattenoverlast in een tijd dat (ook in Marseille) de vaccinatiegraad onder kinderen schrikbarend daalt, is een slecht teken. En tegelijk beginnen we van de stad te houden als we neerstrijken op La Plaine of worden verwelkomd door een vlucht duiven op Cour Julien en een glaasje Orangina met een papieren rietje drinken.

Voor een stad met 2,2 miljoen inwoners heeft Marseille op modernekunstgebied minder te bieden dan je zou verwachten. Het schitterende museum  MUCEM aan het water nabij Le Vieux Port is gesloten, Cantini stelt weinig voor en het MAC heeft een karige vaste collectie.

L’Âme de Napoléon

In Musée Cantini (toegang gratis), een groot, statig herenhuis met drie verdiepingen is de kunst thematisch gerangschikt: portretten, kleur, abstract, enz. ideaal voor scholieren. In elke kleine zaal is een suppoost en dat heeft alles te maken met recente handtastelijkheid van bezoekers. In de vaste collectie ook veel fotografie. Mooiste werk: De ziel van Napoléon van André Masson.

Het MAC

Het MAC (Musée d’Art Contemporain, entree € 6,-) ligt in een buitenwijk. Het gebouw bestaat uit een zevental gepuntdakte zalen en biedt een keur aan moderne kunst. Voor het gebouw groeien bomen door het dak. Opvallendste werk is een Citroën DS, verkleind tot een twoseater. Verder een mechaniek van Tinguely, werk van Yves Klein, en César Baldaccini, van wie een in elkaar geperste oude Renault; oeps, twee auto’s die een verkleiningsproces hebben doorlopen, wat wil dat ons zeggen? Een interessante, enkele zalen beslaande, expositie is te zien van Marc Desgrandchamps.

Zowel Musée Cantini als het MAC worden, als wij er zijn, matig bezocht. Het aantal suppoosten overtreft het aantal bezoekers. Marseilles beroemdste ijsverkoper L’Elephant Rose heeft het, getuige de rijen op straat, aanmerkelijk drukker. ’s Avonds lees ik  over Rutger Bregmans nieuwste plannen.

Marseille IV

De zee naast de stad is een pre, voor een stad een cadeau. Wandelend langs de (inhammen van de) Middellandse Zee op een zonovergoten dag in Marseille, waardeer je factor 50. Terrasprijzen stijgen naarmate je het water nadert. Hier een villa, daar een onderkomen van het Vreemdelingenlegioen en op vlakke rotspartijen stoere bruine basten die als gehaktballen in vette jus liggen te bruinen of bezig zijn de pectoralis major aan te scherpen. Op rotspartijen naast het hoog opspattende zeewater zie je betrekkelijk veel yogaënde vrouwen, hetgeen je de vraag doet stellen wat mannen weerhoudt van yoga. In de stad langs lanen en op pleinen zie je in deze tijd op uitbotten staande bomen, vooral heel veel platanen, en soms vanuit muurspleten voorjaarsstruiken; hier en daar zie je een alles bedekkende lichtgroene waas of weerloze kleine knopjes die zelfs verstokte prozaïsten tot poëten maakt.

Wat verder opvalt in Marseille: er zijn geen snackbars, haring- of kibbelingwinkels, geen of weinig fietsenzaken, nauwelijks straatmuziek, weinig straatmeubilair, veel scooters en motoren, behoorlijk veel rotzooi op straat, een enkele dode rat, overvolle vuilniscontainers, geen Nederlandse toeristen, veel Romavrouwen met bedelende kinderen, heel veel soms hard rijdende steps, zebra’s die minder heilig zijn dan in Nederland, veel terrassen, geen elektrische bussen, en bijna alle huizen hebben luiken voor de ramen. Alle horeca- en winkelpersoneel spreekt wat Engels, maar dat Frankrijk de English Proficiency Index niet aanvoert (Frankrijk staat op 28, twee plaatsen boven Italië) is duidelijk. Maar prettig gedoseerde, licht geheimzinnige, Franse vrouwelijke glimlachen vergoeden veel.

Als ik een sculptuur van een hert zie moet ik even aan Andreas Blühm van het Groninger Museum denken, die, met de beste bedoelingen waarschijnlijk, een uitvergrote plassende ijsbeer exposeert. Beide beelden kunnen mensen smaakvol of smakeloos, mooi of lelijk vinden. De ijsbeer tovert een lach op kindergezichten; het hert maakt mensen nieuwsgierig en stimuleert denken en vragen.

Maarten ’t Hart 30 ‘De nagapers’ (1986)

Een van de verhalen uit ‘De unster’ werd uitgegeven als klein boekje (10 x 12 cms) voor Nederlandse lezerskring Boek en Plaat, een verzendhuis voor winkelmijders uit de vorige eeuw die af en toe een boek of plaat op de deurmat wilden ontvangen.  ’t Hart steekt de gek aan met de maatschappelijke elite: dominees, dokters, notarissen en advocaten die naar een lezing komen omdat ze lid van een Leids clubje zijn en die de wereld van plantsoenarbeiders en doodgravers niet kennen en meer aandacht voor uiterlijke formaliteiten hebben en het uitgebreide met alcohol overgoten diner dan voor inhoudelijke zaken.

Jongmens ’t Hart en niet een professor, lector of wetenschappelijk hoofdmedewerker verzorgt de 26-novemberherdenkingslezing, waarvoor hij een collegedictaat over ethologie gebruikt. Er gaat van alles mis bij het afhalen van ’t Hart die wel een academisch ogende tas bij zich heeft maar niet als spreker wordt herkend en daarna ontstaan er spraakverwarringen over het voor de gasten onbegrijpelijke woord ‘ethologie’. Humor van een hoge plank.

’t Hart grossiert in humoristische clichés en vooroordelen: omdat er bij vrouwen minder dwang is, studeren ze minder vaak af, dametjes weten niet wat ethologie is maar praten graag over poezen, de Leidse oud-studenten lezen de Telegraaf en houden niet van lange lezingen maar wel van drinken en lang tafelen, de burgemeester van Woudenkop die in de oorlog fout is geweest en misverstanden over wat dood zijn precies inhoudt. Soms wordt een sneer uitgedeeld, bijvoorbeeld naar het behaviourisme dat menselijk gedrag beschouwt als het resultaat van conditionering, enz.

Als ’t Hart een dia van een gapende stekelbaars laat zien, gaat iedereen in de gaapmodus en valt in slaap (één persoon met open ogen) voordat de lezing voorbij is.

Marseille III

Van oorsprong katholieke Franse steden worden vaak gedomineerd door aan deze religie verbonden gebouwen, vaak mastodonten, die ongegeneerd de openbare ruimte opeisen, als carnavalswagens op industrieterreinen. Ook Marseille kent enkele fikse katholieke jongens, zoals de grote La Major kathedraal, de basiliek Notre-Dame de la Garde en meer. Ook zijn er het straatbeeld bepalende moskeeën, zij het bescheidener en miniaturen vergeleken met de roomse bouwwerken. Moskeeën als de Arrahma, de Mariam en de Mosquéé Islâh zijn veel nieuwer dan de roomse broeders. Een interessant verschijnsel is wat ik de huiskamermoskee noem: in oude wijken zoal Noailles zie je een tot minaretloze moskee omgekat voormalig winkelpand waar de mannen gezellig wat bij elkaar komen – vrouwen zie je er nooit – om te bidden en de stand van Olympique de Marseille door te nemen.

Straten in de binnenstad mogen smal zijn, de voetgangers wordt een veilige wandelroute van zeker een meter breed geboden door beschermende stalen hekken en palen. Werkt perfect. De fiets zit nog wat in de verdrukking, die krijgt op zijn hoogste een smalle groene baan die vaak versperd is door bezorgauto’s; daar is nog veel te halen. (Race)fietszaken kom je in de binnenstad niet tegen. De metro heeft twee lijnen, die, vanwege een ingenieus bochtenwerk, de stad goed doorkruisen. Grote auto’s mijden maar liever de binnenstedelijke routes. Hoewel er in de binnenstad wel wordt gebouwd en gerenoveerd is er nog heel veel te doen. Heel veel straten zijn voorzien van verzinkbare stalen bolders. Niet voorbereide chauffeurs zie je vaak met de foon in de hand, paniekerig voorovergebogen en met een leger toeteraars achter zich overleggen met ambtenaren die aan de knoppen zitten, opdat Sesam zich opent.

Aan de kopse kant van Le Vieux Port is een schitterend kunstwerk: een spiegelende dakconstructie. Verder is er heus wel straatkunst maar niet overdadig veel.