Vierde, herziene druk. Met één wandel- en vier fietsroutes. Voor de leesgrage hobbyfietser een mooi boek. En een eyeopener. Die brave plattelandsprovincie met de vetste klei, dat mooie accent en de op één na mooiste regiotaal, ontpopte zich als een vuige grootverdiener aan de handel in mensen. Gefortuneerde Groningers hadden ook privé tot slaaf gemaakten. Die waren bediende, deden zwaar werk en waren een bezienswaardig statussymbool. Een uitstapje naar Museum Het Loo in Apeldoorn leert dat tot op vandaag sommige musea de geschiedenis zonder nadere toelichting schaamteloos tonen.
Kijk, deze kant van de stad Groningen, de Pekela’s en meer specifiek Reitemakersrijge, misschien de fijnste en zeker de mooiste straat in Groningens centrum, kende ik nog niet. Ons brave buurtje lag aan de rand van de wijk waar optimaal werd geprofiteerd van de slavenhandel: Reitemakersrijge heette West-Indische Opslag. Geografisch ver van bekende, notoire slavenhandelprofiteurs als Vlissingen, Amsterdam, Middelburg, Den Haag en Veere wisten de kooplieden, investeerder en bestuurders, zeg maar de Groninger elite wat goed voor haar was: verdienen aan tot slaaf gemaakten.
Dr. Lieuwe Jongsma wrijft het zijn toehoorders bij zijn lezing op 25 februari in het Museum aan de A er nog maar een keer in. Van de 24 prachtige borgen zijn er maar liefst 21 die op de een of andere manier zijn verbonden aan de mensenhandel. In Stad waren het de scheepswerven, verkopers van levensmiddelen, bierbrouwers en smederijen die floreerden door de slavenhandel. Een aparte categorie bedrijven was die van de banken en verzekeringsmaatschappijen. Ook academici profiteerden van de multinationale business en dan te bedenken dat ook toen al anti-slavernijbewegingen opkwamen, zowel met een liberale als christelijke signatuur. Afschaffen moest echter wel gecompenseerd worden. In 1863 liep dat op tot 10% van de rijksuitgaven. Bevrijde slaven mochten nog 10 jaar voor een hongerloontje op de plantages blijven werken.
Alleen al de wandeling door Stad levert een schat aan sporen van de WIC en verbindingsdraden met de slavenhandel: het academiegebouw aan de Broerestraat, Petrus Camper, Woortman, herenhuizen aan de Oude Boteringestraat, de Harmonie, het Universiteitsmuseum, de Nieuwe Kerk, het doveninstituut aan het Guyotplein en ga zo maar door. De Martinikerk, het Feithhuis, het Sichtermanhuis, enz. enz. Het Stadhuis, hotel De Doelen.


Het boek begint en eindigt met een topografische proloog, resp. epiloog waarin de veranderingen, incl. saneringen, van het plaatsje dat nergens Maassluis wordt genoemd, worden geschetst in de jaren vijftig. De steile helling is èn een nabij de haven gelegen helling èn de snel verglijdende steile helling van de tijd en het verschil tussen hoog en laag aan de dijk, de uitvergrote standsverschillen die we nu bubbels zouden noemen.
Over de Werkmanbrug fietsend zie ik op de plek waar doorgaans Riepeverkopers hun omzet bespreken, wat mensen staan. Ik wil doorfietsen, maar bedenk me. Navalny, denk ik. Even kijken. Als ik mijn Gazelle draai ontwaar ik een groepje televisiemedewerkers. Ik zie een plopkap met Oog-TV. Ja, er zijn mensen die naar Oog-TV kijken, merk ik na afloop.
Hoofdpersonage in de twaalf van redelijke, mooie via prachtige naar schitterende verhalen, met als centrale thema: geestelijk en fysiek ongemak en nog wat omwegen, is (de jonge) Maarten.
Hersenen, bladnerven, fijnmazige bloedvatsystemen, uitgeplozen kabeltouw: zeg ’t maar. De expositie Ciclotrama van Janaina Mello Landini in de Akerk daagt je uit tot het stellen van vragen en boeit tot de laatste draad. Wat zien we hier? In het koor hangt Floating, een enorm groot crèmekleurig doek, wat van het witte af, met naar beneden bungelende uitlopers, knotten, kwasten. Aan de muren ontwaren we uitgeplozen touw, soms spannend van kleur verschietend. Textiel in veelvormige presentaties.
Twee weken verbleef Landini in Groningen. Twee Braziliaanse assistenten en een keur aan A-kerkvrijwilligers en Minervastudenten stonden haar bij. En precies dat, samen met een groep gelijkgestemden een imposant kunstwerk maken dat de rauwe dagelijksheid verre overstijgt, is Landini’s kracht. En die van Groninger Kerken, die het op basis van selectie op afstand, via de algoritmen van Instagram, aandurfde de kunstenares te contracteren.
Een diermonografie. In de serie ‘Dieren dichterbij’ verschijnt in 1978 als het achtste deel ’t Harts bijdrage over de stekelbaars, één van de best onderzochte, meest raadselachtige vissen. ’t Hart focust zich op de ethologische aspecten van de driedoornige stekelbaars. Hoewel het geen studieboek is, wordt er weinig onbesproken gelaten: uiterlijk, evolutie, levenscyclus, seksualiteit en voortplanting, soorten… Ongelooflijk eigenlijk: meer dan veertig jaar bestuderen Leidse biologen het gedrag van dit visje. Werkelijk alles wordt beschreven, en met fraaie illustraties toegelicht. Stel je even voor: een lab met talloze aquaria met daarvoor biologen in opperste concentratie de gedragingen turvend en afvinkend. Daarbij maken ze gebruik van een ethogram: alle vertoonde gedragingen worden beschreven, geprotocolleerd in steekwoorden. 

Eindelijk weer eens een (autobiografische) roman (of novelle) van ’t Hart, een sleutelroman ook nog¹. Melchior, de ik-persoon, auteur van ‘Een koppel braamsluipers’, maakt bij een redactievergadering in van de krant (in Amsterdam) kennis met een aantal redactieleden, o.a. met Fred(erik) Koudvuur. Fred is iemand die overal commentaar op heeft en graag zichzelf hoort praten. De persoon Fred wordt door ’t Hart uitvergroot beschreven als een pietlut, een klager, overdrijver, opschepper, kortom een non-valeur eersteklas.
PERSBERICHT:
Na afloop van het muziekevenement EuroSonicNoorderSlag in Groningen wordt de popprijs uitgereikt aan Joost Klein. Nog nooit van gehoord. Totdat ik erachter kom dat hij enkele weken eerder gepresenteerd was als Nederlands deelnemer aan het Eurovisie Songfestival. Aha, die. In krantenartikelen wordt geschreven dat Klein openhartig zingt en schrijft over mentale tegenslagen en sombertes. Niet doorsnee en alledaags, voor mij interessetriggers.

Met als werktitel ‘Hister komt Goud’, wonen we een bijzondere muziekavond in het Aa-Theater bij op 3 februari 2024. Het programma biedt minder Gronings dat de titel doet vermoeden. Hister (betekenis: zenuwachtig, opgewonden) zingt in het Gronings, Fred Goverde gewoon in het Nederlands en Traumahelikopter (waarschijnlijk) in het Nederlands en Engels.
(componist, zanger) Arnold Veeman en (gitarist, zanger) Fred Goverde en er ontstaat een gesprek dat de achtergronden van de muziekmakers toelicht. Zouden meer concerten mee moeten beginnen. Het gesprek waaiert alle kanten op, van Vivaldi’s oprotmuziek tot Michels verzoek aan Arnold en Fred een nummer voor Hister te componeren.
Dan de gevoelige, duidelijk te volgen teksten van gitarist/zanger Fred. Zijn gedachtewereld opent vergezichten. We horen tekstflarden als ‘ik wil niet dat de Beatles in de hel zijn’, en ‘ik wil genieten van de bloei van mijn leven, maar ik heb er geen tijd voor’. De zaal gaat uit zijn dak als ze een schitterend refrein mogen meezingen. Om het feministisch angehauchte publiek niet tegen de haren in te strijken licht hij de tekst ‘luister huismus, straatkat, kutwijf, luister; je mag best weten dat ik nooit aan je denk’ wat toe. Conclusie: onderschat nooit jongemannenleed.