Maarten ’t Hart 44 ‘Het dovemansorendieet’ 2007

Heel bijzonder. Veelschrijver ’t Hart die begin deze eeuw meegaat in de dieetcultus. Dat doet hij goed. Natuurlijk overdrijft hij bij vlagen lekker. t Hart, 80, 185 m, 76 kg noemt zichzelf graatmager. Tegenwoordig heet dit gewoon een goedgroen BMI.

Een frisse, dwarse, ongebruikelijke, eigenzinnige kijk op alles wat met eten, drinken, lozen en ontlasten te maken heeft en dat is het. Zijn lijfspreuk: je mag overal in bijten zo lang je er van kan schijten. ’Het boek is gelardeerd met recepten. Hij concludeert dat wat je eet en drinkt een veel groter effect op je gewicht heeft dan (veel) bewegen. Heel af en toe glijdt de auteur uit de bocht, daar waar hij neerbuigend doet over lagere opleidingen dan hijzelf heeft genoten

’t Hart beschrijft eerlijk de tot snot gekookte groente van zijn moeder en de eenvoudige keuken, prikt in ballonnen van waterdrinkersgoeroes en propageert het vegetarisme en het eten van ongesneden brood, mits met mate.

’t Hart gaat uitgebreid in om een aantal themata uit de vermagerings- en voedsellectuur.

  • Op gefermenteerde melk (yoghurt) na, is er weinig goeds te melden over zuivel. In één moeite door: eieren (menstruatieproducten genoemd) kunnen onbelemmerd worden gegeten.
  • De misvatting dat koolsoorten, incl. broccoli, bescherming tegen kanker bieden, berust op een misvatting.
  • (Kweek)vis gaat ten onder aan een scala aan giffen.
  • Worsten en gehakt zijn de afvalbak van slagers, dus vermijd die.
  • Corpulentie door de eeuwen heen en rechtlijnige, parabolische en hyperbolische gewichtstoename.
  • De vervettingsoorzaak van drank en de vraag waarom bokken nauwelijks overgewicht krijgen.
  • Een opmerkelijke suggestie: niets pleit ertegen om zwaarlijvigheid tegen te gaan met (lint)wormen.
  • Een wetenschappelijk sausje: de glycemische index.
  • De constatering dat boeken over lijnen nooit gaan over transpireren, urineren en defeceren wordt aangegrepen voor een heel hf over zweet, pies en kak en per groente- of fruitsoort wordt de laxerende werking genoemd.
  • Een heel hoofdstuk over peulvruchten, de hoeksteen van het Dovemansorendieet en één over zetmeel en onbekende granen.
  • Dan nog een jeugdverhaal over de kunst van patat bakken en de overvloed in supermarkten, een lijdensverhaal over gymnastiek en de terreur van getallen en de schadelijkheid van alcohol.

Aan het eind van het boek een lijst aanbevolen en te vermijden producten.

Groningen – Maastricht

19 juli 2024. Woorden als ‘bizar’, íconisch’ en ‘episch’ ken ik niet. Het wordt een bijzondere rit. Mijn fietsmaat noemt het op Strava: ‘Morning ride met Klaas’. om 02.45 opstaan en rijden om 04.10.  Ruim 2 kgs in de rugzak. Het worden 339,91 kms. Nog wat data: beweegtijd 12.36 uur. Verstreken tijd 16,54. Gemiddelde snelheid 27. Hoogteverschil 973 m. Maximale snelheid 51,4.

Het eerste kwart gaat in uptempo, gemiddeld boven de 30/u. Lege, vlakke fietspaden, frisse ochtend, ik geniet. De tijden calculerend vraag ik me af wat we vanmiddag in Maastricht gaan doen. We stoppen in het haventje van Zwartsluis. Ik eet zoveel als ik maar kan.

Het tweede kwart begint stroefjes met omleidingen in Zwolle. In Hattemerbroek spot ik een nieuwe duiventil, wow wat een mooi ding. De Veluwe en Google moeten nog eens nader kennismaken. We berijden grintweggetjes en zelfs een keer een karrenspoor door een met hoog gras begroeid pad. We maken elkaar wijs een wolf te willen spotten. Dan een schitterend gelegen fietspad richting Apeldoorn, aangelegd door een fietsers negerende  overheid. Bij elke (misschien 30?) kruising moet het fietsende verkeer voorrang verlenen aan de boerenkar. Dan langs Het Loo in Apeldoorn. De bible-belt heeft moeite met racefietsers en Keti-Koti. Ruilden Arnhem en Apeldoorn een poosje van burgemeester dan zou Marcouch wel raad weten met de bijzondere expositie van de geschiedenis van de tot-slaaf-gemaakten daro. Koffie, appelpunt en nieuw water in Beekbergen, we worden bekeken door een etalage vol tweedehands nieuwsgierige etalagepoppen.

Het is heerlijk fietsweer, wolken en warm. In Nijmegen alom fietsers met schuin afgesneden gladiolen onder de snelbinder. Bij Mees uitgebreid, heerlijk geluncht met pastasalade en gemberwater. De stad wordt ingenomen door wandelaars die vanwege een fikse route-inkorting niet weten wat ze met de extra vrije tijd moeten doen. De heuveltjes richting Groesbeek eisen hun tol. Ik word gesloopt. Mark glimlacht en heet vanaf nu Poga.

We laten de routeplanning met nog maar één stop in Someren los en pauzeren naar behoefte. Nu ontstaat het verschil tussen beweeg- en verstreken tijd. We consumeren wat af: droge bolletjes met mayo, scharrelkippensoep, en op elk terras voor mij tonic/spa/radler. Maar één keer vraag ik me af of ik het zal redden. Kristusziele, dit is dus lijden. De gemiddelde snelheid daalt als peilingen van de NSC, en rugpijn komt op. Mis ik mijn ligstuur? Ik tel pijntjes. Ik had natuurlijk ook nooit moeten opscheppen dat mijn zitvlakhuid gelooid en gehard is als die van de gemiddelde Portugese stoephoer die 24/7 Nederlandse toeristen afwerkt. Rustig pedaleren we verder en ik herstel gaandeweg.

Om 21.00 uur Maastricht. De hosteleigenaar weet niet wat hij hoort. Gratis bier en vegabitterballen van het huis. We eten op een terras in de stad om 22.00 uur. Dan nog langs het Vrijthof waar Händels ‘Hallelujah’ weerkaatst tegen de middeleeuwse bebouwing. Geweldig. De Springsteen van de populaire klassieke muziek doet zijn best en bezorgt me kippenvel.

Tijdens de terugreis op zaterdag groeit mijn respect voor de NS per uur. Weliswaar zijn we van 11.00 – 19.00 uur onderweg (vergelijk dat eens met onze fietstijd), maar we begrijpen heel goed dat onze fietsjes niet bestand zijn tegen de bagagecompartimenten van ingelaste bussen. Treinen houden van fietsen. Overal ruimte voor Giant TCR en de (Iconic is never an accident) Roadmachine 01 BMC. En thuis een heerlijke warme hap, ‘witte bonen met prei, dat kan er ook nog wel bij.’

Journaal week 29, Groningen – Maastricht,

ZONDAG Hoe reageert mijn omgeving op ons plan naar Maastricht te fietsen op één dag? Van vijf of zes kanten kreeg ik het welgemeende advies meer te drinken, dat zou kramp tegengaan. Supplementadepten zweren bij magnesium. Voorbij jaloezie kijkend zijn de reacties vooraf: in het algemeen goedbedoeld(e adviezen), licht kritische (waarom zou je dit willen?), positieve (spannend, mooie uitdaging) tot zuinige (zwijgende) commentaren. Tenslotte: als natuurfietser ben ik niet het archetype van de racefietser, wel van de op veiligheid gefixeerde: van hard rijden in grote groepen moet ik niets hebben en ik ben een vurig pleitbezorger van verplicht handschoenen dragen en natuurlijk een spiegeltje in de linker beugel.

MAANDAG Met mijn ploegleider bespreek ik de route en of we naar of vanuit Maastricht rijden. De wandelvierdaagse in Nijmegen maakt de vrijdagse route zeker 10 kms langer want we gaan Nijmegen oostelijk ronden. Het plan luidt: Groningen – Meppel – Apeldoorn – Nijmegen – Someren – Maastricht. Mijn grootste zorg is Marks tempo. Meer dan ik aan hem moet hij zich aan mij aanpassen. De wind is niet supergunstig op vrijdag.

DINSDAG Fietsenmaker Dik prepareert Giant. Ze krijgt d’r tweede servicebeurtje met extra aandacht voor haar bandjes. Ik schrik als ik hoor van de val van broer II en word wat onrustig. Hij komt er met een blauwe bil nog genadig vanaf. Ik troost ‘m met een liedje van de Blaubilgorgel van Buddingh’. Het risico van een ongelukje calculeer ik, zij het met moeite, in. Een matineuze (zw)erfkat tussen de spaken om 04.30 uur voorbij Assen kunnen we wel missen natuurlijk. Vrouw I, nog herstellende van een heupfractuur na een val zegt toe in geval van nood tot Deventer als ophaalservice te willen fungeren. De schat. Ze heeft megaveel vertrouwen in een goede afloop.

WOENSDAG Terwijl ik me voorbereid op de mentale en fysieke inspanning maken sommige mensen in mijn omgeving er een existentialistische queeste van. Ik onderzoek mijn grenzen en wil nagaan of een jaar lang wekelijks een boek (her)lezen van (heel lang één van mijn favo auteurs, maar de laatste jaren teruggezakt naar de onderste regionen van mijn top-tien) Maarten ’t Hart louter plezier of een opgave is. Of na enkele maanden wat extra trainen een fietsrit van 325 kms voor mij als topfitte 68-jarige te doen is. Het is voor mij een dag plezier die stevige herinneringen oplevert, ook als het niet lukt. Ik wil mezelf (en mijn omgeving) nog beter leren kennen. En tot troost voor de vragenstellers: niet alles is te begrijpen. Sommige (hermetische) poëzie, abstracte beeldende kunst, onbekende (klassieke en ultra-moderne) muziek, er zijn hoofdstukken die voor altijd gesloten zullen blijven. Dat is precies de reden waarom fietsers – lees ‘Mythische fietstochten in Europa’ – gek zijn op onalledaagse tochten.

DONDERDAG In de rugzak prop ik 2kgs aan ballast. Dan voor onderweg nog 2 bananen, 6 40-grams repen, en 2 bidons.

Naar André Rieu

De oudjes doen het goed. Springsteen in zijn afgedragen kloffie in Amsterdam, Rieu met de kleurige, wijdejurkenparade in Maastricht. Maar Rieu zit ons dwars: wij willen naar of vanuit Maastricht fietsen als André er concerteert waardoor alle hotels mudvol zitten. Nog een probleem: de fiets moet als het effe kan mee op de kamer. Is juli de goede maand?

Mijn fietsdoelen zijn ASML-koersen: ze stijgen gestaag. Mijn benen als whisky: met de jaren beter. De wat langere fietsroutes beklijven het beste en zorgen voor mooie herinneringen. Eind vorige eeuw fietsten we op zondagmorgen vanuit Sleen naar waar de wind ons bracht. Zoons Maarten en Mees op kinderfietsen van André Janszen en ik op mijn Gazelle. En dan uitkomen in Valthermond, De Krim of Westerbork waar we in een snackbar het adres naar huis doorbelden om opgehaald te worden. Of na de fietsvierdaagse alle routes nog een keer op één zaterdag doen. Met Maarten en/of Mees de elfstedentocht rijden, op één dag of verdeeld over drie, het Pieterpad zuid noord of Maastricht Doetinchem. In 2023 met Inge Passau – Wenen langs de inspirerende Donau.

Nu dus – met ploegleider Mark – op naar de stad van Rieu op het Vrijthof. ‘Nee, gezonde spanning,’ zeggen sporters als je vraagt of ze voor de finale zenuwachtig zijn. Niet eerder fietste ik op één dag 325 kms. Wel 225. Soms, mijn eerste winterfietselfstedentocht met Frans (2020), zelfs onder barre weersomstandigheden. Die met Mark (2022) was al bijna voorjaarsachtig en die in 2023 met Michel was moeilijk met extreem harde wind. Nu dus een 325-er. Ik heb het -net als maaien met de zeis- nog nooit gedaan, dus denk ik dat ik het wel kan.

Hierbij vergeleken vallen de kortere routes met Rob, Willy, Frans, Mark, Ammer, Ritske en Henk, de Noordenveld-rit, de Oldambt- of Reitdieproute, de Bouke-Mollema-tocht, de Gouden-Pijl-route, qua zwaarte en intensiteit in het niet: gezellige Spielerei. In de voorbereiding tufte ik al eens 200 bij 28°. Buienradar voorspelt een westenwind kracht 2. We knippen de 325 in vijven: 75, 60, 60, 60 en 70 kms. Drie pauzes van 30 minuten, één van een uur. Vandaag een laatste training, een rondje Zoutkamp, Hornhuizen, Pieterburen met 1,8 kg bagage in een rugzakje. Ik imagineer/visualiseer de eerste etappe Limburgwaarts en zie zuuurstokroze jurken van Rieus zangeressen in de verte.

Maarten ’t Hart 43 ‘Het psalmenoproer’ (2006)

Een zeer interessante historische roman, beginnend in 1739. De beschreven problemen voeren ons naar nu. Kerkelijke ultra’s hebben moeite met het loslaten van Datheens langzame muzieknoten en komen in opstand. En passant ventileren ze als gele-hesjes avant la lettre andere maatschappelijke grieven. Vissers krijgen moeilijke tijden omdat de haringvangsten op en neer gaan.

Hoofdpersoon Roemer trouwt tegen zijn zin met een onder de rokken stinkende Diderica Croockewerff aan wie hij wordt gekoppeld door beider ouders die in hem graag een reder van vier schuiten zien. Maar Roemer raakt in de ban van de lekker ruikende roodharige Anna. Roemer is bevriend met Thade, zoon van schoolmeester Spanjaard. Diderica is fysiek zo afstotelijk is dat van nageslachtproductie, het consumeren van het huwelijk, geen sprake kan zijn. Het komt wel tot vleselijke conversatie als hij Anna bij de dijk tegenkomt. Uit deze ontmoeting komt Gilles voort. ‘t Hart heeft zich de taal van de 18e eeuw eigen gemaakt, deels onder invloed van het Frans. Op één blz. lezen we: bisbilles (gekibbel), pericliterend (in gevaar brengend), troubles preveniëren (voorkomen) en bannissement (verbanning).

Acht jaar later is er een discussie over de melodieën van kerkliederen. Zingen volgens Datheen dreigt te worden ingeruild voor ritmisch. De haringopbrengsten staan onder druk en Roemer bepleit in Den Haag betere prijzen. In een hotel onderweg hoort hij een musicerend kind dat Moot Sart heet spelen. Van Anna hoort hij dat zijn zoon dwars en ongemakkelijk is: linkshandig en ongeschikt voor de visserij?

Zeven jaar later. Nog steeds is er veel gedoe over de kerkelijke muziek en de problemen in de haringvisserij. De jongeren in Maassluis worden recalcitrant en verstoren kerkdiensten waar te snel wordt gezongen. Ook de zoon van Roemer, Gilles Heldenwier, laat zich gelden. Later, bij wassend water, dreigt het stadje onder water te lopen. Er wordt gemompeld dat het een straffe Gods is. Twee jongemannen, waaronder Gilles, hakken de masten om om schade te voorkomen. De boten zijn daarna zo goed als onbruikbaar. En Roemer, wiens verdiensten toch al onder druk staan, raakt twee vissersboten kwijt.

In een vergadering wort voorgesteld te gaan zingen op gemiddelde tonen, maar de woede van tegenstanders neemt niet af. Er ontstaat een psalmenoproer waarbij voorstanders van de korte noten worden aangevallen. Roemers eiken voordeur wordt door Gilles aangevallen. Op een bepaald moment zijn er 200 activisten die zich agressief teweerstellen tegen de snelle noten. Ook lees je dat het ook om andere zaken gaat. De vergelijking met onze gelehesjesactivisten dringt zich op. De onvrede gaat onverminderd door, nu zijn er 500 ontevredenen. De schouten en schepenen gaan klagen bij de baljuw in Delft. Vanwege deelname aan ordeverstoring wordt Gilles voor 12 jaar verbannen. Roemer wordt burgemeester en neemt Anna in huis als huishoudster, maar de relatie met zoon Gilles verbetert niet.

Luthers Bach Ensemble in de Akerk met Bach en Händel

Heerlijk, een concert dat nog geen uur duurt. We luisteren naar muziek van J. S. Bach en G. F. Händel (in het programma ook Handel en Hendel genoemd). Elf sponsoren maken deze avond mogelijk. Zoals bij veel vermaak is het voorspel van belang. Dat begint buiten op straat al met schitterende fotografie over het onderwerp ‘queer’, een visuele liefdesbrief aan de veerkracht van queer mensen. Niets verbloemend, informatief, duidelijk en vaak vrolijk. Voordat we naar binnen mogen voedert een senior enkele ongeduldige doffers en duivinnen die tegenwicht bieden aan jonge brutale kraaien.

Binnen staan de blauwe stoelen klaar. Organist Bronda warmt ons op met muziek van Bach op de grand-old lady, de majestueuze Schnitger. Behandel haar voorzichtig jongen, houd haar heel, denk ik nog. Er volgt aarzelend applaus. Dat is de makke van klassieke muziek, je weet nooit wanneer je mag applaudisseren, je zou de concentratie eens verstoren. In de kerk worden we enkele eeuwen teruggeworpen. Het contrast met buiten is immens.

We luisteren met veel genoegen naar countertenor Van Laar. Ik neem me voor hem niet te vergelijken met Andreas Scholl. Van Laar stelt niet teleur, wow, wat een zanger zeg. Misschien soms nog wat te ingehouden? De bijgeleverde teksten leiden wat af. Waarom zou je het Italiaanse ‘Ma dove andrò? (‘Maar waar zal ik <naartoe> gaan?’) vertalen als ‘omdraaien, (af)buigen’, het Engelse ‘turn’? In het koor zien we één zanger (en niet de jongste van de groep) met een tablet i.p.v. de oude, stoffige multomap.

Luisteraars die op tekstinhoud zijn gespitst hebben een taai uurtje.  Gek, een deel van de teksten is in het Engels, een ander deel in het Nederlands vertaald. De teksten verraden de herkomstregio. Het is al moord, doodslag en andere wreedheden wat de klok slaat. Je vraagt je af hoe lang het duurt voordat het LBE het aandurft eens wat te vloeken in de kerk en hedendaagse tekstschrijvers, nee ik zeg nog niet rappers, loslaat op de muziek van Händel. Welk effect zou dat, mits goed gesocialmediaad, op de publiekssamenstelling kunnen hebben?

Na de twee aria’s met Van Laar, het pièce de résistance: het mooie Dixit Dominus. Zo goed als onverstaanbaar maar des te prachtiger gezongen en gespeeld. De in antiek-zwart gestoken junioren van het Prins Claus Conservatorium schitteren als de door de raampjes kierende zon of de jurken vandaag op het Haagse bordes. Dirigent Bronda gesticuleert wat, maar of ze hem nodig hebben? En dan die (gaaap) teksten. Naast de gebruikelijke verdelgingen, verplette hoofden, vijanden die tot voetenbank worden gemaakt (!), deze keer wat soft porno (ex utero, ante luciferum, genui te). Ante luciferum, toe maar weer. Amen.

Maarten ’t Hart 42 ‘Lotte Weeda’ (2004)

Een mooi dorpsverhaal, met wat ’t Hartiaanse humor, om de bladzijde een kat naar de katholieken, ouderemannengeilheid en zelfs brute seks. In het dorp Monward maakt Molly een schilderij van De Bioloog. Hij poseert naakt als Lotte langskomt. Zij wil een fotoboek maken van 200 dorpsgenoten. Allerlei typische dorpsfiguren komen voorbij. Een aantrekkelijk predikantje, een kapster/kapper met Somalische roots, een gravin en haar man (bij wie de bioloog een scheltopoesik vangt), enz. Gravins echtgenoot krijgt wanen, hij meent dat zijn kinderen niet door hem maar door andere mannen zijn verwekt. Gravin stort haar hart uit bij De Bioloog.

Dit probleem wordt via de broer van de Graaf opgelost, hij laat DNA-tests maken. Naast DNA komen er meer moderniteiten voor: ’t Hart gebruikt een e-mailadres, er zijn zonnepanelen en Viagra, guldens zijn Euro’s geworden, Easy jet en andere vliegers verstoren de nachtelijke rust en het is het jaar van de GKZ en later de vogelpest die leidt tot het op grote schaal ruimen van vee en vogels, een werkwoord dat met afkeuring wordt gebruikt.

Het fotoboek met 200 dorpsbewoners is af en de fotograaf en de hoofdpersoon (die het voorwoord schreef) signeren. Er wordt flink geroddeld over de afgebeelden en degenen dier er niet in staan. Na enige tijd beklaagt Taeke Gras (een Fries die ook Friese woorden gebruikt, soms middenin een zin) zich bij De Bioloog erover dat er inmiddels al tien van de gefotografeerde zijn overleden. Dit leidt alom tot speculatie. De tien worden 18 en De Bioloog besluit naar het dorp te gaan waar de fotografe eerder een boek met portretten maakte. Ook daar veel overledenen. De fotografe zelf is even van  de radar verdwenen, misschien naar Indonesië?

Ook is er een expositie van Molly die oudere mannen schilderde. Het portret van De Bioloog werd gelijk verkocht. Als er 48 gefotografeerden dood zijn wordt er een bijeenkomst georganiseerd voor de nog levenden.

Tussen de bijbel- en psalmcitaten door beschrijft ’t Hart enkele bijnadoodervaringen: één keer duvelt De Bioloog van de ladder met een kettingzaag in zijn handen die net naast ‘m terechtkomt en één keer rijdt hij met een taxichauffeur die een soort Russische roulette speelt met zijn taxi en zijn gast voorstelt mee te gaan spookrijden. Als de vogelpest om zich heen slaat biedt De Bioloog onderdak aan aan ganzen en een ooievaar. Ondertussen ontstaat het idee dat de fotografe samenspant met de plaatselijke nagelstyliste en dat partners van gefotografeerden worden gechanteerd

Straatmaker fietst 200 kms op een werkdag

Als een seniorstraatmaker een hele dag stenen kan bij elkaar zoeken, ze in een klaargelegd en strak getrokken zandbedje betasten, bekloppen, rafelige randjes weg kan zagen en bijvijlen en ze dan neervleien, iets wat algemeen als zwaar werk wordt beschouwd, waarom zou ik dan niet acht uren lang klassiekemuziekmelodietjes neuriënd mijn hobby kunnen uitoefenen? Beetje fietsen? Ik ben een straatmaker.

Ik bereid een 200 kilometer-route voor en begin, als de straatmaker, vroeg. De wekker staat op 04.00 zodat ik om 03.50 wakker word. Fietssokken, koffie, muesli, fruit. Extra water drinken na het tandenpoetsen. Water drinken zou helpen tegen kramp na afloop.

Bad Nieuweschans had ik al op mijn foon ingetoetst. Giant TCR Defy staat klaar in de gang, haar bandjes strak maar niet te. En dan gaan. Net voor Praedinius hoor ik de verrukkelijke Google-stem mij aansturen. Volumeknop op max. Een Doe-Maar-riedel overheerst de verlangde Ich bin vergnügt mit meinem Glücke-melodie van Bach. Ik glimlach.

Het is lekker fris. Vochtig. Om 04.55 jaag ik door Helpman en prijs me gelukkig met de zonnebril. Een beloftevolle zon kleurt rood. Mijn route heb ik gevierendeeld en ik wil na elk kwart een kwartier rust nemen, in Emmen een half uur. Door Oost-Groningen rijdend krijgt mijn politieke antenne een update als ik de idioot grote boerderijen zie en stel me de naar limitarisme en coöperatieve initiatieven als ‘Land van Ons’ en ‘Herenboeren’ hunkerende boerenkinderen voor die de school wel hebben afgemaakt. Ik probeer fietsend te plassen en minder vaart, beveel mijn blaas te ontspannen, rek mijn strakke fietsbroek wat op maar vrouwenstemmen en opwaaiende zomerjurken werken tegen.

Onderweg ontmoet ik een paar vitale, bruisende, sportieve, ouwe pikken; vrienden voor het leven. Ted in Emmen en Rob in Odoorn. We bespreken het leven, de Nederlands politiek en kleinigheden. Waarom het verkoelende thermische ondergoed de Nederlandselftalspelers toch niet kon redden. Zijn onze docenten Engels echt zo veel beter dan de Franse? Welke waarde hebben felicitaties op groepsapps? Waarom nazaten van good-old Salomon Levy net iets pregnanter hun afkeer kunnen uiten van de vrouwen vernederende Joodse orthodoxen die hun eigen zonen onder het mom van religiestudies uit het leger houden. De invloed van nature en nurture op antisemitisme en  rabiate Palestijnenhaat. De schitterende utopische ideeënwereld van Rutger Bregman.

Bij de Schilders eet ik vier plakken krentenwegge en dus duurt de pauze daar iets langer. In Odoorn voegt Rob zich bij me en hij houdt me tot Rolde uit de wind. De temperatuur stijgt tot boven 28°. Ik voel een nijpend zoutgebrek en stop bij een terras voor mosterdsoep, spa en Radler. Alles even in de blender en dan in een maatbeker van een liter, vindt de restaurateur een slecht plan. Rob doneert me nog zijn banaan. Na 200 kms ben ik moe, maar niet stikkapot, uitgewoond of dood. Het tempo is om en nabij de 26/h. Als een straatmaker die voor een bijzondere klus vier uurtjes gaat overwerken kijk ik uit naar de 330 Groningen – Maastricht.

Rob van Essen ‘Ik kom hier nog op terug’

Na 60 pagina’s lezen denk je: hoe presteert de auteur het om de gesjeesde filosofiestudent die bruggenschilder is geworden, Rob Hollander die gefascineerd is door G. B. J. Hiltermann en de moeder en zoon die Gods woord langs de deuren uitventen bij elkaar te brengen, totdat je je de titel weer realiseert: Ik kom hier nog op terug.

Heel lang begrijp ik de keus van de jury om dit boek de Libris Literatuurprijs 2024 toe te kennen, maar te lange verhandelingen over de tijdmachine en de teleporatie maken dat ik allengs wat afhaak.

Vrij- Nederland-medewerker Rob stelt zijn chef voor oud-filosofiestudenten uit de jaren 80 te traceren en te interviewen.

Het hernieuwde contact met Icks brengt hem per teletransporter (vanaf Schiphol) in een split-second naar L A,  Amerika. Er ontstaat een Star-Trek-achtige setting waar de vraag oprijst: waar en wie ben ik. Met gamesmiljonair Icks bekijkt Rob de films ‘The war of the worlds’ en ‘The Time Machine’. Rob ontmoet de ontwerper van de in de jaren 66 – 69 gedragen kleding.

Er wordt gesproken over geleende tijdlijnen en mogelijke andere toekomsten. Rob krijgt de taak een in het verleden begane vergissing te herstellen en hij komt uit bij Hiltermann die hij 1998 besluiteloos op een brug zag staan en die hij had willen helpen.

Er komen vijf pogingen, na elke waarvan hij terugkeert naar Icks. De 5e verloopt iets anders. Hij komt in een setting van tien mede-filosofiestudenten, alle gesjeesd en voorzien van een bijnaam. Ze stelen een oude bus en reizen als een groep oude hippies naar een klooster in Frankrijk. Het verhaal vertoont een mix van door elkaar lopende en met elkaar verbonden tijdlijnen. In Frankrijk gaan ze allen schrijven over hun relatie met Icks, waarbij Rob wordt gezien als de spil. Hier begint het boek te lijden aan traagheid; de lezer denkt dat wat in 100 pagina’s wordt geschetst ook in tien of 500 had kunnen gebeuren. Desalniettemin was ik steeds weer verbaasd hoe ogenschijnlijke kleine voorvallen uit het begin hier zonder een spoor van een vermoeden van onechtheid terug komen.

JOURNAAL week 25

ZONDAG, eilanden. Het eilandenboek van Adwin de Kluyver zet me aan het denken over mijn eigen eilandervaringen. Het uitdagende verlangen eilanden te bezoeken, doorgronden en veroveren, herken ik zeer. In een plantsoen in mijn geboortedorp was een minuscuul eilandje in de vijver. Varend op een wankel vlot veroverden wij het op de ongelovige honden van de openbare school en bezetten het. Wat een teleurstelling toen in een winter het halve dorp het eiland over het ijs kwam bezoeken, in onze ogen bezoedelen. Veel later, op vakantie in Poncin trok een eilandje in de Ain ons gezin als een gek. Met een rubberbootje trotseerden we de stroming en barbecueden er als ware Robinson Crusoes. Nog een eiland dat in onze familie bekend werd is Clare Island waaraan mijn (inmiddels overleden) oudste zus en (nog levende) zwager hun hart verpandden. Jaar in jaar uit bezochten ze dit in hun ogen magische, zo goed als onbewoonde, maar door schapen en hun onvermijdelijke aarsmaden overwoekerde, eiland, waar de tijd en alle erbij horende ontwikkelingen leken te hebben stilgestaan. Voor gewone vakantiestervelingen een godverlaten oord met een bevolking die uit een soort van wanhopige diabolische overlevingsstrategie had geleerd supergastvrij te zijn en die gastvrijheid leert te vermarkten. Na de scheiding bleef mijn zus het eiland bezoeken. Uit door De Kluyver genoemde bewonersaantallen moge blijken dat wijlen mijn zuster met zo’n zeven % van de mannelijke bevolking het bed of een bedstee of een hooizolder boven een schapenstal heeft gedeeld, een feit dat me met broederlijke trots vervult. Dat die trots breed wordt gedeeld blijkt uit het feit dat twee broers zusters as sacraal, liefdevol en ritueel hebben verstrooid op Clare Island onder het toeziend oog van veel  bewoners.

MAANDAG, Minerva I. We bezoeken vier van de dertien locaties van de Graduation Show en maken kennis met afgestudeerden. We spreken dan over hun, vaak wel, soms minder interessant, eindexamenwerk. Ook vraag ik stelselmatig: ‘En nu?’ De antwoorden: ‘Doorgaan op deze weg. ‘k Ga een gap-year doen. Proberen subsidies te krijgen. Wellicht werken in de evenementenbranche. Zelfstandig kunstenaar worden. Ik heb een parttime baan. Nog een opleiding volgen.’ Of ze denken een inkomen te kunnen krijgen en of Minerva ze heeft voorbereid op het thema financiën? Ik hoor: ‘Ik heb weinig geld nodig om te leven. Mijn vriend is bakker. Misschien het onderwijs in, maar de ROC-stage beviel me matig. Ik wil onafhankelijk worden van mijn ouders. Er zijn lessen gewijd aan hoe je subsidies of fondsen kunt verwerven (maar die lessen kon ik niet bijwonen)’. Als ervaren ansichtkaartenkopers en proberen we mooie kaarten te kopen. Bij twee van de drie is niet bekend (en na enig zoeken onvindbaar) wat ze kosten. Het van een wasmachine naar een zetel getransformeerde object was nog niet te koop.

DINSDAG Minerva II. Tegenover ons huis staat ineens een minimalistische ouderwetse groene schaftkeet, een tandemasser met halfzachte banden. Het contrast met het glazen parkeergaragetrappenhuisje van glas, beton en staal kan niet groter zijn. In de keet: artistieke, ingenieuze op duurzaamheid gerichte eyecatchers. Koos Buist exhibitioneert zijn afstudeerproject. Enkele t.v.-schermen tonen een in het licht van een nachtcamera actieve rat. Een wildcamera legt  kraaien, reeën, hazen en een graafmachine die een sloot graaft vast. Een laboratoriumopstelling voor de analyse van slootwater met microscopen. Topstuk is de ‘Deurbel voor het huis van de dode slak’. Trekkend aan een touwtje gaat een ingenieus radertjessysteem tergend langzaam draaien. Buist is behalve kunstenaar filmmaker en ontwerper van groene daktuinen, hij combineert kunst graag met natuur en educatie.

WOENSDAG, fietsen. Mijn fietsinspanningen beginnen vruchten af te werpen. Betrekkelijk gemakkelijk  doe ik een ritje met één caféstop te Dokkum: Groningen, Gerkesklooster, Kootstertille, De Westereen, Damwoude, Dokkum, Lauwersoog, Eemshaven (waar ik een selfie maak bij de 1500 ton zware, 100 m lange monopiles), Roodeschool, Ten Boer, Groningen: 174 kms. Gemiddeld 26,8/uur. Het ritueel na thuiskomst: de licht verstoorde vochthuishouding op peil brengen met een Radler\bietensap en rekken en strekken in bad. In beide benen schiet soms even een verrotgemene, pijnlijke kramp die weer verdwijnt door enkel aan masseur Yara te denken. De 55 kms lange streep van Lauwersoog naar de Eemshaven, die evenmin van lucifers nabij LNG-tanks als van fietsers houdt, was naast een fysieke ook een mentale beproeving.

VRIJDAG. Ik ken steeds meer mensen die denken dat Memphis de naam van een illegaal wedkantoor is. Ze zitten bij een concert van organist Leo van Doeselaar en fluitist Marten Root in de Lutherse kerk te G. Ik hoor werk van Bach dat ik niet kende. Als ik Bach zeg bedoel ik Johann Sebastian en niet Carl Philipp Emanuel die ook voorbij komt. Over het Zuiderdiep lopend volg ik een voetbalwedstrijd op tv’s in cafés. Thuis kijk ik nog even naar een uiterst vermakelijke uitzending van ‘Makkelijk Scoren’. Deze keer met Van Stekelenburg die zichzelf interviewt door voetballers meerkeuzevragen te stellen en zelf de antwoorden voorkauwt.