Maarten ’t Hart ‘De nakomer’ 36 (1996)

Deel I: ROEMER. ‘De nakomer’ begint in Groningen. De reden daarvoor lees ik in een interview van Frank van Dijl. ’t Hart kreeg de vraag waarom de plaats van handeling bij hem altijd Maasluis is. Vandaar nu eens Groningen en Drenthe. Volkskrantrecensent Arjan Peters sabelde destijds dit boek neer. ‘De nakomer’ dus, waarin Roemer (eigenlijk Simon) Minderhout wordt geboren als zoon van Neletta en Jacob. In 1918 wordt Jacob gemeentesecretaris in Anloo. In Anloo sterft Roemers vriend Coenraad nadat hij gif uit een bierflesje dronk. De rector van het gym uit Assen komt op huisbezoek nadat Roemer gezegd heeft dat God niet bestaat. Sieberig bewondert Roemer om zijn stoutmoedige vraag. In Gieten wordt Roemer belaagd door een groepje Drentse jongens dat hem ‘pak op pens’ wil geven. Apotheker oom Herbert lijkt het een goed plan als Roemer hem later zal opvolgen. Hij trakteert de Drenten op een ritje naar Stad en verkoopt de auto aan Jacob die er samen met Roemer mee naar concerten in Stad rijdt.Roemer raakt onder de indruk van de klassieke muziek. Hij gaat in Leiden wijsbegeerte en farmacie studeren. Hij wil zich verdiepen in het thema ‘jodenhaat’ maar wordt door zijn prof teruggefloten. Door verkeerd natronloog op te zuigen verliest R een deel van zijn tong.

DEEL II: DE NETTENBOETSTER. Het is 1939 in Maassluis waar Roemer net apotheker is geworden. Het wordt oorlog. De zoon van weduwe Vroombout wil, tegen betaling, vluchtelingen naar Engeland brengen. De boot wordt tot zinken gebracht maar de opvarenden overleven. Roemer bezoekt concerten in R’dam, samen met een Duitse militair. Een grote groep mannen uit het havenstadje sluit zich aan bij de geuzen. Later worden veel geëxecuteerd. Roemer wordt bezocht door een jonge vrouw, Hillegonda, die medicijnen moet hebben. In ruil speelt ze op de piano en zingt een Zweeds liedje. Later komt ze bij Roemer langs om chloroform te halen. Na een fosforbombardement gaat Roemer gewonden helpen. Hij is verliefd op Hillegonda. Zij brengt even later een nacht met hem door. Daarna probeert hij uit te vinden waar ze woont en belandt bij een gereformeerde vergadering over de kinderdoop. Roemer volgt de kerkstrijd op afstand. Op straat wordt hij hevig aangevallen door groepjes jongens.

DEEL III DE BESCHULDIGING Roemer is op leeftijd en wordt terminale thuiszorg aangeboden. Op straat wordt hij door motorrijders aangehouden: of 10.000 gulden betalen of ze maken bekend dat hij mensen in de oorlog heeft verraden. Later staat er een bericht in een regionaal krantje dat hij ooit een verzetsgroep zou hebben verraden wat leidde tot de executie van 8 man. Het artikel wordt uitgebreid herhaald in het Rotterdams Nieuwsblad, nu een paginagroot stuk en later op het Journaal. Roemer stort zijn hart uit bij Aäron bij wie hij schuilt. Er komen allerlei personen en situaties voorbij uit Roemers jeugd die duiden op verraad, terwijl de werkelijkheid anders is. Uiteindelijk lijkt het erop dat een dominee het verraad heeft gepleegd.

JOURNAAL WEEK 17

MAANDAG Lig je in het ziekenhuis dan worden kleinigheden belangrijk. Even WhatsAppen, een kaartje, een blommeke, een doosje brownies, een bezoekje, een kaarsje. Kortom wat aandacht. Ik heb een sterk geheugen als het op kaartjes aankomt. Op mijn twaalfde kreeg ik een kaart van de boer en boerin waar ik een groot deel van mijn vrije zaterdagen in mijn jeugd doorbracht. Op de kaart onnatuurlijk geel stro dat me als boerenknecht fascineerde. We waren een half jaar getrouwd toen wij een kaart kregen met een slome volgevreten dulle man, een supersexy vrouw en een pakkende leuke tekst. Afzender onbekend. Op mijn 66e een kaart met de gebroeders Klinkhamer van de Kameleon in één waarvan de afzender mij herkende. Sommige ansichtkaarten blijf ik me levenslang herinneren.

DINSDAG In ‘De nakomer’ van Maarten ’t Hart wordt geschreven over Stad. Hij beschrijft enkele straten/stegen die ik niet kende. Oeps. Ook interessant: de jonge hoofdpersoon wil ‘jodenhaat’ bestuderen. ’t Harts boek verscheen in 1996.

WOENSDAG Als wij gasten ontvangen kijk ik altijd even op straat of er ook vuilnis ligt. Vaak niet, maar zo ja, dan pak ik de prikstok en maak een rondje. Het schijnt dat er in Groningen 3.500 inwoners zijn die dat met regelmaat doen. Ooit in Marseille of Palermo geweest? Beide steden vergelijken met Groningen is kantje boord natuurlijk. De ruim drie keer grotere Siciliaanse stad hangt van frauduleuze maffiose door de katholieke kerk gedoogde praktijken aan elkaar, wat zich o.a. uit in de haperende vuilnisophaalmores. Marseille (vier keer groter dan Groningen) doet haar best het epitheton ‘bruut’ of ‘rauw’ eer aan te doen en heeft eeuwenlang vergeten zijn inwoners op te voeden. Maar dan (het veel kleinere) Groningen. De binnenstad van Groningen kent nauwelijks graffiti en is superschoon. Afgelopen week ontvingen wij van de buurtvereniging Het A-Kwartier het complete college van B & W. Na de lunch in dovencafé Luhu maakten we een wandeling door de wijk. De dag eraan voorafgaand zag ik iets meer bedrijvigheid van veegauto’s. Zaterdag is het koningsdag en op vrijdag wordt de straat en de stalen steiger naast de A even extra schoongemaakt. Ook Groningen doet het: krijg je gasten dan sloof je je wat extra uit.

DONDERDAG Lintjes en Koen Schuiling. VVD-burgemeester in het kneiterlinkse Groningen stampvoette schuimbekkend de longen uit zijn lijf toen hij constateerde dat de lintjescoördinatie in samenwerking met het middeleeuwse Kapittel voor civiele Orden, er weer niet in was geslaagd de old-boys-networks te doorbreken en inclusie was vergeten: slechts vier vrouwen en maar liefst 15 mannen. Één met een niet-Nederlandse achternaam. Schuiling, oud-leerling van de Jan Evert Scholtensschool en later de MAVO is een diplomastapelaar en weet als geen ander wat ervoor nodig is hogerop en in andere bubbels te komen.

VRIJDAG Ochtendrituelen. Even kijken of vrouw I in het revalidatiecentrum al wakker is, haar overladen met digitale zoenen en vertellen dat ik onderweg ben. Indien nodig de fiets nakijken, haar opwrijven en klaarzetten en dan even kijken of de mannetjes nog wat te melden hebben, een activiteit die begon in de covidperiode: whatsappen met twee vrienden, middelbareschoolspecialisten, ouwe pikken die weten dat mobieltjes in de klas, witte scholen en religies in het onderwijs foute boel zijn en die, beiden optima-forma moraalridders, het soms wagen het met mij oneens te zijn terwijl ze me in hun hart gelijk geven natuurlijk. Religie komt vaak voorbij. We hebben alledrie een kerkelijke achtergrond, maar één praktizeert nog, tegen beter weten in. Één is zo principieel dat hij betalingen via de RABO weigert vanwege dubieuze praktijken met de Liborrente, vastgoedfraude, ondeugdelijke rentederivaten, medeplichtigheid aan witwassen van crimineel geld van Mexicaanse drugskartels; nummer twee is zo vrijmoedig dat hij weduwen en weduwnaars binnen een jaar na het overlijden van de partner empatisch-belangstellend vraagt of men al aan het tinderen is geslagen en nummer drie is dagen van slag als hij de benepen orthodoxe fundamentalisten Renze en Thijs hoort zeggen dat de vraag ‘Zal ik voor u bidden?’ na het verlies van een dierbare ongepast is.

ZATERDAG Doelen. Mijn doel (sinds oktober 2022) geen kleding te kopen hapert. Ik heb een nieuw fietsjasje en een spijkerbroek moeten aanschaffen. Het jasje werd me cadeau gegeven maar de broek kocht ik. Sorry Bojan Slat. Het dagelijkse twintigfietskilometerdoel overschrijd ik en per dag een klein uurtje Maarten ’t Hart herlezen loopt, ik zit met 36 boeken in 36 weken op schema.

Maarten ’t Hart ‘Du holde kunst’ 35 (1994)

Maar liefst 25 scherpe, interessante stukken over klassieke muziek, veelal componisten, waaronder één over de cantates van Bach. Sta daar eens even bij stil, Bach schreef één cantate per week. Dat ‘t Hart Bach slechts één stuk toebedeelt is een voorbode van het boek over Bach dat enkele jaren hierna zal volgen. Ook al ken je de muziek of de beschreven componisten niet, toch zijn het zeer leesbare, prachtige essayistische artikelen. Dat ’t Hart de muziek de hoogste kunstvorm vindt en de literatuur bij hem pas op 17 komt, ver na de geurkunst op 8 is een overdrijving maar toont wel zijn voorliefde voor de muziek waar hij verschrikkelijk vanaf weet.

Niet alleen beluistert ’t Hart zoveel mogelijk muziek van door hem bewonderde/bestudeerde componisten, ook speelt hij het werk van de componisten zelf (of probeert dat), leest hij (alles) wat over de componist wordt geschreven en analyseert hij missers in boeken over de betreffende componisten. Er moeten weken zijn geweest dat ’t Hart er een dagtaak aan had.

’t Hart beschrijft levens en werken en heeft oog voor interessante details. Bijvoorbeeld dat Rossini naast 40 vruchtbare jaren 40 jaren niets schreef en dat verbindt hij dan weer aan Vestdijk en Marnix Gijsen. Of de Zweed Berwald die naast componist orthopeed was. Schubert die maar 31 werd en 1000 werken naliet, die hij in 18 jaar schreef. En dan Tsjaikovski van wie het meeste werk onbekend is gebleven en wiens dood een mysterie is: was het cholera of arsenicum? Elgar, een knappe man die trouwt met een oude dame en over wie de rol en invloed van vrouwen raadselachtig is en blijft. Strauss over wie de gekste meningen rondgaan, niet onderbouwd of slechts op 2 % van zijn werk. Als ’t Hart Nielsen ophemelt in een tijdschrift wordt hij teruggefloten door would-be deskundigen die later meer dan ongelijk krijgen. De ten onrechte wat verguisde Sibelius, de bij toeval ontdekte Stenhammer en Scandinavische liedkunst. De vrij onbekende Schmidt en de multitasker Schönberg en meer.

In alfabetische volgorde behandelt ’t Hart: Andriessen, Bach, Berwald, Bruch, Elgar, Franck, Medtner, L. en W. Mozart, Nielsen, Prokofjev,  Rossini, Saint Saëns, Scarlatti, Schmidt, Schönberg, Schubert, Sibelius, Stenhammer, Strauss, Tsjaikovski, Tubin en Von Weber.

’t Hart eindigt met ‘Muzikale memoires’. Veel componisten zijn jong gestorven en vaak ongeletterd, en er zijn (dan ook) maar weinig die hun memoires schreven. Toch weet ’t Hart er nog enkele memoires van componisten te vinden die hij beschrijft. Frankrijk, Engeland en Rusland zijn misschien uitzonderingen, daar komt hij wel memoires schrijvende componisten tegen.

Bach – Famous Cantatas (Luthers Bach Ensemble, Akerk 14 april 2024)

Waarom ik na afloop denk ‘mooiste concert ooit’ komt door het orkest, het projectkoor en de solisten. Natuurlijk. En wie weet heeft de dirigent ook wel een rol in het geheel. Maar er speelt meer. Ik bezoek het concert met L, want vrouw I ligt in het ziekenhuis. ‘Of Bach me kan troosten,’ vraag ik me af. Het zijn hectische dagen. Nooit zag ik vrouw I met zoveel pijn.

L is verrast als ik haar mijn vraag voorleg. Ik verbaas mezelf ook, troost betekent verdriet en met verdriet loop je niet te koop. De prachtige muziek ontspant. Heerlijk diepe zuchten. De beste koorleden doen alsof ze de teksten en de muziek lezen. Die kennen ze natuurlijk uit het hoofd. Ze zingen op hun gevoel en knipogen al zingend naar familieleden in het publiek. In de pauze wordt het publiek in de fuik van één tapperij geperst zodat notoire voordringers niemand ontgaan.

In Maarten ’t Harts boek ‘Het woeden der gehele wereld’ lees ik dat er van Bachs 300 cantates zo’n 200 zijn overgebleven. In de afgelopen week beluister ik een handvol cd’s uit de Bach-Master-Works-box van het Kruidvat. Veel van de teksten zijn onverstaanbaar. Ik glimlach als ik de obligate zinnen over genade en verlossing meelees. Ik transcribeer ze wat. Lees ik ‘Israel hoffe auf den Herrn’, vul ik het aan met ‘der Vereinte Nationen’. Net als de meeste zangers leg ik de tekst weg en geniet van de muziek. Op zijn best zijn de teksten kinderlijke gepaard-rijmende religieuze interpretaties en op zijn slechtst pure kwezelarij die je in Bachs tijd moet plaatsen.

Ik verbaas me over de natuurtrompet van Rabinovitz twee meter voor ons. Als hij het vocht uit het instrument laat lopen lijkt het of hij eruit drinkt. En die weergaloze droeve fagot en de onverstoorbare Koolstra op orgel, ik hoor enkel tienen. De zilveren balletschoentjes van sopraan Cressida Sharp betoveren me, evenals haar met een fibula bij elkaar gehouden vuurrode jurk. Plaatje! En wat een stem. En dan Van Laar als hij de alten bijstaat, tenor Knight en bas Santini die craqueléscheurtjes in de nieuwe kalklaag op de muren veroorzaken. En natuurlijk Bronda die de kwaliteiten van Arne Slot en Joseph Oosting combineert en de topspelers hun gang laat gang, het werk gebeurt immers in de training.

Ten slotte: bij het ‘Jesus bleibet meine Freude’ droom ik terug naar 1967. Maartenskerk te Kollum. Na de restauratie heeft het feestcomité bedacht dat onder het orgelspel van Jelle van der Meulen (geen familie) de bijdehante tweeling Folkert en Klaas de statenbijbel de kerk in mag sjouwen in een optocht van zingende, geboende zondagsschoolkids. Op de melodie van ‘Jesus bleibet meine Freude’.

Applaus. Geen bravogeroep. Bloemen. Zelfs een toegift. Pas tegenover de stadswerkplaats stop ik met onhoorbaar applaudisseren. ‘Mooiste concert ooit’, mompel ik, voorzichtig met grote woorden. En, troostrijk? Jaaa.

Maarten ’t Hart 34 ‘Het woeden der gehele wereld’ (1993)

Een in drie delen verdeelde psychologische Whodunnit van een kleine 300 pagina’s die in W.O.II begint. Het hele, wat dradige, boek door wordt gezocht naar de moordenaar van agent Vroombout die op een massale evangelisatiedag wordt doodgeschoten. Centraal staat de familie van voddenkoopman Goudveyl met zoon Alexander. Het is de tijd van de Korea-oorlog, midden jaren vijftig en de familie heeft heimwee naar de vroegere kerk van herstelden, die ze voor de gereformeerde kerk hebben ingeruild. ‘t Hart bedient zich van woorden die halverwege de vorige eeuw heel gewoon waren: voddenjood, van de verkeerde kant, enz.

Zoon Alexander zit te vissen als agent Vroombout hem vraagt voor een kwartje zijn broek te laten zakken zodat Vroombout zijn geslacht kan betasten. Gebeurt een keer of vijftien in een zomer. Op een evangelisatiedag, als Alexander op een piano speelt, wordt Vroombout doodgeschoten. Alxander ziet de schutter maar herkent hem niet. Agent Graswinckel ondervraagt Alexander en geeft hem drie namen van andere pedofiele mannen. Aan Alexander wordt gevraagd die eens nader te bekijken of er de mogelijke moordenaar bij zit. Opvallend is de uiterst luchtige toon waarop over de pedofiele mannen wordt gesproken.

Alexander Raakt bevriend met Herman, wiens (Engelse) moeder hem wel wil leren pianospelen. Als de vriendschap uit raakt en Alexander in de trein naar school gaat, ziet hij apotheker Minderhout die hem aanbiedt bij hem thuis te komen spelen op de Bösendorfer. Ook gaat Alexander op het kerkorgel spelen. Bij de apotheker wordt Alexander gevraagd regelmatig te komen spelen om inbrekers weg te houden. Ook hoort Alexander, terwijl Minderhout hem al wijn drinkend uithoort over de moord, dat Vroombout in de oorlog fout was geweest.

Bij Minderhout thuis gaat Alexander op onderzoek uit en vindt kleding die lijkt op die van de moordenaar. Later op onderzoek met William blijkt deze W zich graag in vrouwenkleren te hullen.

De buik van het boek staat vol met muzikale uitweidingen, bijbelse verwijzingen en relationele draden die onverwachte verbindingen aangeven. Interessante beschrijvingen komen voorbij, van een oudjaarsavond bij Minderhout, de zuinigheidscultus van A’s ouders, Alexanders componeerexercities, de vroegere relatie tussen vaders en moeders van vrienden, god Bach, de studie farmacie en het op kamers gaan wonen in leiden. En steeds de zoektocht naar details die leiden tot het vinden van de dader. Alexanders schoonvader was bij de moord aanwezig, maar zegt niet de schutter te zijn geweest. Dan moet Alexanders moeder het hebben gedaan.

JOURNAAL WEEK 14

ZATERDAG Het CGTC (Centrum voor Groninger Taal en Cultuur) heeft een gevarieerde avond, zeg niet bonte, aangekondigd in het Der Aa Theater met muziek van Hister en Bert Hadders, poëzie, een praattafel over poëzieworkshops en de aankondiging van een onlinecursus Gronings. Bert Hadders steelt de show: heerlijk gitaarspel & rake teksten in verstaanbaar Gronings. Hister is, ook na de vierde keer, wat lastiger te verstaan en de aankondiging van de onlinecursus is als een voorlichtingsavond voor ouders in HAVO-3: slecht voorbereid met  een haperende beamer.

ZONDAG Twan Huys dringt in Buitenhof ongegeneerd zijn privémening op aan Omtzigt en meekijkend Nederland en trekt, als de getergde Omtzigt met een gekwelde blik te kennen geeft daar niet van gediend te zijn, publiekelijk het boetekleed aan. De onbetwiste geslotenvragenkoning draagt eraan bij dat politieke partijen als PVV, BBB en NSC zich afkeren van de publieke omroep en ervoor pleiten de NPO uit te kleden en te  reduceren.

MAANDAG Het Groninger Museum doet nu eens iets verrekte goed: een Kinderbiënnale. Via basisscholen zijn kunstambassadeurs aangesteld. Natuurlijk moet er wat extra reuring komen. Zoals carnavalsverenigingen elkaars opgetuigde karren uitwisselen zo gaat de metershoge plassende ijsbeer van het ene naar het andere museum, en is nu dus, nog steeds geslachtsdeelloos, in Groningen neergestreken en prijst pissend het ook voor volwassenen leuke spektakel aan.

DINSDAG Groningen wordt geteisterd door woning- en kamernood. Vooral jongeren zijn de dupe. Woningen worden onttrokken aan de huizenmarkt en lucratief aangeboden in de hotelkamerbusiness, singles en kinderloze (gepensioneerde) echtparen bewonen zonder scrupules kasten van huizen en winkeliers verdommen het massaal bovenverdiepingen woonklaar te maken door een trap in de winkel te installeren. Gisse Minerva-studenten toveren de glazen ondergrondseparkinguitgang om tot huisje. Ramen, compleet met een hiergeenfietsenplaatsen papier, deuren met Nee-Nee-sticker, planten in de vensterbank en meer.

WOENSDAG Minibieb ‘Achter Minerva’ puilt uit: nu de orthodoxen of fundamentalisten de kerken de rug toekeren als grutto’s het Friese platteland (bekijk de film ‘Vogels kun je niet melken’), worden de boeken massaal weggedaan.

DONDERDAG Het orgelconcertprogramma 2024 vermeldt 50 orgelconcerten. Even overweeg ik ze dit jaar allemaal te bezoeken. Ook dit jaar weer de International Martini Organ Competition Groningen van 28 juli – 3 augustus.

VRIJDAG Na de deelscooter, -fiets, -auto is er nu de leen-, deel-, lease-, ruil-, of logeerhond. Keuze uit alle formaten, kleuren, rassen; teef of reu, lang- of kortharig, bruut of bangelijk, alles is mogelijk. Passend bij elk interieur. Op de foto: energiek, jeugdig, blij ei Bobby die van verstopte anaalklieren nog nooit heeft gehoord en het gedragsprobleem ‘flight or fight’ alleen maar kent van de folders in de dierenartswachtkamer. Met haar zwart-witte looks, hangoren en deemoedige, trouwe, bescheiden oogopslag doet ze het goed doet in kleurrijke interieurs met een afgeleefde bank.

Maarten ’t Hart 33 ‘Een havik onder Delft’ 1992

Veelzijdige, gevarieerde, persoonlijke, soms felle, vaak vriendelijk uitwaaierende columnachtige korte stukken. De ondertitel luidt: Polemische paukenslagen In de eerste vier al komt tweemaal ’t Harts wens zich in vrouwenkleren te hullen naar voren. Daarnaast scherpe observaties over psychologische typologieën, gaapgedrag, grappenmakers die de pointe herhalen, misverstanden bij en door Jung en Freud en vrekken.

Het verschijnsel godsdienst bestrijkt het verschil tussen psalmen en gezangen, de vraag of de paus werd vermoord en het celibaat waarvoor ’t H als oplossing heeft: sta priesters één vrouw toe en gewone mannen twee. Dan mooie verhalen over oud worden, Zweden en de onbelezenheid van Nobel-Prijs-toekenners, de studie Nederlands in het VK.

Een paar columns zijn wat langer: een over heimwee en reizen en het fraaiste (vakantie)land Zwitserland. Verder weer kortere, over de steeds uitdijende repro-afdeling, gezond eten en lijnen, het nut van kinderen krijgen op latere leeftijd en zijn afkeer van feestjes en feminisme. Mooie anekdotes over Gomperts, Renate Rubenstein en Simon Carmiggelt, de bijzondere A. Moonen, de overschatte Musil, auteur van Der Mann ohne Eiegnschaften, en (het opvallend grote aantal) auteurs uit het jaar 1944.

Een lang stuk wijdt ’t Hart aan het ongenadig neersabelen van Ton Anbeeks Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur 1885 – 1985, omdat hij èn vrouwelijke auteurs zo goed als overslaat en helemaal voorbij gaat aan alles wat met Nederlands Indië te maken heeft. Ook Vrij Nederland recensent Carel Peeters moet het ontgelden, die ontvangt een behoorlijke polemische paukenslag.

In het blokje muziek iets over de muzikale onwetendheid van Brouwers en Karel van het Reve, de harkerige taal in Samama’s boek Zeventig jaar Nederlandse Muziek, de rangorde der kunsten met muziek fier bovenaan, de overtrokken belangstelling voor Mahler in Amsterdam, opera’s van Smetana, de onbegrijpelijke voorkeur voor popmuziek van verder heel normale mensen, naast de Mattheus, de Johannes en  de Marcus Passie van Bach.

Dan nog de zeer door ’t Hart bewonderde Karel van het Reve die er soms wat oplos beweert, de vraag van de BBC om voor het afscheid van Tinbergen een stekelbaars een kunstje te laten doen gebaseerd op de invloed van een voorbijrijdende rode postauto: een mission impossible.

Het thematisch gerangschikte boek eindigt met de polyandrische Jezus-Christus-vogel, over het zeldzame verschijnsel bij dieren waarbij een dominant en initiatiefrijk vrouwtje meerder mannetjes heeft, een verhaal over ongewilde paring en vaginale pluggen, tijdens de paring mannetjes etende insecten en dieren die werktuigen maken of gebruiken. Interessant is de conclusie dat de Nederlandse literatuur, anders dan de Engelse, wordt gedomineerd door niets van natuur en biologie afwetende stadjers. Het laatste verhaal, ‘Een havik onder Delft’  toont aan dat de Nederlandse topauteurs niets hebben met de natuur.

Maarten ’t Hart 32 ‘Onder de korenmaat’ 1991

Het achterplat belooft een roman over een in radeloos verdriet eindigende liefdesgeschiedenis. Pianist/componist Alexander Goudveyl, 45, begeleidt vriendin Hester en ontmoet dierenaarts Sylvia Hoogervorst, 30, die een diepe indruk op hem maakt. Ze spreken een paar x af bij Alexander thuis; overdag en ’s avonds als A’s vrouw slaapt. Bijna alles is muziekgerelateerd: telefoonnummers, namen, rammelende dakpannen, kentekenplaten, enz. Hoewel de verhouding nog geen twee weken duurt wordt al over het einde gedacht en gesproken. Dat de vijftien jaar jongere Sylvia van popmuziek houdt verwijst naar een vroegtijdige afloop. Wat daar ook naar bewijst is een omgewaaide joekel van een populier, die Alexander maar niet van de oprit verwijderd krijgt.

Alexander is erg ontevreden in de relatie met Joanna en stelt geregeld voor om uit elkaar te gaan vanwege de verschillen en gescheiden werelden. Sylvia echter heeft alles voor hem: de betoverende geur, het krullende haar, haar lengte, de oorbellen, de zoen- en vrijlust, haar looptempo, enz. Sylvia vraagt Alexander bij haar in te trekken. Soms echter staat de muziek tussen hen in: pop tegenover klassiek. Met vriendin Hester bespreekt Alexander de liefdesperikelen.

Wat Alexander aan zijn vrouw Joanna bindt is de muziek van Brahms. Als hij haar verlaat moet hij ook afscheid nemen van deze componist. Alexander schrikt als Sylvia, na een bezoek aan zijn vroegere woonplaats, zegt dat ze wel in zijn oude stadje zou willen wonen. Het blijkt dat ze nogal wat vriendjes heeft gehad, serieuze en minder serieuze. Hester en Sylvia ontmoeten elkaar als Alexander een anti-Mahler lezing geeft. Daarna wordt duidelijk dat Sylvia niet en Alexander wel samenwoonplannen heeft.

Halverwege het boek komen de eerste barstjes in de relatie. Alexander is jaloers op andere of ex- vrienden van Sylvia. S wil alleen een maand naar Aruba en A hoeft haar niet te brengen en te halen, tot wanhoop van Alexander. De lezer voelt op zijn klompen aan: dit gaat  de verkeerde kant op. S vertelt A dat haar verliefdheid is overgegaan in vriendschap. Langzamerhand ontrolt zich het einde van de relatie, gesymboliseerd in snijdende winterkoude, telefoons die onophoudelijk rinkelend niet worden opgenomen, de hoofdpersoon die zonder noodzaak een konijn doodt en meer. Alexander realiseert zich een ‘wegwerpvrijer’ geweest te zijn, een volgnummertje in een oneindige reeks en hij bedrinkt zich met vier flessen wijn en begint een oeverloos gesprek met een vleermuis.

Giant Advanced Defy Tiger Red & Spaak

‘En, hoe vind je ‘m?’ vraag ik enthousiast de mij onbekende vrouw die naast me voor het stoplicht staat te wachten. Ze doet d’r oortje uit, en ik herhaal m’n vraag. ‘Cool ding man, nieuw nog, antwoordt ze lachend, mijn jongensgeluksgevoel herkennend?’ Groen. Ik probeer een opgevoerde bezorgscoorter voor te blijven. Makkie. Mijn benen zijn na een weekje wandelen en trappen klimmen in Marseille in topvorm. Fietsen geeft me vaak een goed gevoel en vandaag is dat extra.

Ze rijdt heerlijk. Het is een Giant Defy Advanced Tiger red 2024 geworden. Instapmodel carbonframe. Kekke kleur. Shimano 105-groep. Afgeplatte stuurbuis. Verzonken zadelpenbout. Weggewerkte bekabeling aan het stuur. Spiegeltje in linker beugel. Bel. Eenvoudige snelheidsmeter annex kilometerregistratie. Iets bredere banden dan de vorige, nu 32’ers, met een ruwer profiel, zeg maar tegen de gravelbike aan. Dat geeft een psychologisch voordeel. Je denkt dan een vastere wegligging te hebben, een gevoel dat ik na mijn val (juli 2023) denk te kunnen gebruiken. O ja en nu met de door mij tot nu toe vanwege het gewicht verguisde schijfremmen. En eerlijk is eerlijk: die houden mij en haar goed in bedwang.

Aan Spaak vraag ik of ze een doordeweeks fietsgroepje kunnen regelen; de laatste tijd moet ik de SpaakMasters op zondag vaak missen. Vijf gasten melden zich, van wie er op woensdag nog drie over zijn. Met de kleinst denkbare groepssamenstelling (Buienradar had wat regen voorspeld) vertrek ik. Aduard, Zuid- en Noordhorn, Niezijl, Grijpskerk – zit na 25 kms op gemiddeld 27,3 – linksaf tegen de wind in: Gaarkeuken, Sebaldeburen, Oldekerk, Niekerk, Zuidhorn, Aduard, Nieuwklap, Slaperstil – na dik 40 kms op 28,1 –  Stad, Spaak: 47,3 met gemiddeld – aaargh -27,4.

In twee dagen rijd ik een kleine 100 kms. Soms in de yoga- of Zenmodus en soms op de racestand. Zo red ik mijn 7K jaardoel wel. Op de vrijmoedige vraag van een fietsmaat, ‘Wat doet zo’n beessie nou?’ speel ik open kaart. Kosten € 2.799,- + 2 pedalen € 40 = € 2.840. Minus inruil (afgetrapte) Giant TCR 2019 € 340,- = € 2.500,-.  Ik spaar maandelijks € 34,50 aan kosten fitnessclub uit x 32 maanden (de tijd dat we in Stad wonen) = 1,1K. Ons deelautoproject (CCP) levert, laat ik laag schatten, € 100,- per maand, in 16 maand 1,6K op. Samen 2,7K. De beurten en sportmasseur betaal ik met geld dat ik bespaar door geen nieuwe kleding te kopen. Zo.

Maarten ’t Hart 31 ‘Een dasspeld uit Toela’ (1990)

Een groot deel van de zestien, zeer informatieve verhalen, eigenlijk artikelen, in deze bundel verschenen in NRC en/of waren de teksten van lezingen. Kritische stukken, je hoort de meester al lekker uithalen. ’t Hart fulmineert tegen al te strenge regeldwang van neerlandici die op de universiteit onnodige en onmogelijke wetmatigheden voor romans uitbroeden terwijl de enige geldige regel die is dat er geen regels voor romankunst zijn. Strak veegt ’t Hart de vloer aan met de elitaire laag die neerkijkt op volkskunst. Behalve in de orgelmuziek en de schilderkunst heeft Nederland internationaal nooit iets voorgesteld. Een prachtverhaal over het verschil literatuur <-> wetenschap en verifieerbaarheid en plagiaat. Dat de neerlandistiek oprukt in de literatuur is te merken aan het aantal afgestudeerden bij uitgevers en in de literaire kritiek. Gelaagdheid, complexiteit en polyinterpretabiliteit zal toenemen. Hoe lang zal het duren voordat auteurs afgestudeerd moeten zijn?

In enkele gevallen hebben nare kritieken schrijvers (Melville, Salinger) of componisten (Bizet) dusdanig hard geraakt dat ze depressief of ziek werden of zelfs vroegtijdig stierven. Ook ’t Harts eigen ervaringen komen aan bod. In een artikel over stijl breekt hij een lans voor scherpe, kernachtige onopgesmuktheid tegenover geraffineerde schoonschrijverij. Al zijn meningen worden gelardeerd met concrete voorbeelden uit de (inter)nationale literatuur.

Een mooi stuk over de juist gestorven auteur en collega-bioloog Hillenius en over Hotz, van wie ’t Hart door herschikking van de volgorde en analyse van personages en tijden uit de hoofstukken van vijf boeken een roman over Hotz’ moeder destilleert. Dan nog een analyse van Hotz’ vermeende toegenomen sobere schrijfstijl en een mooi verhaal over Biesheuvel, van wie wordt gezegd dat hij veel fantasie heeft, maar volgens ’t Hart zich steeds in bijzondere situaties manoeuvreert en die vervolgens tot verhalen uitwerkt. De verguisde Mensje van Keulen wordt door ’t Hart op het paard gezet, haar eenvoudige schrijfstijl geeft juist haar kwaliteit aan. In ‘Karakter’ van Bordewijk herkent ’t Hart het vijftig jaar later bekende fenomeen van de BOM-moeder.

Dan een verhaal over de onverenigbaarheid van het schrijverschap met dat van wetenschapper. De ambities, erkenning van vakgenoten en van een leespubliek zitten elkaar in de weg, zo erg dat ’t Hart van zijn vroegere collega-vrienden geen heeft overgehouden. Een schitterend verhaal over een typisch Karel-van-het-Reviaanse evolutietheorie, met in de hoofdrollen Darwin, vogels, ongevleugelden, ogen, mutatiekansen, giftanden en Karel van het Reves minderbelezenheid. Dan Nog Multatuli en het Darwinisme, waarin Multatuli wordt opgevoerd als iemand met schrikbarend weinig kennis over exacte vakken. Later nog een verhaal over Multatuli’s beroerde Nederlands met een overkill aan gallicismen, germanismen, latinismen. ’t Hart spaart hem (die vaak wordt aangeduid als grootste Nederlands schrijver) niet en benoemt M’s gemekker en infantiliteiten. I.t.t. veel Multatuli-bewonderaars heeft ’t Hart wel alles van M gelezen. Hij laakt Multatulibewonderaars die enkel over M’s stijl spreken.