De Dissel Emmen 1984

Kijk, daar staan we: 70 personeelsleden van De Dissel, in de jaren 80 de grootste school voor voortgezet onderwijs in Emmen, 55 mannen en 15 vrouwen. Openbaar, want we realiseren ons maar al te goed de onwenselijkheid van (bijzonder) christelijk onderwijs. Een inclusieve school met ook leerlingen uit Marokko, Joegoslavië, Ethiopië, want hoewel het woord witte school nog niet bestaat, weten we dat we daar van moeten wegblijven. In latere jaren krijgt elke vestiging een taalklas waar leerlingen uit AZC’s naadloos instromen. De beste collega’s worden mijn beste vrienden. Onze school behoort tot de fine fleur van het voortgezet onderwijs in Drenthe. Nou ja, tenminste enkele vakken dan. Bijvoorbeeld het vak maatschappijleer dat via het SLO de landelijke toon zet. En komt minister Jo Ritzen enkele jaren later niet bij ons langs voor advies over invoering van nieuwigheden als de medezeggenschapsraad en basisvorming?

Waar vind je beroepen met zo’n diversiteit aan extra kwaliteiten: topsporters (een profvoetballer naast een toptennisser), cultuurfanaten (een dichter naast een zanger naast een musicus naast een beeldend kunstenaar), vakidioten (een monomane fysicus naast een bioloog), onderwijskundigen, onderwijsvernieuwers, aanstaande wethouders, een verdwaalde predikant en zwarte aannemer, vakbondsbestuurders, directeuren, francofielen, maatschappelijk werkers, waterschappers, politici, ontwerpers, doeners, denkers, ontwikkelaars.

Ach, gedurende korte tijd vermomt een enkeling zich in de rol van zeurder, zwammer, zeikerd, drammer, betweter, maar dat duurt nooit lang. Veertig jaar later kijk ik terug; ik herken ze bijna allemaal, inclusief (van vileine tot onschuldige) bijnamen: de neus, de verleider, de besnedene, Pandora’s Box, de analfabeet, het gedoofde licht, Farizeër, rukker, priester, reageerbuis, Petrus Majella en Maria de onbereikbare.

Wat doet me aan deze foto denken? Eén van de geportretteerde oud-collega’s heeft zijn langste tijd gehad. Mijn goede vriend Ted krijgt daar lucht van en bereidt hem een serenade met een keur aan oude liedjes, sommige zelfs speciaal op de zieke toegesneden, voordat hij gaat hemelen. Samen met Ine gaat Ted op het verpleeghuis af en bezorgt de oude man een gouden uur.

Meino Smit – Naar een duurzame landbouw

Meino Smit is een zeldzame koppeling van (biologische akkerbouw)boer en wetenschappelijk onderzoeker. Die zijn er dus ook. Dat werd tijd. Geen ontevreden LTO-zwalker, Farmer Defence overaldrager, omgekeerdevlagger maar iemand die met verstand van zaken nagaat hoe het echt zit. Dat zullen de verongelijkte standaardboeren, hun organisaties, Caroline  van de Plas en Piet Adema de zwalker hem niet in dank afnemen. Leesvoer voor Wollaars/Tweebeke. Smit beschrijft een verschil tussen boerenlandbouw en ondernemerslandbouw en vraagt zich af waar de ethische en morele overwegingen in de landbouw zijn gebleven. Smit staaft zijn uitspraken met goed leesbare onderzoeken, weergegeven in duidelijke statistieken. Om hem zelf aan het woord te laten pak ik een interview met de Volkskrant uit 2021 erbij. Wat zegt Smit?

  • We hebben in Nederland vijf keer zoveel boeren nodig, minder export en groter diversiteit aan gewassen. De schrikbarend grote hoeveelheden energie opslorpende sector, verzesvoudigd sinds 1950, is veel minder productief, stabiel en zelfvoorzienend dan men ons wil laten geloven.
  • De claim dat landbouw de innovatieve, duurzame, arbeidsproductieve motor van de economie is, zoals de sector, de landbouwbladen en BBB ons willen laten geloven, klopt niet. Nee, misschien wel de meest intensieve sector, maar de arbeidsproductiviteit is sinds 1950 gedaald. De duurzaamheid is bepaald niet toegenomen. Het aantal werkers in de landbouw nam na 1950 met 80 % af. In de toelevering, vaak in het buitenland met lage lonen en onder slechte omstandigheden, verdubbelde het.
  • In Nederland kelderde het landgebruik, maar wereldwijd verdubbelde het. De productiviteit per hectare is veel minder toegenomen dan gesuggereerd.
  • Mansholt, de Green deal, het Akkoord van Parijs, alles komt voorbij. In Nederland zijn bijvoorbeeld boeren die meer dan € 150.000 aan toeslagen ontvangen, zo wordt met overheidssteun meegewerkt aan schaalvergroting.
  • Al die extra stallen, mechanisatie, mineralen en bestrijdingsmiddelen waar veel energie ingaat, hebben een enorme impact op het milieu gehad. De landbouw scheept ons op met allerlei milieu- en maatschappelijke kosten die nooit zijn meegerekend in de zo geroemde productie en exportcijfers. Bijvoorbeeld: we exporteren 95,6 miljard aan landbouw gerelateerde producten, maar we importeerden 67,1 miljard. De netto-export, voor 54 % naar West-Europese landen, is dus minder dan 30 miljard. Nog veel, maar voeden we daarmee de wereld? Nou nee.
  • Naar de rest van de wereld exporteren we vrijwel net zo veel als we er landbouwproducten uit importeren. Dus van de wereld voeden is geen sprake.
  • De energietransitie moet bestaan uit besparing en veel minder uit hernieuwbare energiebronnen.
  • Nodig is: een nieuw en duurzaam landbouwsysteem met minder transport, minimalisering van energiegebruik, minder im- en export en een 80 % kleinere veestapel. Natuur en landbouw beter integreren en meer biodiversiteit en zonder bestrijdingsmiddelen.
  • 80 % van de boeren wil best duurzamer boeren. Subsidieer boeren in de toekomst als ze voldoen aan eisen op het gebied van de inrichting van het land en de biodiversiteit.
  •                                                                                         lezen dus……

Maarten ’t Hart 13  ‘De dorstige minnaar’ (1981)

In deze Salamander pocket (een goedkope pocketboekenreeks van 1934 tot 1984) staan acht verhalen, waarvan vijf in eerdere bundels verschenen. ‘De dorstige minnaar’, ‘De vloekende dievegge’ en ‘Ongewenste zeereis’ zijn nieuw. Het eerste verhaal koppelt een oom die een perpetuum mobile wil maken aan een gedresseerd puttertje dat wordt geleerd water op te hijsen in een emmertje aan een kettinkje en dan als beloning kanarievrouwtjes mag bevruchten. Het tweede gaat over een kauwtje dat ‘sodommieters’ kan zeggen op een begraafplaats en daar twaalf jaar blijft.

‘Ongewenste zeereis’ is het langste, een verhaal van ruim 30 pagina’s. De rattendeskundige wordt  gevraagd advies te geven over de inzet van 10.000 ratten in een film van Werner Herzog. De witte laboratoriumratten moeten eerst donker geverfd worden, iets wat niet lukt. Er komen 13.000 ratten, zonder tussenstops aangevoerd uit Hongarije. Ze zijn uitgehongerd en hebben dorst. 5.000 leggen het loodje. De rattendeskundige, regisseur, acteurs, een slordig meisje en een meisje met een droevig gezicht (steeds maar weer die onbereikbare meisjes bij ’t Hart) en ratten zijn aan boord van een zeilboot; hij realiseert zich dat het een langdurige trip kan gaan worden. De opnames duren lang, de reis lijkt oneindig, verveling slaat toe en tot overmaat van ramp raakt het schip verdwaald op zee. Dan blijkt er geen licht aan boord te zijn, het is roetkoud en de golven worden hoger zodat zeeziekte toesslaat: een hachelijke rampentocht lijkt het te worden. De rattendeskundige refereert zijn ongemak aan dat van Bert Bierling, de man die in 1975 bij de treinkaping te Wijster werd gedood. Als iemand op het idee komt de filmlampen als verlichting te gebruiken wordt de tocht minder eng. Bij het zien van de Vlissingse vuurtoren keert de rust weer en stevent men af op Hellevoetsluis. De rattendeskundige beëindigt zijn samenwerking en keert naar huis terug.

Journaal week 45

MA Muziek, het klinkt als muziek in mijn oren als Google op maandag meldt: het weekrapport schermtijd is ’19 minuten minder dan het daggemiddelde van vorige week’. Less is more. Maandag is mijn A-kwartierochtend. Sinds mijn komst naar Groningen wil ik mijn omgeving leren kennen. Ik beschrijf straten (rubriek straat-in-beeld) en interview zgn. stamgasten. Beide zeswekelijks. Tien achter de rug. Heerlijke klussen. Dan een bestuursvergadering, een geveltuinjuryfeestje in de Wolthoorn, de columnisten bij elkaar houden en meer. In week 21 noteerde ik 20,5 uur activiteiten voor de wijk. Het moet niet gekker worden. Als bestuurslid van buurtvereniging A-Kwartier word je uitgenodigd voor minisymposium binnenstadsinrichting, paneldiscussies onderhoud- en groenvoorziening en meer.

DI Krompraterij bij het Journaal en Nieuwsuur. De laatste tijd hoor je op televisie vaak kromme praat. De journaaltaal is onderhevig aan corrosie. In plaats van: ‘Wij gaan over naar het weer met Peter Munneke’ zegt Simone Wijnans ‘Gaan wij over naar Peter Munneke.’ Kijken we nu naar onze verslaggever in Gaza i.p.v. Wij gaan nu kijken naar onze verslaggever in Gaza. Foutieve inversie? ‘Dan’  wegegelaten? ‘Dan gaan we nu …’ Onze Taal vindt het acceptabele spreektaal.

WO Schier. Met openbaar vervoer naar vrienden op Schier. Een uurtje bussen, drie kwartieren boten. We laten Clio thuis hoewel ze klaar staat. Weer zijn we onder de indruk van het bijzonder goede O.V. op het platte land. Bijna elke passagier groet de chauffeur en bedankt haar bij uitstappen. Op Schier overal nieuwsgierige fazantenmannen die ons in de smiezen houden. Culinair wandelen is een paradoxale contradictio in terminis.

DO Zoon I woont tijdelijk thuis. Volle wasmanden dankzij groepswas volleybalteam. Lege koelkast. We mogen meedenken met huis ver- en aankoop, herstelplan. Zoon II wordt ZZP’er. We praten over het leven & pensioenvoorzieningen. Ik leer hoe je van een Worddoc een PDF of een JPG’tje maakt. Beiden, als je e-learning erbij rekent,  onderwijsmannen en zoon II met technisch-creatieve inslag. Hoe zou dat nou komen? Golden times.

VR Sinds twee jaren doen we mee aan wat ik tot daarvoor de onbewezeneffect-griepprikflauwekul noemde die met € 14,01 per spuit de huisartskas spekt. Huisartsstagiair heeft maar twee centimeter opgeschort hemd nodig om ‘m erin te jassen en hoeft, wel even efficiënt blijven, hè, namen niet te weten.

ZA Ergens in Warffum, Pieterburen of Baflo wielrennend lees ik het Groningse woord ‘Keroazie’ op een thuiszorggevel en mijn aangeboren taalgevoel dicteert dat het Gronings voor ‘corrosie’ is. Maar K. ter Laan (Nieuw Groninger Woordenboek, maar zonder Nederlands – Gronings) corrigeert me: moed, dartelheid, brooddronkenheid.

ZO Het GrootKoor, met onder de tenoren drie vrouwen, stoomt op naar kerst. Vier fanatieke tenoren worden ook ingezet bij concert in Assen. Wat verheug ik me op drie concerten in Assen, Amsterdam en Groningen en twee repetities. We lopen weg met de dirigente. Wat een stem. Wat een vrouw. Wat een lijf.

Maarten ’t Hart 12  ‘Een vlucht regenwulpen’ (1978)

Zestien drukken in tien maanden; eind ’70 breekt veelschrijver ’t Hart (ik bereken dat hij één pagina daags schrijft) door met ‘Een vlucht regenwulpen’, misschien zijn bekendste, later ook verfilmde, boek. Er worden 1 miljoen van verkocht. Je leest over volwassen- en kindertijd van de hoofdpersoon. Een 30-jarige bioloog maakt voordat hij naar Bern afreist een afspraak met het zusje van Martha, de vrouw op wie hij verliefd is. In zijn solistische jeugd speelt hij, druivenkwekerszoon, vanwege een gebrek aan vriendjes, met zijn moeder. De ik-persoon wordt beheerst door dwanggedachten, bijvoorbeeld dat zijn moeders kanker te wijten is aan zijn ongelovig zijn, dat hij niet over schaduwen mag stappen, pleinangst, enz. De liefde voor Martha beheerst zijn leven, en route naar Bern in de auto praat hij tegen de afwezige zus van Martha.

Liefde, dood, god, natuur, seksualiteit, zijn werk als hoogleraar, komen voorbij. Veel hoofdstukken zijn goed als los verhaal te lezen. De eerste schooldag, de dorpsdokter die zijn amandelen knipt meteen gloeiende tang, de seizoenen en de lagereschoolperiode worden prachtig beschreven. Hoge cijfers en een gebrek aan sociaal gedrag maken dat hij geen vrienden maakt. Pesters, de militaristische meester Cordia noemt hem generaal, neemt hij te grazen. Na schooltijd krijgt hij bijles in middelbareschoolvakken. Andere leerlingen gedragen zich als halve zolen.

Als zijn moeder, kort na de dood van zijn vader, stervende is worden ze door weinig empatische ouderlingen bezocht, die zich enkel aan de bijbel kunnen en willen vastklampen. Maarten maakt zich zo kwaad dat hij ze afranselt, één gooit hij in het water. Zijn moeder sterft als er een vlucht tegenwulpen over komt, dat troost hem. Maarten gaat naar de middelbareschoolschoolreünie en ontmoet Martha, zijn grote jeugdliefde. Hij beschrijft de eerste jaren van de middelbare school en zijn diepe liefde voor Martha, een vrouw die hij steeds in andere vrouwen meent terug te zien. Hij trotseert zijn vaders woede als hij om Martha te kunnen zien, ’s zondags een andere kerk wil bezoeken.

Op reis naar Zwitserland discussieert hij onderweg met een hersenschim, de afwezige vriend Jacob, die zijn verliefdheid een neurotische 12-jaar durende aandoening noemt. In Zwitserland ziet hij voor het eerst bergen. Hij blijft maar verliefd worden op vrouwen die hem aan Martha doen denken; deze keer is het Adriënne. Tijdens een bergtocht met Adriënne en Ernst verongelukt Maarten bijna.

In Memoriam Harmke Jansen

Op vier november 2023 krijg ik een bericht uit Sleen dat Harmke Jansen is overleden. Het bericht stemt me bedroefd. Tegelijkertijd is het voor mij een goede aanleiding om herinneringen op te halen aan een fijn mens in een fijne tijd. Ik heb haar gekend sinds de tijd dat wij in Sleen woonden. Er zullen in Sleen niet veel vrouwen zijn met wie ik zo veel interesses en bezigheden deelde. En hoe mooi dat we altijd contact hebben gehouden na ons vertrek uit Sleen.

Samen met Harm Dijkstra behoorden Harmke en ik tot wat ik het vlaggenhijsersgilde noem. Op hoogtijdagen gingen we de toren in en hesen de driekleur. De eerste keer vergezelde ze mij. Met trots vertelde Harmke me over het feit dat Sleen de hoogste toren van Drenthe heeft. We keken uit over de landerijen, genoten van rondvliegende duiven en van het zicht op de bovenkant van de gewelven. Eens per jaar kwamen we bij Harmke samen om de hijsbeurten te verdelen.

Harmke had veel interesse in en kennis van het Drents. Toen ik het plan opvatte eens iets in het Drents te schrijven vroeg ik haar mijn taalcoach te worden. Dat deed ze graag. Ik volgde een cursus, las een stapeltje Drentse boeken, analyseerde Henderkiens teksten tot op het bot en dompelde me in het Drents. Ook mijn toenmalige buurvrouw Jannie Alberts was een prettige sparringpartner bij mijn studie. Ik schreef, schaafde en herschreef en vervolgens mailde ik Harmke enkele alinea’s die zij dan corrigeerde. De verhalen publiceerde ik op mijn blog. Het eerste ging over de aardige Sleense gewoonte oud papier op te halen voor de basisschool. Het was in het begin stoer genoeg maar Harmke stimuleerde me en ze becommentarieerde me op een milde wijze. Ik wilde verder en schreef een wat literairder verhaal over een leraar, leerlinge, zuipkeet en het leerlingenvolgprogramma Magister. Harmke stimuleerde mij om dat verhaal in te sturen voor een verhalenwedstrijd van Huus van de Taol. Het leverde me, met dank aan mijn taalcoach, een aanmoedigingsprijs op. Harmke was ruimdenkend. Dat ik in het verhaal wat plagerig schreef dat vrouwelijke collega’s op school fluisterden over klaarkomen op het invalidentoilet deerde haar niet.

Soms ontmoette ik haar als ze medewerker was bij een crematie in Emmen. Dat deed ze heel goed. Betrokken, meevoelend en duidelijk. We waren beiden boekenliefhebbers. Harmke was medewerker geworden bij de tweedehandsboekenverkoop ten bate van de dorpskerk. Typisch Harmke, je inzetten voor een goed doel waarbij je mensen ziet en spreekt. Ze was zo attent een rapportboekje van een van onze zoons terug te sturen toen dat een keer in een doos ingeleverde boeken terecht was gekomen.

We stuurden elkaar kerstkaarten en die van haar waren speciaal, altijd al van verre herkenbaar. Met de fraaie, gekalligrafeerde letters schreef de namen op de enveloppe, altijd tot verbazing en plezier van de postbodes en de verwoorde wensen waren vaak van een ongekende schoonheid, soms per letter een sierlijke tekening.

In december 2022 spraken we elkaar nog bij een kerstconcert in de dorpskerk. Ze was al ziek. De spierziekte ALS had haar in een verstikkende greep. Daarna hebben we nog met elkaar gecorrespondeerd. Ik was onder de indruk van haar positieve toon. Dat zij zo kort na haar man Leo uit de tijd is gekomen is tegelijk wreed en mooi.

Journaal week 44

MA Mijn streven wekelijks een Maarten ’t Hart te herlezen houdt stand. Ik houd zelfs, facebook- en twitterloos, tijd over. Sommige boeken herinner ik me goed. Andere nauwelijks. Een enkel helemaal niet. Deze week twee films gezien met schitterende hoofdrollen voor kinderen: Wintervacht: ontroerend, krachtig en Het Smelt: wreed, dramatisch. Beide bieden stof tot nadenken en napraten.

DI Verkiezingen I D66 en GroenLinks, dicteert mijn stemwijzer mij, maar had ik een jaar geleden niet beloofd tenminste één keer te stemmen op Omtzigts NSC? Ja. Verkiezingen II Ik doorsta de selectie en word benoemd tot stembureaumedewerker, nu in de Oosterparkwijk. Ik neem me voor weer een onderzoek te gaan doen naar mogelijkheden als official te frauderen.

WO Denk na over de traditionele kerstkaart. De discussie of we een kaart gaan versturen blijft dit jaar achterwege, daarvoor is de traditie te leuk. Wel zien we een terugloop in kaartmakers. Er kwamen vorig jaar zelfs, hopelijk goed bedoelde, wensen binnen via mail en, aaarrgghhh, Whatsapp. Inhoudelijk wordt het ook lastig, probeer maar eens wat humor en het Midden Oosten te combineren. Het Gronings gaat me redden.

DO Aan de snelweg bij Marum heeft een wakker mens omgekeerde vlaggen met tiewraps bij elkaar gebonden en gecastreerd. Mij bereikt de vraag of ik ervan weet. Jazeker! Ik lees Meino Smit: Naar duurzame landbouw. Wat een verstandige boer.

VR Eind oktober 2022 schrijf ik een jaar geen kleding te kopen. Als ik dat trots aan een goede kameraad vertel zegt die: ‘Maar Klaas, dat doe ik al tien jaar.’ Hoe is het mij vergaan? Nou, easypeasy, gelukt. Ik heb geen kleding gekocht en vind het eenvoudig. De Groningse Schaar heb ik enkele keren bezocht met een kledingherstelverzoek: een fietsjasje krijgt een nieuwe rits (€ 35,-), een jas wordt van een nieuwe zak voorzien (€ 25,-) en een lange broek gepimpt (€ 18,-). Ik koester versleten kragen en rafelige mouwuiteinden. Op 1 november gaan we shoppen: ik kom thuis met twee nieuwe witte hemden van de HEMA met V-hals. Klein en groot geluk samen.

ZA In januari ’24 organiseert de buurtvereniging een pubquiz. In onze minibieb ligt, toeval, ter voorbereiding,  ’De grote algemeneontwikkelingstest’ in 1001 vragen. Per dag drie pagina’s doorworstelen, denk ik.

ZO Op een leuke middag in Leens met nieuwe vriendin C komt het woord nederig voorbij. Wanneer voel je je nederig? Vandaag. Zondag, 13.00 uur, net terug van een ritje met SpaakMasters, de rit heette Werken naar Loon. Knap gevonden van road captain Bart. Windkracht vier in Stad, daarbuiten aanwakkerend tot vijf. Toch nog 27,9 gemiddeld. En dat 61 kms. Dat ik mijn kopwerk tegen de wind tot een minimum beperk begrijpt iedereen, ik ben de oudste. Maar ook voor de wind moet ik lossen en laat me lekker opsluiten in het pelotonnetje, ‘Klaas, zit je stuk?’ horend. Voor het eerst. Ik zoek naar oorzaken. Wintertijd? De inmiddels toch weer dagelijkse 500 CC Veltins of Leffe Blond? Naweeën van verkoudheid van twee weken geleden? Ik besluit te stoppen met suiker in de koffie en te streven naar een felgroen BMI van 21,7 i.p.v. een vaalgroen 22.9.

Maarten ’t Hart 11  ‘De som van misverstanden’ (1978)

Geen literaire essays, maar vlot geschreven beschouwingen over leeservaringen vanaf zijn vroegste jeugd. In het eerste verhaal neemt ’t Hart je mee langs alle auteurs die hem van kinds af aan geboeid hebben. Daarna volgen uitgebreide uitwerkingen van leesroutes langs Van Oudshoorn, Fontane, Trollope en meer.

Dit boek bewijst dat ’t Hart niet alleen een schrijver van formaat en een veelschrijver (ik tel al zo’n kleine 80 titels) is maar dat hij ook een veellezer is en dat al vanaf zijn vroegste jeugd. Het is altijd leuk als je zelf de door ’t Hart besproken schrijver kent of een boek van haar/hem hebt gelezen, maar echt nodig is het niet. ’t Hart heeft soms een interessant analyseuitgangspunt, bijvoorbeeld de frequentie van de woorden rood en wit bij Van Schendel.

In ‘De zeepokken van Hillenius’ leest ’t Hart ‘Tegen het vegetarisme’ en ‘Het romantisch mechaniek’ en bespreekt Hillenius’ kijk op (instinctieve verzet tegen het) instinct, de sleur, de reflex. ‘De glimwormen van Thomas Hardy’ is een bijeffect van een reis naar Engeland, naar de uitgestrekte heidevlakten waar het wemelt van o.a. glimwormen. Interessant is wat overblijft van de romans van Hardy: een skelet van toevalligheden. Onvoorstelbaar hoe ’t Hart in het werk van auteurs duikt die amper nog worden gelezen, bijv. Walter Scott. Het lijkt alsof hij alles van de schrijver van Ivanhoe leest en een analyse schrijft van Scotts literaire motieven. Hetzelfde geldt voor Selma Lagerlöf van ‘Niels Holgerssons wonderbare reis’.

Ik had nog nooit gehoord van Albert Vigoleis Thelen, maar ander dan ’t Hart laat ik het erbij, maar dat geldt ook voor Simenon voor wie ’t Hart de woorden babbelend, driestuiverromans, geen taalvirtuoos en povere intellectuele bagage gebruikt. Hoe anders dan Proust en Faulkner, de laatste twee in ‘De Som der misverstanden’.

Maarten ’t Hart 10  ‘Laatste zomernacht’ (1977)

94 pagina’s zonder hoofdstukindeling, gedrukt op 100 grams houtvrij papier; een fraaie, kleine uitgave. Anton, Ingeborg, Pieter, Jacob, Marijke en George de ik-persoon zijn met 16 studenten, waaronder een schizofrene grassengek, op biologie- excursie op zoek naar vuurbuiken. Vlinderfanaten, waterdriebladaanbidders, vuurbuikzoekers. Het spel kan beginnen.

Heerlijke thematiek: vrouwen die verliefd worden uit medelijden, een aan Hoofse liefde lijdende hoofdpersoon voor wie een steelse blik al bijzonder betekenisvol is, een nachtelijke natuurwandeling over een pad langs een elzenbroekbos, allen met een scherp oog voor kranswieren, vuurbuiken, een bosrietzanger, pijlkruid, beekpunge en meer, bijvoorbeeld de welriekende nachtorchis.

George heeft steeds een gevoel van kalmte in de buikholte en herinneringen aan vroeger, thuis, Maassluis. Voor ’t eerst een ’t Hart met zinnen die naar binnen zijn gericht. ‘… het was alsof mijn ik, dat je toch altijd in je hoofd lokaliseert, zich tijdelijk naar omlaag verplaatste, want mijn hoofd was alleen nog maar reukorgaan.’ Een voorzichtige kus op de wang, is de aanzet tot verandering.

George balanceert tussen twee vrouwen: Marijke en Ingeborg. De balanceeract wordt verbeeld door een wiebelig pontje dat heen en weer wordt getrokken, met onophoudelijke twijfel tot gevolg: naar rechts, naar links, naar voren of achteren? Met Ingeborg (bijna dezelfde letters als George) doet George een wedstrijdje, wie kan de padjes het verst laten springen? Nog een metafoor naast de bewegende pont is de schaduw die de werkelijkheid al dan niet aan het oog onttrekt.

Maarten Luther als antisemiet

Luisterend naar de mooist denkbare klassieke muziek van Horsch en Chanon in de Akerk te Groningen, denk ik na over de naamgever van het Luthers Bach Ensemble: Luther. Het is de week van gruwelijke aanslagen in Gaza. In praatprogramma’s op televisie wordt hardop verbaal geworsteld. Mag je decennialange Israëlische onderdrukking en agressie tegen de Palestijnen noemen als verklaring of zelfs de oorzaak van de wrede Hamasaanslag oktober 2023 op onschuldige Israëliërs?

Kranten buigen zich over verguisde helden. Tobiah Palm schrijft op 24 oktober in Trouw dat de KNAW vraagt wat te doen met standbeelden van de slachter van Banda, J. P. Coen. Musea brengen extra informatieve bordjes aan bij openlijk racistische beeldende kunst. De Nederlandse regering en het koninklijk huis bieden excuses aan voor Nederlands slavernijverleden. In het verleden zijn dingen gebeurd die lang met de mantel der verhullende onnozelheid en liefde zijn bedekt onder lagen stof. Stof heeft de neiging op te waaien in woelige tijden en laat zo werkelijkheden zien die men liever niet onder ogen ziet. Wie bijvoorbeeld weet dat Groningen de derde Nederlandse stad was die profiteerde van de slavernijinkomsten? In de Volkskrant van 25 oktober stelt Peter de Waard dat de Nachtwacht misschien beter als roofkunst aan Indonesië wordt teruggegeven als vergoeding voor de geroofde specerijen uit Neerlands koloniën.

In de lagereschoolgeschiedenisboekjes wordt Maarten Luther (1483 – 1546)  geportretteerd als de bestrijder van de aflaat, een katholiek vehikel om zonden af te kopen. Hij zou stellingen tegen een kapeldeur in Wittenberg hebben gespijkerd. Luther was ook, zoals vele Duitsers in dat tijdperk, een antisemiet. Volkskrantcolumnist Max Pam schrijft in Beweringen en Bewijzen op 17 oktober 2023 wat Luther uitkraamde over Joden. Zijn uitspraken zouden, geuit in een voetbalstadion, een levenslang stadionverbod opleveren. En terecht.

Voor stichtingen en instellingen die de naam Luther dragen zijn dit lastige tijden. Direct een andere naam aannemen is veel gevraagd. Zich distantiëren van Luthers met Jodenhaat doordrenkte uitspraken niet. Hoe kijkt het Luthers Bach Ensemble in Groningen aan tegen de oude Luther? Zij verduidelijkt noch excuseert zich in concertprogrammaboekjes. Het zou het bestuur van Luther-instellingen sieren op websites en in programmaboekjes expliciet afstand te nemen van Luthers gedachtegoed als rabiate antisemiet. Doen alsof je neus bloedt is voor concertbezoekers nabij de Groningse Folkingestraat geen sinecure.