(Vluchtende) Madonna

Leuker dan het is klinkt het: gearrangeerd huwelijk;
ouder dan hij was, leek hij, al jaren veertig;
En zij zestien: verre nicht, nog verdere neef;
Nu Madonna die acht moederschappen eert.
Boko fokking Haram, Al Qaida, woorden,
Namen van het kwaad, schenden, moorden,
< Alles uit naam van hem die daar Allah heet >
Vrouwen van toen, nu, mannen, gezinnen
Op weg naar toevluchtsoorden, godinnen
Op naar vrijheid, hoop, toekomstplan
Voorbij de duurste einders herbeginnen.

In de boot wordt stiekem en onhoorbaar
luid gevloekt; wie had de boot zo volgeladen
Wanneer was het tripje volgeboekt?
De Libische koopman had zich lang beraden,
Lampedusa was het doel, IS de kwade
Genius, voor drie duizend dollar kochten
Ze brokjes toekomstdromen, een scherf genade;

Hebben ze geluk komen ze in Ter Apel,
Middelstum, Houwerzijl, Midwolda, ’t Waar;
Eten ze poffert, appelmoes, kolen van boeren.
Leren de mooiste woorden als Goud Laiverd.
Ruime harten wandelen langs koolzaadvelden buiten
Roswinkel met uitzicht op blauwe luchten & leven.

(geschreven bij schilderij ‘Vluchtelinge’ van Mary Velthoen, Middelstum)

Wiebe Hayes, held van Winschoten

Wanneer wordt een mens een held,
Hoeveel daden kost die naam,
Wanneer krijg je wereldfaam,
Ruimen angst en lafheid veld?

Geef Toos een man in d’r kunstenmakerhanden en ze kneedt,
Ze kneedt een man tot kerel, een verhaal tot wapendrager,
Winschoter vechter, soldaat, no bloody guts no glory, dat telt;
Wat telt dat is ingrijpen, niet wegkijken, dat maakt de held.

Een kloeke kop, een ruige baard,
Een verre blik kijkt onvervaard;
Een mensenredder is geboren,
De duivel wordt te zwaard bezworen.

Daar staat hij frank en vrij en fier te wezen
En overleeft met groot gemak vergetelheid.
Toos’ brons schenkt hem onsterflijkheid,
Zijn heldendom in woord en beeld geprezen.

(geschreven bij het beeld ‘Wiebe Hayes’ van Toos Hagenaars, Winschoten)

Kinderen die de wereld hebben veranderd

In mijn jeugd kenden we het meisje uit Vietnam
Dat op de foto rende voor de napalmbommen
De tragiek die haar toen overkwam
Scoorde rake, vette krantkolommen
Hoe ze heette wist ik niet, haar naam was zoek
Tot ik las: ze leeft, ze heet KIM PHÚC

Ik las een boek over een Berlijnse meid
Die heel veel rookte, slikte, dronk en snoof
Voor wie haar waarschuwde hield ze zich doof
Haar leven was mislukt, haar puberleven dwangarbeid
In films en boeken krijgt zij nu verdiend reliëf
Haar naam leeft ongebroken voort: CHRISTIANA F.

Dit Pakistaanse meisje werd symbool van strijd
Nadat een kogel door haar hoofd schoot: BWAM
Werd zij pas goed beroemd, zelfs wereldwijd,
Haar moed en kracht raken niet uitgedoofd
Zij spreekt met koning, prinsen, president
Haar naam? MALALA, door alleman gekend.

En wil je zelf iets aan de wereld doen,
Wees dan vrij en Frank als Anne,
Nkosi, Wilma, Ruby, Andrew, Felix, Helen
Shin, Sadako , Urmila, Kesz, Nujood,
Rekha, Iqbal, Severn, Mattie, Aurora,
Ishmael, Basilio,
of schrijf hier je eigen naam:

(geschreven n.a.v. het boek Kinderen die de wereld hebben veranderd’ van Floris van Straaten & Els Kloek)

Tennistoernooi

De afgezakte broek raakt moe en zweet
besmeurt het altijd blauwgerande wit,
dat voor de wedstrijd nog wel proper zit,
maar naderhand de leeftijd niet omkleedt.

Men loopt vergeefs naar links, vervolgens weer
naar rechts; en tussendoor poogt men vol vaart
een bal te slaan, welks baan beklagenswaard
wordt nagestaard door Onze-Lieve-Heer.

Hier speelt tragiek een wedstrijd tegen tijd,
zo stel ik vast; een ander sprak geschokt
van vuige schennis van de eerbaarheid.

O heer, terecht verbood u spotternij,
doch geldt dat ook als het wordt uitgelokt
door tennissers, bekeken van dichtbij?

Foxel en Klazienaveen-Noord

Foxel is als ons Leymiat in Frankrijk,
Poncin Est is Klazienaveen-Noord,
De mooist denkbare middendorpen,
Met het Verlengde Scholtenskanaal,
Westelijke Doorsnede, Blues aan de Runde,
Een landgoed, dorpshuis en tattooshop skullhouse.
Wat had de waterplanteninkoper een goede dag;
De koperen handen van Wiebe Russchen
Gebieden de stroming van de Runde en
Tarten de messende zagen van het
Overbodiger dan overbodige waterschap.

Een Frans gezin verpandt zijn hart
en vakantiegeld aan Zuid-Oost Drenthe,
Zoals wij geluk onttrekken aan
Wat we, non-stop parole, parole, parole neuriënd,
Het stenenriviertje noemen.
Vanaf Cerdon, Rhône Alpe, naar de Ain-vallei,
Waar madame Toubelle het hele jaar rozen topt.
Wij zijn als familie Neuville uit Lille,
we voelen in hen wat noorderlingen voelen,
Ik kijk met de ogen van Philippe,
Damascus, Donetsk en Aleppo ontbreken
Fier op wegwijzers.

Afdraaien

Met haar neus tegen het cabineraam van de verhuisauto zat ze. Vastgeplakt leek het. Haar vader en moeder tussen haar en de chauffeur in. Op elkaar gedrukt als flikken in een Drosteblik. Nadat ze even gewacht hadden voor een Gado-bus, draaiden ze de oprit van hun nieuwe huis op. Aukina had meer belangstelling voor het kanaal. Het ‘daip’ zoals ze hier zeiden. ‘Daor is ’t daip, pas maor op want d’r zit een boesjeude in, die je in ’t wotter trekt.’ Woorden van de nieuwe buurman. Hij bedoelde het niet verkeerd. Een boesjeude was een boeman, leerde ze later.
In het kanaal lagen oude roeibootjes, een nette sloep en een enkele vlet. Voorbij de bocht naar Heiko die het met Aaltje hield, lag een platbodem, de Heiltje 23. De midscheepse mast geknakt als een topzware gele lis, de giek bungelend in het kanaal. Voor elk huis een steiger. Gele plompen hadden het moeilijk in het donkere water. Gek genoeg pijlpunten en krabbescheer niet. Aukina, Geesje, Abeltje en Alie waren hartsvriendinnen. Op woensdagmorgen renden ze het schoolplein af naar het kanaal. Vaak wonnen ze de race van de jongens. Hiepko, Mans, Homme, grote Geert en Gezienus waren net iets later, zij moesten de meester helpen met opruimen. Aan het eind van de woensdagmorgen hadden de jongens spreekwoorden terwijl de meisjes handwerkten. De vrije woensdagmiddag lonkte. ‘Waarom heet ik Aukina?’ had ze haar moeder gevraagd. ‘Aukina lijkt op Auke, een jongensnaam.’ ‘Je va komt uit Annerveenschekanaal en die vond de combinatie van een A en een K zo leuk,’antwoordde haar moeder geduldig.
Het mooiste van het kanaal waren de bruggetjes. Badde of draaigie heetten die hier. Smalle oversteken verbonden beide walkanten. Sommige met, sommige zonder leuning. De draaigies konden worden opengedraaid door te draaien aan een ingenieuze hendel die de brug open duwde. Iedereen wilde natuurlijk wel draaien.
De meiden renden naar het dichtstbijzijnde stadsdraaigie en begonnen de roestige hendel los te draaien. De eerste minuut gebeurde er niks. De spanning nam toe want ze hoorden het geklepper van de jongensklompen al. De jongens kwamen snel dichterbij. Net toen Abeltje het ijzer van Alie overnam, week de brede loopplank van de ijzeren drempel en werd het water breder. Belletjes en lichte schuimsporen ontstonden. Futen maakten dat ze wegkwamen. De waterscheiding te breed voor de jongens. Homme deed alsof hij ging springen. Klompen uit, een aanloop. Hiepko trok hem aan zijn arm. Woeste blikken vanonder de kleppen van de verschoten petten. ‘Aander maol kriegen wie joe…’ Opgetogen dansten de meiden op de smalle badde. Weer gewonnen.
Niet alleen hadden ze de jongens verslagen, ook Roelf Roetert, de brugafdraaier, waren ze te snel af. Roelf was brugafdraaier voor drie bruggen en als hij bij de verste was, ergens tegenover boer Wolters, kon hij nooit op tijd terug zijn om de meiden tegen te houden. Ook Roelf droeg klompen, klompen met leertjes in plaats van kapklompen. Maar hij was niet de snelste. Het leek alsof hij constant hinkelde. Waar hij wel goed in was, was verspugen. Als hij op de boerenbadde stond kon hij, bij windstil weer, het moest er natuurlijk wel eerlijk aan toe gaan, wel drieëneenhalve meter ver spugen. Hij bolde zijn wangen, maakte eerst losse maar allengs strakke kauw- en knaagbewegingen, zodat zijn speeksel een krachtig mengsel met de pruimtabak vormde. Als het dun en waterachtig was, nam hij de spuughouding aan. Zijn bovenlichaam kromde zich en dan kwam de ontlading, die gepaard ging met een fluitend geluid dat eindigde in een klots. De straal spuug maakte een fraaie boog en eindigde in het kalme water een beetje als een suikerklont in een mok chocolademelk. Cirkels rond daar waar de klodder het water raakte. Trots keek Roelf in het rond en incasseerde bewonderende blikken. Hij stond net zo trots als wanneer een passerende kapitein twee centen in zijn klompje stopte dat Roelf slingerend boven het scheepje hield. Dat Roelf later door een vrouw zou worden opgevolgd, ach, daarvan had niemand nog een idee.

Zuidoost-Drentse Franse goden

De luchtballon blijft rustig verder varen
Wanneer zij Zuidoost-Drenthe hoog passeert;
De piloot, ja zo heet hij echt, opteert
Voor rust en blijft wat glazig naar de wolken staren.

Ver onder hen loopt doodgemoedereerd
Een verre neef van Ellert luid te zingen
Bedwelmd door iets anders dan seringen
Klinkt in de wolken hier zijn stem gesmeerd

Op aarde zien we rare varkens die
stinkend hun best doen om een hond te worden
niets is hier wat het is: een koe die ganzenbordde
de waarheid botst hier met de fantasie

in deze streken wordt op grote schaal
de cannabis sativaplant verbouwd
en al wat leeft en van een blowtje houdt
leeft hier als Franse God: fenomenaal!

Duiven in Noordbarge

De pluimen worden daag’lijks glad gestreken,
Hun vleugels strak, geen veertje in de war.
Ze zijn hier nu al meer dan dertig weken;
Zij: Caspar, Melchior en Balthasar.

Ze voelen zich al thuis en vliegen af en aan
En raken op de tuin niet uitgekeken.
Ze hebben, lijkt het, almaar dingen te bespreken,
Hun stemmen als een bas, tenor, sopraan.

Een Turkse tortel heet Gert-Jan, zijn bijnaam Vier.
Zijn partner is niet meer, ineens verdwenen,
Dit zijn zo van die eco-fenomenen,
Je wenst het niemand toe, noch mens noch dier.

Terwijl Noordbargers zich op schaatsen voorbereiden
Beleven duiven op de til hier gouden tijden.

Vijverbrinkenweg

Als ik mijn ogen sluit zie ik een schone schare
Cherubijnen van de allermooiste soort en kleur;
ze zingen, spelen, morsen wat met etenswaren
die ze juist kochten bij de grotestadstraiteur.

De voorste van de groep schrikt zich een ongeluk
als hij de zuidas van de Vijverbrinkenweg passeert;
zijn hart en trommelvliezen barsten bijkans stuk
bij ’t horen van een knal: een melkbus explodeert.

De hangjeugd juicht en klapt de handen rauw,
maar één van hen bedenkt zich en snelt gauw
naar ’t pas verbouwde Slener MFC, waarna hij,
op zijn opgepimpte Honda teruggekeerd,
het bijna dode engeltje met veel gevoel defibrilleert.

Ik doe mijn ogen open en begin te mijm’ren
over het nut en de moraal van dit verhaal:
daar is het al: wees wakker en vooral heel gis
en zorg dat, zo voor nieuwjaar en na kersemis,
je brommer altijd volgetankt en in topconditie is.

Vrede met Finkers, Hans Teeuwen of Freek

De sloten bevriezen, de haard vat weer vlam,
De hele dag lezen, het schaap naar de ram.

Een bokbier van Grolsch, een Leffe van ’t vat,
Een Cantate van Bach, een worst van de lat.

Een boek van Mark Haddon, wat langer in bad,
De kaarsen vol vuur, een muis voor de kat.

Een bol uit de olie, een vis uit het zuur,
Gezang in de verte, een bal uit de muur.

Op zondag een kuier, een kop hete snert,
wat hooi voor het paard, en op naar ’t concert.

Een snoek uit het meer in de luwte van Sneek,
Vrede met Finkers, Hans Teeuwen of Freek.