Maarten ’t Hart 6 ‘De kritische afstand’ (1976)

Maarten ’t Hart 6 ‘De kritische afstand’ (1976) is een heerlijk populair wetenschappelijk boek over diergedragskunde. Etholoog ’t Hart observeert, discussieert en schrijft scherp en met humor, maar al te lange tenen lezen maar liever driestuiverromans. Kunnen feiten uit de ethologie op mensen worden toegepast? Is er verschil tussen instinct en (aan)geleerd gedrag? In het blokje waarbij ’t Hart menselijk met dierlijk gedrag vergelijkt, en een chimpansee beschrijft die zijn vinger in de anus van zijn kameraad steekt en er vervolgens luidruchtig aan snuift moet iedereen natuurlijk denken aan Joachim Löw, trainer van het Duitse nationale elftal, die zich onbespied waande en zijn hand in zijn onderbroek stak, zijn eikel liefdevol betastte en  daarna zijn hand driftig ruikend voor zijn neus hield. Voor de Studiosportcamera.

Bioloog ’t Hart schrijft over agressie en spelgedrag, evolutie, incestvermijding, (on)geslachtelijke voortplanting, promiscuïteit en monogamie, en reproductiecapaciteit, waarom er (twee, drie, vier) seksen zijn. Het woord feminisme komt voorbij. Soms nabij het woord radicaal en simplistisch. Met uitspraken als ‘een vrouw is in onze maatschappij een wezen dat tussen een man en een hond in staat’ bewijst ’t Hart dat hij controversiële stellingen, die ook eind 70 van de vorige eeuw al discussies opriepen, niet schuwde.

De zeer belezen ’t Hart gaat in op incest in de literatuur en komt uit bij Melville, Eliot, Mann, Musil, Fontane en de Nederlandse auteurs Vestdijk en Kooiman. Bij Emily Brontë analyseert ’t Hart, gelardeerd met vele citaten, incestueuze verhoudingen.

Dat Darwin muziek aan seksualiteit koppelde is volgens ’t Hart de grootst mogelijk onzin, hoewel een waarachtig groot man als Kierkegaard stelde dat muziek zinnelijk erotische genialiteit uitdrukte. En verder gaat de auteur over de biologische oorzaak van muziek. Hij citeert de etholoog Eibl Eibesfeldt die, met een wonderlijke gedachtesprong stelt dat alle grootste melodieën opgesmukte slagersjongensdeuntjes zijn. De vraag of het zingen van vogels muziek is, ligt voor de hand en lees, daar is Thorpe al die van transponerende merels sprak en ’t Harts redenering dat vals en trekkerig kerkelijk gezang bedoeld is om het territorium af te bakenen toont zijn humor. Bij de vraag in hoeverre muziek een stimulus is wordt Bach op de troon gezet doordat ’t Hart stelt dat bij Bach de grootste weerstand tegen habituatie is.

Tenslotte nog interessante observaties omtrent groet- en lachgedrag en andere non-verbale communicatie, autisme en gedrag van kinderen en als laatste hoofdstuk, één over agressie, met praktijkvoorbeelden.

Maarten ’t Hart 5: ‘Het vrome volk’ (1974)

Elf korte verhalen, veelal vanuit het point-of-view van een jongen,  verpakt in een boek met een schitterende omslag, een detail uit ‘Intrigue’ van James Ensor. Alle verhalen zijn geweldig om voor te lezen. Ze zijn dooraderd met vaste themata van ’t Hart: schuldgevoel, vroomheid verpakt in dwangmatige religieuze gedachten, ontluikende en tegelijk problematische seksualiteit, tirannieke geloofsuitingen, bijzondere gedragingen, slachtofferschap en verregaande intolerantie tegen alles wat anders is,  natuurfenomenen en ook zeer veel humor.

  • Het Braakland: terwijl de jonge ik-persoon zich het hoofd breekt over onbegrijpelijke woorden van de dominee, sterft de oude Quack in de kerkbank. Kan het mooier?
  • De bunzing: de jonge ik-persoon ziet dat zijn vader en de buurman een bunzing doden; hij verwijt hun dat ze een beest hebben gedood tegen Gods wil.
  • Het paard: Misschien het mooiste voorleesverhaal: gevoelig, wreed, tijdloos: als de jongens op een hooizolder spelen horen ze dat een paard op hol is geslagen en te water raakt. Mannen doen wanhopige pogingen het paard op de wal te krijgen. Bij de roomse kerk komt het dier, doodop, aan wal. De dierenarts constateert te veel water in de longen en adviseert het paard de kop af te snijden, wat een vader doet.
  • Handel: Oom Adriaan is een bedrieglijke handelaar in oude harmoniums. Zijn neef gaat mee als er een oud orgel gekocht moet worden en speelt wat zodat de prijs gedrukt wordt.
  • De aardbeienplukker: een 14-jarige jongen is aardbeienplukker. Twee vrouwen zeggen dreigend dat hij met een van hen het koren in moet. Als de plukkers denken dat hij gesneden is wordt zijn broek uitgetrokken en zijn lid betast en bekeken.
  • De neef van Mata Hari: niet alleen komt de nieuwe dominee op de racefiets bij de kerk aan, ook wordt hij ’s nachts stomdronken gespot. Als de dominee er ’s avonds opuit gaat wordt hij achtervolgd en ziet men hem naar de hoeren gaan. Hij wordt geschorst.
  • Ouderlingenbezoek: ouderlingen bezoeken het gezin van de ik-persoon en er ontstaan ruzieachtige discussies over toepassing van bijbelteksten in het gewone leven.
  • Hoge hoed: over een dominee die zijn hoge hoed is vergeten bij een begrafenis in WOII en een nieuw hoedenprotocol verzint dat door de ouderlingen wordt overgenomen.
  • Hoofdschedelplaats: de dienstplichtige neef ontmoet zijn godsdienstwaanzinnige oom die kapper is in het leger.
  • Een oxim uit Amerika: over nare dierproeven in België, bezocht door een dienstplichtige.
  • Hoogzomer in april: over de vernietiging van de aarde door de mensen.

In Memoriam Rob Wehrens

Op twee september kwam Rob Wehrens uit de tijd. Bijna 92 jaar oud. Gestorven in zijn slaap. In zijn laatste brief aan mij schreef hij: ‘Als ik morgen niet wakker zou worden, zou dat goed zijn.’ Toen ik deze zin las dacht ik: ‘Moet ik hem nog informeren over het bestaan van ‘Coöperatie Laatste Wil?’ En als hij een niet-confessionele maar wel goed opgeleide huisarts heeft die de wet respecteert, zal Rob toch, mocht het op ondraaglijk lijden uitlopen, euthanasie verleend kunnen worden? Rob vertelde dat hij tevreden op zijn leven terugkeek. Ik heb Rob meer dan veertig jaar gekend. We waardeerden en respecteerden elkaar. Gezien onze uiteenlopende naturen, opvattingen en achtergronden mag dat een klein wonder heten. Als ik me niet vergis startte Rob zijn loopbaan op een lagere school in Soest waar hij een klas met 50 brave Gooise kinderen onder zijn hoede had. Zijn ietwat bekakte, Gooise, accent, heeft hem nooit gedeerd, integendeel, ik denk dat hij het cultiveerde.

Ik leerde Rob kennen in de periode dat er in Emmen twee MAVO’s fuseerden. Direct erna kwam er een HAVO-afdeling bij. Rob kwam uit het Baander-kamp waar de tijd leek te hebben stilgestaan met bedaagde senioren die zonder uitzondering drie sigaretten per les rookten en inmenging in hun bastion wat lastig vonden en hoopten dat veranderingen hun deur voorbij zouden gaan als inspecteurs aan hun vakgroep. Rob was geen onderwijsvernieuwer maar hij ging de discussie niet uit de weg en stond open voor samenwerking, zelfs met een eigenwijze collega van MAVO Allee. Vanaf het allereerste begin kregen wij samen de schoolkrant onder onze hoede. Ons werd lof toegezwaaid, waarop meneer Wehrens de directie voorhield dat dan het aantal taakuren verdubbeld zou kunnen worden. Of dat gebeurde weet ik niet meer, wel dat ons een HAVO-collega werd toegeschoven. Op school zal Wehrens niet altijd de gemakkelijkste docent zijn geweest. Zijn vakken waren Frans (met altijd halve klasjes) en Engels. Op grote avonden in de Muzeval deed hij graag mee. Nog zie ik hem vol zelfvertrouwen in een afgeladen Muzevalzaal soleren met La Mer van Charles Trenet.

Dat Rob geen alledaags levenspad bewandelde moge blijken uit het feit dat hij tweemaal met dezelfde vrouw trouwde en vervolgens ook twee keer van haar scheidde. Wij konden het goed met elkaar vinden. Rob kon goed koken en hij wijdde ons in in de geheimen van Spaghetti Carbonara, eind jaren tachtig heel wat anders dan aardappels met boontjes en een speklapje. Rob vergezelde ons eens op vakantie naar Poncin (F.) waar hij, onder het lover van oude populieren onze oudste zoon leerde rekenen met behulp van Smarties. En passant leerde onze zoon dat ‘Meneer Rob’ beter klonk dan gewoon ‘Rob’.

Wij maakten Rob mee in de Bargeres in Emmen, op twee adressen in Exloo en later weer in een appartement in Emmen. Bij zonnig weer zagen we hem op afstand al zitten op het balkon in zijn bruine blote bast. Rob had geen computer of mobieltje. Hij koesterde zijn zwart-bakelieten telefoon die hij gebruikte om zijn Zweedse vriendin, die ik oneerbiedig scharrel noemde, wekelijks te bellen. In zijn laatste jaren werd Rob liefdevol bijgestaan door zijn zoons die hem wekelijks bezochten en hij had een fijne huishoudelijke hulp, een rollator en de Jumbo naast de deur, waar hij elke dag koffie scoorde. Als pensionado maakt Rob zich nuttig als voorlezer van luisterboeken.

Journaal week 36: hopen, fietsen, vallen, kijken, overwegen

Je leest wel eens van bezorgde gasten die de boeren willen helpen uit hun negatieve spiraal te klauteren en de  door de boer omgekeerde vlaggen weer recht hangen. In het Groningse Niezijl is een crowdfundingactie gestart voor woningaanpassing voor een vrouw. Zij was van zes meter hoogte uit de bek van een verreiker gevallen toen ze bezig was een vlag omgekeerd op te hangen. Ik hoop dat ze het uit vrije wil deed en dat de boer het haar sterk had afgeraden.

linosnede van Rob van Eek

Het is warm als ik met krachtpatser Mark die ik in gedachten Bouke noem ga fietsen. Het is 30°. Ideale omstandigheden. Voor vertrek houd ik me voor dat dit misschien de laatste keer is om ons record uit 2022 van 31,4 te verbeteren. Buiten de stadsgrens komt het doel snel dichterbij. Met lichte tegenwind rijden we richting Slochteren tussen de 32 en 35. Ik voel me goed, krachtig en verheug me op het voordewindstuk. Het record breken zit in de lucht. Op de fietspaden is het rustig. Dan een betonnen pad. Smaller. Er is gemaaid. We rijden 35. Als ik iets naar rechts zwenk raak ik van de weg. Geen hectometerpaaltje, boomstronk of betonblok maar hooi. Enigszins duizelig lig ik in de berm. Niets geraakt. Niets gebroken, voel ik. Een flinke schaafwond op de schouder en een gevoelig scheenbeen. Ik vloek. M. komt kijken. Opgelucht lachen we en praten over valpartijen in de grote Franse koers waarin vallen en opstaan dagelijkse kost is. M’n Giant TCR is schadevrij. Enkel de ketting van de derailleur. We vervolgen onze route en maken weer lekker vaart. Een record zit er niet meer in, het wordt 30/u. In De Groeve, what’s in a name, rijd ik plat op een scherpe steen, maar blijf net overeind. In de hulpauto huiswaarts besluit ik dat het mooi is geweest met de recordjacht en verlang alweer naar rustig solorijden en lekker toeren met de Mastersgroep van Spaak op zondagmorgen.

Met Quirinne, by far de interessantste vrouw van de cursus Gronings [zij laveerde van juridisch fiscalist aan de Zuidas via lipstickinkoper bij de Bijenkorf naar grassoortenexpert bij Natuurmonumenten], ga ik naar borg Verhildersum in Leens. De naam Ede Staal trekt. In de expositieruimte liggen virtualrealitybrillen. Moeilijk. We zien oude foto’s van een klompendrager die muziek maakt in zijn moerstaal. Liedteksten aan de wand die we meezingen en neuriën. Ik voel verwantschap met de plattelandsjongen Staal die ook leraar was. Beiden hadden we  geiten. Q. en ik praten na over de cursus Gronings en het groepsproces met vier mannen en dertien vrouwen. In de fruitboomgaard denk ik dronken schapen te zien, ik zie lome bewegingen, dromerige ogen en belletjes uit malende bekken. Natuurmens Q. corrigeert me: ‘Het fruit is nog niet rot en bevat geen alcohol.’ We gaan ons te buiten aan rijpe, rode pruimen. Mooier dan de borg met de siertuinen, het arbeidershuisje, de sympa vrijwilligers, en de twee koetshuizen zijn twee duiventillen buiten dienst: één heel grote op stenen poeren en één die boven de toegangsweg staat: wit, smal, langgerekt, hoog, supermooie belijning. Heel even overweeg ik me aan te bieden om er een sierduivenpopulatie te onderhouden. Bij de lunch bespreken we de staat van de wereld en of redding nog mogelijk is.

Maarten ’t Hart 4: ‘Ratten’ (1973)

’t Hart is een expert op het gebied van dierengedrag. Hij promoveerde op stekelbaarsjes en gedurende zijn studie biologie bestudeerde hij ratten. In ‘Ratten’ schrijft hij over het gedrag van ratten, de leefwijze, hun leervermogen, kannibalisme, de bestrijding en het interessantste fenomeen: de rattenkoning. Voor de liefhebber geeft hij advies over ratten houden als huisdier.  ’t Hart wast enkele gemakzuchtige dierdeskundigen, vooral dierpsychologen, de oren en maakt korte metten met vooroordelen, aannames en onbewezen, door angst, sensatiezucht en onwetendheid ingegeven uitspraken. Interessant feitje: theoretisch kan een rattenpaar in één jaar uitgroeien tot een familie van 1808. Het is een bijzonder leesbaar (studie)boek, compleet met tabellen en statistieken èn met fraaie foto’s en prenten. ’t Hart maakt uitstapjes naar andere dieren: stekelbaars, eekhoorn, (zoetwaterpoliep) hydra, de wasbeer en de platworm¹. Natuurlijk komt ook de relatie tussen dierproeven en vermeende relaties met de mens, via Skinner, aan de orde.

Het gedrag van de rat wordt uitgebreid beschreven en ook de verschillen tussen de zwarte rat (rattus rattus) en de bruine rat (rattus norvegicus). ’t Hart gaat in op het fenomeen van de ‘rattenkoning’, compleet met een röntgenfoto: een onontwarbare kluwen met de staarten aan elkaar verkleefde en verknoopte ratten, tot soms wel veertien stuks. Het woord Rättenkönig werd voor ‘t eerst door Luther gebruikt in 1524. En ’t Hart zou ’t Hart niet zijn als hij – met Maarten L. – niet de rattenkoning zou verbinden aan de paus.

¹ ’t Hart beschrijft een bijzonder experiment met platwormen. Bekend is dat de beide delen van doorgesneden platwormen weer doorgroeien. De vraag is of het kunstje dat een platworm is aangeleerd ook wordt beheerst door de twee volgroeide wormen nadat de worm is doorgesneden. Het antwoord is ja. 

Maarten ’t Hart 3: ‘Ik had een wapenbroeder’(1973) en Gronings Ontzet

 ’t Hart is met recht een oeuvrebouwer, alle elementen uit zijn latere werk komen in dit, zijn derde, boek voorbij: agressie, natuur, literatuur, seksualiteit, jaloezie, macht, muziek, travestie, godsdienst, homoseksuele aantrekkingskracht en vriendschap tijdens militaire dienst. In het eerste deel,  ‘De verhoren’ treden de bescheiden, ingetogen Ammer Stol en de praatgrage, wereldwijze Arthur Holm op. De hoofdstukken met de nieuwe, academische geschoolde, dienstplichtigen wisselen hoofdstukken af waarin Ammer door de militaire politie wordt verhoord over de dood van zijn vriend. Er ontvouwt zich een homo-erotische verhouding tussen Stol en Holm. Deel II, ‘Kleine oorlog’ gaat over een nachtelijke legeroefening. Ammer met een gereformeerde en Arthur met een joodse achtergrond, hebben diepgravende gesprekken over menselijk gedrag, agressie, lijden en verzet, dader- en slachtofferschap in (concentratiekampen en in) oorlogstijd. Ammers wens een vrouw te zijn, of althans vrouwenkleren te dragen, komt uitgebreid aan bod. Ammer in travestie betovert eerst beiden, maar allengs verandert Ammer voor Arthur in een onbenullige huilebalk, een jaloerse, verwekelijkte hysterica. Bij de eerste les in pistoolschieten gaat het mis en in de allerlaatste zin vindt het fatale ongeluk plaats. ‘k Krijg met de dag meer zin in de volgende ’t Hart.

Gronings Ontzet. Het NNO musiceert zondagavond 27 augustus op de Ossenmarkt in een tent met Love is in the Air. Ik klim op de steiger met de 3000 Watts geluidversterkers en hijs twee mij onbekende vrouwen op die ‘Mag dat?’ giebelend maar wat graag naast me komen staan en lustig lonken naar de dirigent die meer oog heeft voor Grieg, Rossini, Mozart, Bernstein, Gershwin, dat werk. Heel mooie muziek, met aan het begin, een echte regenboog en aan het eind een muzikale in ‘Over the Rainbow’ uit The Wizard of Oz van Arlen; kan het mooier? Voor Groningen betekent Love is in the Air beginnen met het veelbelovende, geile Groningse volkslied, dat nog niet iedereen kent. Dirigent Eivind Gullberg Jensen heeft zijn lief, sopraan Mari Eriksmoen, ingehuurd als soliste. In een zwart struisvogelpakje zingt ze de sterren van de hemel. Met zo’n liefdesthema hoop je dat de musici zich ook wat sexy hebben uitgedost en de partituur laten liggen waar die hoort: in het repetitielokaal. Met en uit het hart spelen, het publiek zwoel aankijken, daar hoop je op, Love Is In The Air, toch? Maar het worden weer libido-vermorzelende mat- en glimmend zwarte pakken en jurken met hoogstens een split, en ogen gekleefd aan het papier, maar of dat nu Love oplevert?

Maarten ’t Hart 2: ‘Stenen voor een ransuil’ (1971) en 4 x Noorderzon

’t Harts debuutroman is verdeeld in drieën. Deel I, ‘De hoge zwaluwen’ deed wat stof opwaaien en werd door recensenten herkend als het werk van een topauteur. De uitgever zegt: een afstandelijk en precies geformuleerd verslag van de religieuze verminking van dertigers en veertigers. Ammer Stol, zoon van rechtzinnige ouders, raakt betoverd door muziek (van Bach, Frank, Beethoven) en krijgt, eerst stiekem, en later als hij de organist in zijn vaders kerk kan vervangen openlijk, orgelles van Brikke, een wat oudere man met pedo/homo-erotische aanvechtingen die Ammer niet begrijpt. Een tragische, eenzame, komische, indringende zoektocht omtrent homoseksualiteit staat centraal. ‘Godverdomme,’ schreeuwde hij,  waarom duren die rotpreken tegenwoordig zo kort?’ Aldus Brikke, die de jongeheer Ammer aftrok op de orgelgalerij tijdens de prediking, maar Ammer wist al dat hij nooit klaar zou komen. Deel II, ‘Vluchten’, kent een heel ander verhaalperspectief omdat er een nieuwe ik-persoon optreedt met wie Ammer bevriend is. We nemen een sprong in de tijd van zeker 10 jaar naar een vakantie in Engeland. Opvallend detail: heteroseksualiteit wordt hier nog ‘normaal’ genoemd. In deel III, De zomerslaap, ontmoet Ammer Brikke weer en later volgt een weergaloze passage over een schoolklas en leraar Tipsel die het aan de stok krijgt met ongelovige leerlingen. Ammer neemt het op voor een weggestuurde Hugo. Meesterlijk. De verhaalcirkel sluit als Ammer nog een keer het huis van Brikke bezoekt.

Noorderzon Groningen 2023:

I de vijfsterrenparade van NRC en VK voor Cirque ICi van Johann Le Guillerm is terecht. Nooit zag ik zo’n betoverende, spectaculaire, verrassende, technisch vernuftige acrobatiek in een circustent, begeleid door constant nerveus druppelgeluid, piepjes en het geknisper van des acrobaats vingers en schoenengetikkietak.  We zien een keur aan buitenissige vondsten gerelateerd aan bewegings- en zwaartekracht. Het begint met een uit de nok neerdwarrelend veertje dat door Le Guillerm in de lucht wordt gehouden en eindigt met een soort mikadostokken van 2,5 meter die zonder lijm of spijkers een overkapping over de gehele piste vormen. Tussendoor nog wandelende staken, opvouwbare en in de lucht gehouden kunststof panelen, een op zandlopers gebaseerd bewegend aquarium, kortom onvoorstelbare, zelf ontworpen en gemaakte constructies.

II Wat een verschil met de geluidskunst van Bouke Groen uitgevoerd in het Provinciehuis door het Vocaal ensemble A Capelli. Zonder stoppen worden in plaats van zinnen geluiden gezongen in drie ruimtes. Moeilijk. Bijzonder! Dan is 30 minuten ook wel weer mooi.

III Margôt Ros en Jeroen Kleijne presenteren hun samen geschreven boek ‘Zeg maar Agaath’. Het echtpaar Ros/Kleijne boeit geen minuut. Ros en Kleijne paaien het Groningse publiek door de Amsterdams Parade te kleineren. Groningen applaudisseert de handen rauw. Geen reclame voor duo-auteurs.

IV Met opperste concentratie speelt Andrea Salustri met piepschuim: hij jongleert met piepschuimbollen boven een ventilator en bereikt een soort Zen-moment: stilte, ontspanning, fixatie. Van alle bezoekers daalt de ademhaling en hartslag dusdanig dat de krappe zitbankjes, geposteerd op lichaamsgrootte van miniatuur-Italianen uit de tijd dat het Vaticaan nog aanzien had, gedurende negen minuten niet onprettig aanvoelen. Salustri danst gracieus met een plaat polystyreenschuim, maakt een sneeuwbui van verkruimelde korrels en zet grote ventilatoren in die met druk en tegendruk een poëtisch piepschuimspel tonen: quasi-wandelende en zwevende platen, en hij orkestreert met vijf of zes microfoons een bijzonder soort psychedelische zenuwlijdersmuziek die enkele bezoekers naar oordopjes doet grijpen. Magisch. Kunstig. Artistiek. Apart. Interessant. Innovatief. Oplettende docenten creatieve vakken die op vernieuwing uit zijn, gaan kunnen scoren; de kunstjes lijken uiterst leerbaar. Of oceaanschoonmaker Bojan Slat blij is met deze vorm van kunst?

Journaal week 33

Scheepswerf Wolthuis in Sappemeer lijkt model te hebben gestaan voor ‘De nieuwe man’ van Thomas Roosenboom, het meesterlijke verhaal van de ondergang van een scheepsbouwer aan het Winschoterdiep. Doe je ogen even dicht en denk aan doener en denker Berend Bepol. Hij gaat ondanks zijn filosofisch onderbouwde goede bedoelingen ten onder. Wat een ellende. Wat een tegenspoed. En dat wordt niet minder als zijn beste knecht Niesten zijn dochter trouwt. Scheepswerf Wolthuis, bijna gesneefd ten gevolge van de demping van het Winschoterdiep in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw, maakt alles begrijpelijk. Dankzij Wolthuis, wiens huis op de museumwerf staat, kunnen we de klinknagels en de schuivende stalen platen nog horen. Doe de ogen maar weer open. Eerst de werf, dan het boek. Of omgekeerd.

Peter Middendorp V: ‘Eerst had ik een leuke vriendin’. De auteur reist door Nederland als ‘Binnenlandse Kosmopoliet’ en beschrijft als een journalist in zijn nadagen mensen en situaties in Rotterdam, Groningen, Heerlen. Niets bijzonders.

Extinction Rebellion organiseert cursussen, lokale actietraining, voor deelnemers aan de te organiseren protestacties. Potentiële deelnemers wordt geleerd hoe zich te gedragen indien de politie om de hoek komt kijken. Ik ken inmiddels drie gasten, allen vrouw, die mee willen doen met de rebellie.

Van wappies via topsporters naar hoogleraren. In Nederland zijn een kleine 10.000 zgn. autonomen of soevereinen. Een soort wappies die zich, ingefluisterd door bedenkelijke juristen en influencers, onttrekken aan maatschappelijke en financiële verplichtingen. Ze betalen geen belastingen en geen zorgkosten. Ze vergeten dat ze gebruik maken van allerlei voorzieningen die geld kosten. De vraagt komt op wat het verschil is tussen belastingontduikers en -ontwijkers als pseudo-Monegasken Max Verstappen, Bouke Mollema en andere soeverein en autonoom in Monaco gevestigde sporthelden. En hoe verhouden de autonomen/soevereinen zich tot het feit dat driekwart van de hoogleraren belasting- en ondernemingsrecht adviseursbanen heeft bij (internationale) Zuidasbedrijven zodat Nederland als belastingparadijs in stand blijft. Hoogopgeleide jongens die een fuck-you tegen de belastingmoraal zeggen. Hoe je de wetenschap waardenvrij houdt door èn in staatsadviescommissies te zitten en als graaiende boeren bedrijven uit de fiscale wind te houden? Maar goed dat er nog Jan Vleggeerts zijn om deze belangenverstrengeling aan de kaak te stellen.

Maarten ’t Hart 1: ‘De Jacobsladder’ (1986)

Maarten ’t Hart 1: ‘De Jacobsladder’ (1986). In de Volkskrant krijgt schrijver Nathan Vecht de vraag welke boeken, klassiekers, hem hebben gevormd tot wat hij is. Hij noemt ‘De Jacobsladder’ van Maarten ’t Hart. Dat verrast me. Ik las het boek in 1987 en besluit het te gaan herlezen en leg Alkibiades van Pfeijffer weg. Ik ken het werk van Maarten ’t Hart goed, heb zo goed als alles van ‘m gelezen, incl. zijn dissertatie, compleet met brief aan de uitgever. Ook heb ik hem eens kort gesproken bij een bezoek aan de t.v.-studio in de tijd dat hij presentator was van een boekenprogramma in 1993.

Houd je van letterknechterij en een inkijk in de gedachtewereld van protestantse kerkafsplitsers die zowat klaarkomen op een nieuw schisma vanwege onmin over het aantal keren dat er doopwater over het kinderhoofdje gesprenkeld moet worden, over een sprekende slang of over het woord gelijk of gelijkvormig, en liever een nieuwe geloofsrichting stichten dan samenwerken, dan is De Jacobsladder een must. Vervlochten: verliefdheden van opa en kleinzoon Adriaan. ’t Hart beschrijft messcherp en liefdevol de kleingeestige cultuur van de zwartekousengemeenschap, compleet met binnen deze gemeenschap levende uitwassen als geaccepteerde incestueuze relaties en prostitutie, zaken die de naïeve Adriaan met argusogen beschouwt.

Beide boekdelen (Een noodwoning voor God en Een markgrond van roerdompen) zijn doordrenkt met natuurobservaties. En dan de alles verstikkende rol van religie, voor Ruygveen, een kommaneukende hardliner, eindigend in het gekkenhuis en een verwoest gezin achterlatend. De goedmoedige, van op een misverstand gebaseerd schuldgevoel doordrenkte Adriaan wenste hem een ladder tot de hemel. Dat ’t Hart, hij was nog jong, moeite heeft met de spelling van het werkwoord gebeuren (p 23, 29), de plaatsnaam Oudemirdum (33, 62) en sommige dialogen uitspint als iemand die niet stopt de garens van een oude trui uit te halen en tegen het eind van het boek het toeval een te prominente rol toebedeelt zij hem vergeven. Waarom ik smul van ’t Hart? Omdat ik, eerder uit een vrij- dan een rechtzinnig nest, veel herken. En sja, hoe graag gebruik ik ook niet de biblicistische formule ‘Keer weder, gemeente, keer weder’ (p 76) maar dan in de hedendaagse variant: Keer om alstublieft als ik een projectontwikkelaar of een Surhuizumer boer tot de orde wil roepen? Ik ben een Maarten ’t Hart. Op naar de volgende.

Journaal week 32

Toyisten: Waarom Toyisme-oprichter Dejo alleen met een masker gefotografeerd wil worden? Niet de kunstenaar maar de kunst is belangrijk, vandaar de maskers en de pseudoniemen. Het Toyisme zetelt in Zuidlaren op het GGZ-terrein. Opgericht in Emmen met daarna vestigingen in Groningen en Eelde. Het gaat om een internationale groep (van maximaal 26, nu 20) kunstenaars die werken volgens een manifest. Kenmerkende elementen van het Toyisme: felle (acryl)kleuren, symboliek, figuratie. Er wordt gewerkt aan eigen en aan gemeenschappelijk werk. Grote werken: de gasbol en de gevel van hotel Ten Cate in Emmen.

SpaakMasters I: We zijn met zijn drieën. De watjes van de rubbertegelgeneratie blijven thuis. Twee krachtpatsers rijden voor me. Begindertigers. Vrolijke koppen. Spierbundels verpakt in soepele schoonheid. Op de kuiten zie ik verticale tapestrepen als van zebra’s of steenbokken. Strakke spieren als Scania-spanbanden. Op het keerpunt bij Pieterburen wacht de tegenwind op ons. ‘Meiden, waarom starten we voor de wind?’ vraag ik onzeker. ‘Ach ja, die tegenwind, daar hebben we jou toch voor straks.’ Ik knijp ‘m. Had ik me vooraf  maar stil gehouden en niet opgeschept over die armetierige winterfietselfstedentocht die vergeleken met ‘Bartje’ peanuts is. Els lacht minzaam. Djoeke pakt uit met haar Bartje-erxperience: een MTB-tocht van 200 kms in Drenthe. Rul zand.  Modderpoelen. artificiële taluds over glibberige hunebedden. Barrages van ontwortelde sparren. Ravitaillering met slootwater. Overhangende takken. Landbouwweggetjes met rottend bietenloof. Giertanksporen van snotapen zonder tractorrijbewijs maar met omgekeerde vlag. Bij Zuurdijk probeer ik deemoedig vijf minuten de kop te doen als een onderdanige horige boer die buigt voor twee superieure kasteelvrouwen. Lachend nemen ze het van me over. Het gaat niet om snelheid maar wat een mooie zondag met 28,5. Vrouwen: bedankt.

 Peter Middendorp III: De dood en de gladiolen. Ik ben bezig Middendorpfan te worden. Liefdevol, kritisch, humoristisch, eerlijk, betrokken beschrijft M het eerste jaar in de eredivisie van FC Emmen. Wat een goede schrijver.

Vlaggen: was het de boer of de boerin? De kinderen en buren hebben er nu wel genoeg van, de omgekeerde vlaggen moeten verdwijnen. Soms is het lastig je te bevrijden uit een permanent neerwaarts draaiende spiraal en is hulp geboden. Oude lagereschoolkameraden zoeken contact met mij en willen hun verhaal kwijt over omgekeerdevlagacties. Ik heb interesse en aarzeling.

Vaarrecreatie Groningen II: Omdat brugwachters niet graag geïnterviewd worden loop ik door naar een kapitein verderop. Geen vaarwegenbelasting. Geen APK. Een vaarbewijs is niet nodig. Verplichte verzekering: nope. Liggeld: een schijntje, ongeveer eenderde van camping Stadspark. Elektrische of hybride motoren: nee. Ook deze kapitein loost de zwartwatertank, mooi woord voor poep- (eenvoudig woord voor fekaliën)doos op oppervlaktewater en geeft als wisselgeld het water een shotje E.coli. Zonder toiletpapier, dat dan weer wel.

Stembureaumedewerker: Grijp je kans en word stembureaumedewerker. Helaas kun je je niet enkel als teller aanmelden die alleen ’s avonds in actie komt. Het wordt dus een lange dag van 06.45 – 23.00 uur. Maar als Ina Brouwer (1950) kamerlid wil worden dan kan ik als 70-minner wel een dagje democratieondersteuner worden. https://www.mijnstembureau-groningen.nl/.

Peter Middendorp IV: Met de kennis van nu; stemwijzer voor Nederland. Columns over politiek Den Haag uit 2009/2010. Lachwekkende situaties. Namen als Hero Brinkman, Ferry Mingele, Peter-J. Balkenende, Maxime Verhagen, Lucille Werner, Wouter Bos, Diederik Samsom, Mei Li Vos. Scherpe observaties.

Spaakmasters II: Deze week veertien deelnemers. De econoom bepaalt de route. Heenreis tegen de wind en terug voor. Het wordt Norg, Westerveld, die contreien. Een rustig, saai ritje met 27,9 gemiddeld. Ik ben de oudste en wil graag kopwerk doen en deze keer lukt me dat ook. Gemakkelijk. Als we een banaantje kanen hoor ik dat we heen voor de wind reden. Gek. Dankzij mijn spiegeltje in de linkerbeugel zie ik dat achteraan plat wordt gereden. Twee keer zelfs. De econoom legt uit dat inflatie beter niet met gelijke loonsverhoging wordt bestreden.