Maarten ’t Hart 8  ‘Verlovingstijd’ (2009)

Bij het (her)lezen van dit boek denk ik enkele keren: oei, niet ’t Harts beste. Het boek ademt historie, met Maassluis eind veertiger jaren. De eerste hoofdstukken zijn zonder uitzondering alle als los kort verhaal te lezen. Muziek, schoolmeesters met losse handjes die niet terug hebben van een leerling die, zich baserend op de concordantie van Trommius, aangeeft dat nergens in de bijbel staat dat je bij het bidden de ogen gesloten en de handen gevouwen moet hebben, oude beroepen (een moffelinrichting), straten die ‘’t Paard zijn Bek’ heten; van alles komt voorbij. Het begin wordt verteld vanuit het moederperspectief. De hoofdpersonen zijn twee jongens: de ik-persoon (zoon van een rioolwerker) en Jouri, zoon van een fietsenhersteller die fout was in W.O.II. Beiden kunnen leren als de beste en blinken uit op school. Later komen ze elkaar weer tegen als ze studeren.

Het boek begint traag, maar wint allengs aan doorleeszin. Of ze nu Hebe, Ans, Wilma, Frederica, Julia of Katja heten, alle meisjes in de lagere- en middelbareschooltijd verkiezen Jouri boven de ik-persoon. Het mooiste meisje van de klas klopt zelfs bij de ik-persoon aan om advies. Duidelijk wordt dan dat Jouri pas interesse in het meisje krijgt als de ik-persoon soort van verkering met haar krijgt. Zijn fascinatie voor kunstnagels, sexy kleding en make-up blijft onveranderd.

Dit spel van aantrekken, loslaten, twijfelen en jaloers verwijderen gaat maar door en door en door, opgetuigd met de typische Maarten’tHartiaanse elementen: natuurobservaties, muziek, verlangen zich in vrouwenkleren te hullen, make-up-fetisjisme, religieuze gekkigheden, studie- en arbeidszin, verheerlijking van de geboortestreek, enz . Op het eind van het boek verandert er iets en ontstaat er een welhaast on-Maarten’tHartiaanse situatie. Er ontvouwt zich een seksuele verhouding tussen de docent-ik-persoon en studente Lorna en wordt er schaamtelozer gevrijd als krolse katten waarbij de bronst vleugels kreeg onder de muziek uit Béatrice et Bénédict, van, nee deze keer niet Bach of Bruckner, maar van Berlioz. Als de dialogen iets minder uitgesponnen waren, zou het boek aan kracht winnen. Aan het eind komt de uitleg van Jouri en daarna komen we weer bij de moeder terug.

Van fucking asshole naar teringhond

Hoorde ik dat nou goed? Zei ze echt ‘fucking asshole’? Tegen mij? Waarom? Ik verbaas me over haar  ruwbesnaarde vrijmoedigheid. Ze kwam toch echt van links en vergat mij voorrang te verlenen. Ik schat haar op ruim achttien, aan haar accent en buitenissige make-up te horen en te zien uit Texas in het gebied tegen Louisiana aan waar ze de /æ/ extra nasaal uitspreken. Modieus gekleed, grote pupillen, verwilderde blik, iets te hoge, ongemakkelijke hakken voor de swap-fiets. Zadel wat al te hoog afgesteld (goed voor de gluteus maximus maar slecht voor evenwicht) en boterzachte banden.

Als je met een klein en licht Calvinistisch rugzakje de wereld ingaat blijft vloeken en schelden een dingetje. Mijn schoonvader, aannemer in Groningen, kon vloeken als een slootgraver. Vrouw I als een bootwerker. Krijgen katholieke vrienden het gvd-woord net zo gemakkelijk over de lippen als de mechanisch geprevelde instantgebeden, ik reserveer die vloek voor zeer uitzonderlijke gelegenheden en als ik ‘m gebruik is ‘t vaak een verkorte versie: godvet of godver. Als  kind vond ik het prachtig dat de bezwerende spreuk wel voorkwam in mijn initialen. Hoe leuk was het niet om boven het proefwerk Nederlands van mevrouw Hids, die samen met Künzli, Sturm en Pauzenga uit Groningen naar Dokkum carpoolden, mijn naam als kGVDm te kunnen schrijven. En, had meneer Ter Stege, docent godsdienst die orde houden lastig vond, en daarom elke les begon en eindigde met een lang gebed, maar wel drie sigaretten per les rookte, ons niet uitgelegd dat god-verdom-me eigenlijke en soort gebed, of zelfdestructievraag is: God Verdo(e)m Mij?

Ik kijk de Texaanse na als ze richting BlockHouse rijdt. Die kom ik nog wel eens tegen, denk ik, sans rancune. Wat zeg ik zelf als ik een verkeersregelovertreder de les wil lezen? Ik kom niet verder dan klojo, sukkel, eikel, lomperd, Sjakie of stommeling. Van vloeken naar het CDA is een kleine stap. Hoe noemden brave CDA-broeders Pieter Omtzigt alweer in enge groepsappjes? Focking eikel, psychopaat en teringhond. Soms geïllustreerd met een Hitler-snor. Zo’n woord als teringhond zou ik, evenmin als homohond, kankerlijer, mongool, nooitneanever over mijn lippen krijgen, zelfs als die Texaanse me van de weg zou rijden nog niet.

Maarten ’t Hart 7 ‘Avondwandeling’ (1976)

Avondwandeling is een van de bijzonderste, want kleinste, uitgaven van Maarten ’t Hart: een kort verhaal dat als boekje van 41 pagina’s werd uitgegeven door BZZTôH in 1976. Het onderwerp is (herinneringen aan) ontmoetingen of relaties met vrouwen. De ik-persoon maakt in Leiden een avondwandeling op zoek naar een bosuil. Of is het de behoefte om te dwalen? De hoop op een ontmoeting met een meisje? Op een terras biedt een vouw hem een nummertje aan voor vijftig gulden. Iets verder wordt hij uitgescholden voor kale. Als hij een orgel hoort herinnert hij zich een meisje uit Maassluis. Meer bijzondere ontmoetingen volgen, waaronder met een vrouw die hem beschuldigt van aanranding, waarvan hij door een getuige wordt vrijgesproken. Het boekje eindigt met een droom aan zijn moeder, die hem aankijkt met afkeer.

Rob Stoker – Olaf

‘Olaf’ (uitgegeven door Kleine Uil, € 17,50)  is een echt opa-kleinzoon voorleesboek. Sterke, stoere mannen die graag samenwerken en die tobben over een permanent soep kokende oma met beginnende dementie.

Stoker heeft dit keer gekozen voor een crowdfundingactie en ik begrijp dat die snel volliep zodat het boek gedrukt kon worden. Dat is goed gelukt: een stevig gebonden mooi boek met bijzonder gave illustraties van Tom Beijering, de grootste zelfs in kleur. Zeer aardige details: de in rood gedrukte hoofdstuktitels en de lichtgroene paginanummering. Daar is veel aandacht en tijd aan besteed. De uitgever doet er goed aan bij een tweede druk de tekst nog een keer tegen het licht te houden. 

Olaf is een tienjarige jongen die, bijgestaan door zijn opa, zeven moeilijke opdrachten moet vervullen om zo de vurig gewenste ‘blokker’ te verkrijgen waarmee het dementieproces van oma gestopt zou kunnen worden. De variatie in sprookjesachtige opdrachten, Olaf moet op zoek naar vloekgras, een krokodillentraan, noorderlicht in een potje en meer, toont Stokers grenzeloze fantasie. Olaf moet, steeds beginnend vanuit een gat in de tuin bij opa en oma, een ondergrondse hut, lopend door een gangenstelsel, één van de zeven deuren binnentreden, waarna hij in een geheel andere wereld terechtkomt. Hij ontmoet een drietal wezens met een bijzonder postuur en uiterlijk. Maar goed dat hij zijn, van oma gekregen, zakmes bij zich heeft. De jongens/mannen-avonturen kunnen beginnen.

Lezers die ingevoerd zijn in de jeugdliteratuur herkennen onmiddellijk gelijkenissen met bestaande jeugdboeken. In ‘Koning van Katoren’ van Jan Terlouw moet Stach ook zeven taken vervullen. Anders dan bij de maatschappelijk angehauchte opdrachten van Stach, zijn die van Olaf fantasievol en sprookjesachtig. Kijk eens naar de illustraties van J. M. Verburg in ‘Tom Tippelaar’ van A. M. G. Schmidt. Heeft Tom Tippelaar aparte, extra grote oren, op de tekeningen van Tom Beijering kijk je ook extra aandachtig naar de bijzondere fysionomie van Olafs gezicht en profil.

het boek is opgedragen aan Kim. Mooi!

 

 

Cathedral Music in dorpskerk Sleen

Zaterdagavond 30 september 2023. Lofzangen, gewijde koorstukken, psalmen: ogenschijnlijk termen uit een ver verleden maar vanavond in Sleen levendiger dan ooit. Het wordt een avond van contrasten. Lopen op zondag de kerken leeg als stadions na een seizoen verliespartijen, bij het Cathedral Music concert in de dorpskerk van Sleen is de kerk stijf uitverkocht en wordt er met klapstoelen gesleept. De ‘Dutch Choral Singers, een combi van Groninger en Twentse zangers, gedirigeerd door Henk de Vries en begeleid door Eeuwe Zijlstra op het uit Noord-Brabant geïmporteerde Vollebrecht orgel maken wonderschone muziek.

De twintig koorleden, met in hun midden enkele twintigers, en hun dirigent komen verrassend van achteruit de kerk aanlopen en trakteren de bezoekers op vijf kwartier schitterende Engelse koormuziek.  En dan komen we erachter dat Engeland niet enkel de bakermat van het voetbal, cricket, brown ale en met vijf premiers in een korte tijd het land van onbegrijpelijke politiek is, maar ook van heerlijke, bruisende koorzang. Melodie, dynamiek, harmonie, alles dikke prima. De zeven mannen en twaalf vrouwen, soms aangevuld met de dirigent als cantor, klinken zoals je het wenst: loepzuiver en enthousiast en what’s more, ze stralen plezier uit.

Guess what, het publiek mag twee keer meezingen. Zijlstra laat nog even duidelijk horen waarom hij eredivisionist van de orgelmuziek is met stukken van Byrd, Hastings Parry en Händel: fijn, precies, gedurfd, beetje branie, maar nooit te. Waar je ook kijkt zie je ritmisch meeverende voeten, dankzij het hoogpolige tapijt dat de akoestiek reguleert als een stofmat in een vette retro Benz behouden de onder de zerken liggende oud-Sleners hun waardige rust.

En wat kleuren de statige koormantels, azuurblauw met eroverheen een witte overgooier en een kek, sexy kraagje er bovenuit kierend mooi onder de kroonluchters: feestelijk en opgetogen, een lust voor het oog. En dan de teksten: ach, het gaat om de muziek, blijf ik maar denken, als je bij het woord God denkt aan Sarina Wiegman, Shakespeare of Paul McCartney, dan houd je het goed vol. Tot slot: onbegrijpelijk waarom Hastings Parry’s ‘Eventide’ niet als stadionsong van welke voetbalclub dan ook wordt gezongen, vooral als het woord Heer of Lord wordt vervangen door een eenlettergrepige trainersnaam als Bos, Slot of Steijn.

Na afloop nog een glaasje grenadine, wijn of Brown Ale aan uitnodigende, gezellige  statafels; als ik kerkbestuurder was met hart voor de zaak dan wist ik het wel….

Tommy Wieringa – Nirwana

In 80 hoofdstukken schrijft Tommy Wieringa ‘Nirwana’: een intrigerende, spannende familie-, (eeneiige)tweeling- of driegeneratieroman over zonde, boete en inkeer. Een centraal onderliggend thema is het allesverzengende ‘vuur’, dat door de roman kringelt als vlammen in een openhaard. Hoofdpersonen: tweeling Hugo (snob, parvenu, beeldend kunstenaar) en (fucking psychopaat) Willem (de veroveraar), die de Boreas bouwt, het grootste schip ter wereld, een supercatamaran van twee tankers. De karakters van Hugo en Willem vormen, als een menselijke catamaran, samen één complex borrelend, explosief geheel, dat Wieringa in Groningen ‘das Doppelgängermotief’ noemt. Dan pake Willem Adema die zwijgend een toespraak houdt. Geestelijk beperkte tante Geertje die wordt weggestopt in een tehuis, pleegmoeder Beth en schrijver Tommy Wieringa. Voor mij het eerste boek waarin de auteur zo prominent met naam optreedt als romanpersonage. Tommy en Hugo hebben dezelfde pleegmoeder, Beth Wiel.

Na de eerste 100 pagina’s krijg ik een sterk déjà-vu gevoel, vanwege soortgelijke thema’s in eerder gelezen boeken. Bijvoorbeeld het kunstenaarsmilieu in ‘Zwarte Schuur’ van Oek de Jong. ‘Otmars Zonen’ van Peter Buwalda vanwege het moeizame geploeter met een complex onderzoek naar de olie-business en bij kraakheldere en veel leesbaarder Wieringa naar het foute gedrag van pake Adema. Een jeugdzonde, misstap, onbezonnenheid in W.O.II, in 1943 rechtgezet (?) door in het verzet te gaan. Dan zie ik Munninkhofs familiekroniek ‘De Stamhouder’, vanwege het generatiethema en het onderzoek naar fouter dan foute familiedraden in W.O.II. Uit Willem Frederik Hermans ‘De donkere kamer van Damokles’ de vergelijkbare tegenstelling Dorbeck – Osewoudt en Ilja Leonard Pfeijffer vanwege ‘Alkibiades’, bij Wieringa Alcibiades, de Atheense generaal die ‘van kant wisselde’ en natuurlijk Maarten ’t Hart vanwege het woord jacobsladder op p. 94 naar ’t Harts gelijknamige roman.

Nirwana is een leerzaam boek; nu ken ik de woorden raphe, saisine, bathyscaaf, ectoplasma, paroxisme, en cenotaaf. Schrijver Wieringa heeft zich in de zes jaar werken aan Nirwana verdiept in archeologie, geologie, esoterie, politiek, klimatologie, drie generaties geschiedenis en meer.

Als noorderling volgt een feest der (noordelijke) herkenning. Wieringa, die in Diever naar de middelbare school ging, noemt Nieuw-Balinge, Sleen, Mantingerzand en Valthermond, een Drentse streek die de achterbuurt van het land wordt genoemd, met van oudsher boeven en uitvallers. Drenten zijn mannen met grote handen en geboende gezichten. Huisbaas Beuving wil koud na de dood van zijn huurster Beth nog even snel € 1.300,- innen. Hopelijk herkennen de geboende gezichten de alles relativerende ironie, want schrijver Tommy Wieringa, ‘die schooier’, krijgt zelf bavianentanden en hij stinkt uit zijn mond. Veel meer hedendaagse herkenbaarheid (maar hoe is dat over 100 jaar?): de Chinees Lotus in Westerbork, Baudet in zijn pak van Suit Supply, let op de initialen, die zijn metaforenjanboel uitstort over het volk en Trump, R. Fuchs, Tinkebel, Neo Rauch, F. B. Hotz, Sjarel Ex, Neelie Smit-Kroes, Van Caldenborgh,…

Pake Willem Adema heeft in zijn SS-tijd een dagboek geschreven dat Hugo via Beth verkrijgt. Opmerkelijkste ontdekking is dat pake homoseksueel was. In het kort: tweeling Hugo en Willem, resp. kunstenaar en ondernemer zijn elkaars tegenpolen. Hugo ontdekt pakes dagboeken over zijn strapatsen als SS’er. Gruwelijke beelden komen voorbij. Hugo spreekt het dagboek in en leest het aan de dementerende pake voor. Hugo schildert zijn de onsterfelijkheid uitzittende pake en oma. De één in een rolstoel, de ander met een leguaan op schoot. Daarna begint Hugo op Ibiza aan een serie zwembadschilderijen.

Een zijpad: Wieringa beschrijft in mooi gebeeldhouwde zinnen de vrijscènes van Hugo met Loïs en Vera, gevarieerde, lekkere seksuele uitspattingen die met Hugo’s testosteronniveau, torenhoog na de scheiding van Loïs, alleraardigst zijn. Het vuurthema komt zo vaak voorbij dat je verwacht dat het een vooruitwijzing zal zijn en je bereidt je voor op een immense fik. Nadat Willem de Boreas heeft gedoopt kan Hugo bij de opening van zijn expo de wereld vertellen over de dagboeken van pake en en passant de offshore vergelijken met de oorlog. Na de Nieuwsuuruitzending volgt de ontlading. Broer Willem is not amused.

Wieringa, die in Forum (Groningen) zegt ‘Ik ben een provinciale boerenlul’, beschrijft de door Hugo gemaakte schilderijen beeldend, plastisch. Het is afwachten hoe lang het duurt voordat een gisse kunstenaar met een passie voor AI de door Wieringa beschreven doeken produceert. Voor de kerst, wed ik. Je kunt zien dat de boekdrukpersen op volle toeren hebben gedraaid: af en toe zijn letters te weinig drukinkt toebedeeld, en wordt een o een u of een f een t, zodat Spotify leest als Spuuty (442). Wieringa’s Nirwana is een zeer goede roman die leest als een trein. Ik kijk nu al uit naar twee iets minder lijvige boeken, één met een regionale component, die in Wieringa’s hoofd aan het ontstaan zijn.

Grootkoor, eerste repetitie

Het zijn mooie tijden. Mijn schouder herstelt na de fietsval, Vrouw I zie ik nog dagelijks en ik ben begonnen in ‘Nirwana’, de nieuwste van Tommy Wieringa. Lezend smul ik; niet alleen omdat het een tweelingroman is met Friese invloeden en mijn vorige woonplaats Sleen, Trump, Baudet, en de Chinees Lotus uit Westerbork erin voorkomen. Ik geef nu al tien sterren.

Maar eerst repeteren met het grootkoor. De repetitieruimte is van Helpman Groningen uitgeweken naar Haren Groningen, naar een joekel van een kerkgebouw. Vergeleken met de overvolle, rijkelijk met prullaria, als kaarsen vermomde elektrische Actionlampjes en sleetse vibratorvormige Mariabeeldjes volgeplempte katholieke kerken die je in vakanties in mediterrane gebieden, waar de belastingmoraal evenredig is aan rijgedrag op N-wegen, dagelijks bezoekt is dit wel een heel sobere kerk. Koel en kaal, kraak noch smaak, misschien op de modernistische kroonluchter met kaarsvormige matglazen armaturen na, van Vincent van Leeuwen uit Coldam (D.) gok ik? De enige kleur die ik ontwaar is het stimulerende rood van de zorgvuldig gelakte teennagels van de tenor naast me. Mooie tenen ook. Voor potentiële zangers: de kosten voor het Grootkoor, inclusief repeteren in, …..tromgeroffel…. het Concertgebouw zijn nog geen € 100,-. Als boekhouderszoon kan ik het niet laten en reken snel even door. Er zijn 15 grootkoren. Als die allemaal 200 leden hebben dan wordt het aluminium koffertje in drie maanden gestoffeerd met 300K.

Beide dirigenten, Etty en Nan, hebben er zin in. Ze veronderstellen voorstudie, zo lijkt het. Ik loop op mijn tenen. We vliegen erdoor. Tot op het bot gemotiveerd. 200 zangers dus. Daarvan tien tenoren, waaronder één vrouw: Geesje naast mij met die mooi roodgelakte nagels. Volgende keer voegt ook Erna zich bij ons, heeft ze beloofd. Hoe mooi is dat: twee krachtige alten die liever de stevige tenorpartijen meezingen dan de wiebelige altpartijen. Bij de tenoren is duiken geen optie. Dat de vrouwelijke tenoren af en toe als onderdeel van de groep worden aangesproken met ‘Mannen en nu jullie,’ deert hun niet. Klassewijven, denk ik dan. Benjamin Rogier is er, zij het wat verlaat. Bram nog niet. ‘Mille Cherubini in Coro, l’homme Dieu, Prince of peace, shepherds, Sons of God, Piccolo Amor, Gesu Bambino, maken jullie je borst maar nat.

Maarten ’t Hart 6 ‘De kritische afstand’ (1976)

Maarten ’t Hart 6 ‘De kritische afstand’ (1976) is een heerlijk populair wetenschappelijk boek over diergedragskunde. Etholoog ’t Hart observeert, discussieert en schrijft scherp en met humor, maar al te lange tenen lezen maar liever driestuiverromans. Kunnen feiten uit de ethologie op mensen worden toegepast? Is er verschil tussen instinct en (aan)geleerd gedrag? In het blokje waarbij ’t Hart menselijk met dierlijk gedrag vergelijkt, en een chimpansee beschrijft die zijn vinger in de anus van zijn kameraad steekt en er vervolgens luidruchtig aan snuift moet iedereen natuurlijk denken aan Joachim Löw, trainer van het Duitse nationale elftal, die zich onbespied waande en zijn hand in zijn onderbroek stak, zijn eikel liefdevol betastte en  daarna zijn hand driftig ruikend voor zijn neus hield. Voor de Studiosportcamera.

Bioloog ’t Hart schrijft over agressie en spelgedrag, evolutie, incestvermijding, (on)geslachtelijke voortplanting, promiscuïteit en monogamie, en reproductiecapaciteit, waarom er (twee, drie, vier) seksen zijn. Het woord feminisme komt voorbij. Soms nabij het woord radicaal en simplistisch. Met uitspraken als ‘een vrouw is in onze maatschappij een wezen dat tussen een man en een hond in staat’ bewijst ’t Hart dat hij controversiële stellingen, die ook eind 70 van de vorige eeuw al discussies opriepen, niet schuwde.

De zeer belezen ’t Hart gaat in op incest in de literatuur en komt uit bij Melville, Eliot, Mann, Musil, Fontane en de Nederlandse auteurs Vestdijk en Kooiman. Bij Emily Brontë analyseert ’t Hart, gelardeerd met vele citaten, incestueuze verhoudingen.

Dat Darwin muziek aan seksualiteit koppelde is volgens ’t Hart de grootst mogelijk onzin, hoewel een waarachtig groot man als Kierkegaard stelde dat muziek zinnelijk erotische genialiteit uitdrukte. En verder gaat de auteur over de biologische oorzaak van muziek. Hij citeert de etholoog Eibl Eibesfeldt die, met een wonderlijke gedachtesprong stelt dat alle grootste melodieën opgesmukte slagersjongensdeuntjes zijn. De vraag of het zingen van vogels muziek is, ligt voor de hand en lees, daar is Thorpe al die van transponerende merels sprak en ’t Harts redenering dat vals en trekkerig kerkelijk gezang bedoeld is om het territorium af te bakenen toont zijn humor. Bij de vraag in hoeverre muziek een stimulus is wordt Bach op de troon gezet doordat ’t Hart stelt dat bij Bach de grootste weerstand tegen habituatie is.

Tenslotte nog interessante observaties omtrent groet- en lachgedrag en andere non-verbale communicatie, autisme en gedrag van kinderen en als laatste hoofdstuk, één over agressie, met praktijkvoorbeelden.

Maarten ’t Hart 5: ‘Het vrome volk’ (1974)

Elf korte verhalen, veelal vanuit het point-of-view van een jongen,  verpakt in een boek met een schitterende omslag, een detail uit ‘Intrigue’ van James Ensor. Alle verhalen zijn geweldig om voor te lezen. Ze zijn dooraderd met vaste themata van ’t Hart: schuldgevoel, vroomheid verpakt in dwangmatige religieuze gedachten, ontluikende en tegelijk problematische seksualiteit, tirannieke geloofsuitingen, bijzondere gedragingen, slachtofferschap en verregaande intolerantie tegen alles wat anders is,  natuurfenomenen en ook zeer veel humor.

  • Het Braakland: terwijl de jonge ik-persoon zich het hoofd breekt over onbegrijpelijke woorden van de dominee, sterft de oude Quack in de kerkbank. Kan het mooier?
  • De bunzing: de jonge ik-persoon ziet dat zijn vader en de buurman een bunzing doden; hij verwijt hun dat ze een beest hebben gedood tegen Gods wil.
  • Het paard: Misschien het mooiste voorleesverhaal: gevoelig, wreed, tijdloos: als de jongens op een hooizolder spelen horen ze dat een paard op hol is geslagen en te water raakt. Mannen doen wanhopige pogingen het paard op de wal te krijgen. Bij de roomse kerk komt het dier, doodop, aan wal. De dierenarts constateert te veel water in de longen en adviseert het paard de kop af te snijden, wat een vader doet.
  • Handel: Oom Adriaan is een bedrieglijke handelaar in oude harmoniums. Zijn neef gaat mee als er een oud orgel gekocht moet worden en speelt wat zodat de prijs gedrukt wordt.
  • De aardbeienplukker: een 14-jarige jongen is aardbeienplukker. Twee vrouwen zeggen dreigend dat hij met een van hen het koren in moet. Als de plukkers denken dat hij gesneden is wordt zijn broek uitgetrokken en zijn lid betast en bekeken.
  • De neef van Mata Hari: niet alleen komt de nieuwe dominee op de racefiets bij de kerk aan, ook wordt hij ’s nachts stomdronken gespot. Als de dominee er ’s avonds opuit gaat wordt hij achtervolgd en ziet men hem naar de hoeren gaan. Hij wordt geschorst.
  • Ouderlingenbezoek: ouderlingen bezoeken het gezin van de ik-persoon en er ontstaan ruzieachtige discussies over toepassing van bijbelteksten in het gewone leven.
  • Hoge hoed: over een dominee die zijn hoge hoed is vergeten bij een begrafenis in WOII en een nieuw hoedenprotocol verzint dat door de ouderlingen wordt overgenomen.
  • Hoofdschedelplaats: de dienstplichtige neef ontmoet zijn godsdienstwaanzinnige oom die kapper is in het leger.
  • Een oxim uit Amerika: over nare dierproeven in België, bezocht door een dienstplichtige.
  • Hoogzomer in april: over de vernietiging van de aarde door de mensen.

In Memoriam Rob Wehrens

Op twee september kwam Rob Wehrens uit de tijd. Bijna 92 jaar oud. Gestorven in zijn slaap. In zijn laatste brief aan mij schreef hij: ‘Als ik morgen niet wakker zou worden, zou dat goed zijn.’ Toen ik deze zin las dacht ik: ‘Moet ik hem nog informeren over het bestaan van ‘Coöperatie Laatste Wil?’ En als hij een niet-confessionele maar wel goed opgeleide huisarts heeft die de wet respecteert, zal Rob toch, mocht het op ondraaglijk lijden uitlopen, euthanasie verleend kunnen worden? Rob vertelde dat hij tevreden op zijn leven terugkeek. Ik heb Rob meer dan veertig jaar gekend. We waardeerden en respecteerden elkaar. Gezien onze uiteenlopende naturen, opvattingen en achtergronden mag dat een klein wonder heten. Als ik me niet vergis startte Rob zijn loopbaan op een lagere school in Soest waar hij een klas met 50 brave Gooise kinderen onder zijn hoede had. Zijn ietwat bekakte, Gooise, accent, heeft hem nooit gedeerd, integendeel, ik denk dat hij het cultiveerde.

Ik leerde Rob kennen in de periode dat er in Emmen twee MAVO’s fuseerden. Direct erna kwam er een HAVO-afdeling bij. Rob kwam uit het Baander-kamp waar de tijd leek te hebben stilgestaan met bedaagde senioren die zonder uitzondering drie sigaretten per les rookten en inmenging in hun bastion wat lastig vonden en hoopten dat veranderingen hun deur voorbij zouden gaan als inspecteurs aan hun vakgroep. Rob was geen onderwijsvernieuwer maar hij ging de discussie niet uit de weg en stond open voor samenwerking, zelfs met een eigenwijze collega van MAVO Allee. Vanaf het allereerste begin kregen wij samen de schoolkrant onder onze hoede. Ons werd lof toegezwaaid, waarop meneer Wehrens de directie voorhield dat dan het aantal taakuren verdubbeld zou kunnen worden. Of dat gebeurde weet ik niet meer, wel dat ons een HAVO-collega werd toegeschoven. Op school zal Wehrens niet altijd de gemakkelijkste docent zijn geweest. Zijn vakken waren Frans (met altijd halve klasjes) en Engels. Op grote avonden in de Muzeval deed hij graag mee. Nog zie ik hem vol zelfvertrouwen in een afgeladen Muzevalzaal soleren met La Mer van Charles Trenet.

Dat Rob geen alledaags levenspad bewandelde moge blijken uit het feit dat hij tweemaal met dezelfde vrouw trouwde en vervolgens ook twee keer van haar scheidde. Wij konden het goed met elkaar vinden. Rob kon goed koken en hij wijdde ons in in de geheimen van Spaghetti Carbonara, eind jaren tachtig heel wat anders dan aardappels met boontjes en een speklapje. Rob vergezelde ons eens op vakantie naar Poncin (F.) waar hij, onder het lover van oude populieren onze oudste zoon leerde rekenen met behulp van Smarties. En passant leerde onze zoon dat ‘Meneer Rob’ beter klonk dan gewoon ‘Rob’.

Wij maakten Rob mee in de Bargeres in Emmen, op twee adressen in Exloo en later weer in een appartement in Emmen. Bij zonnig weer zagen we hem op afstand al zitten op het balkon in zijn bruine blote bast. Rob had geen computer of mobieltje. Hij koesterde zijn zwart-bakelieten telefoon die hij gebruikte om zijn Zweedse vriendin, die ik oneerbiedig scharrel noemde, wekelijks te bellen. In zijn laatste jaren werd Rob liefdevol bijgestaan door zijn zoons die hem wekelijks bezochten en hij had een fijne huishoudelijke hulp, een rollator en de Jumbo naast de deur, waar hij elke dag koffie scoorde. Als pensionado maakt Rob zich nuttig als voorlezer van luisterboeken.