Journaal week 31

Ella de Ronde: Beeldend kunstenaar Ella de Ronde schildert de Bocht van Ameland aan Hoge der A, in Groningen wel ‘parel van de stad’ genoemd. De Ronde studeerde af aan de Klassieke Academie in Groningen. Zij is vanaf nu drie maandagen van 13.00 – 18.00 uur te vinden op de vakantiemarkt in Veendam, kijk uit naar donkere tuktuk.

Land van Ons: omgekeerde vlaggen recht hangen prima, maar lid worden van de coöperatie ‘Land van Ons’ zet misschien meer zoden aan de dijk. Voor € 20,- per jaar word je lid en gelijk eigenaar van een stukje grond. Land van Ons koopt grond en verpacht het aan bioboeren. Dus geen kunstmest, Farmers Defence Force of  pesticiden maar werken aan kringlooplandbouw met kruidenrijk grasland, gemengde bedrijven met wisselteelt met boekweit, huttentut (jaja!), vlas en rogge. Ook ideaal voor een natuurinclusief cadeau aan (klein)kind.

Peter Middendorp I: ‘Jij bent van Mij’ herlezend kom ik er (weer) achter dat Middendorp een schrijver van grote klasse is, een topstilist en anders dan Peter 2 (Buwalda), zeer leesbaar. De schrijver verplaatst zich in de Friese boer die een meisje in de buurt vermoordt. De schuld wordt eerst bij bewoners van een nabij asielzoekerscentrum gelegd. Dertien jaar na de  moord wordt de boer na DNA-onderzoek aangehouden. Als kind van de streek kan ik niet ophouden met lezen.

Marum: Noem Marum en je ziet een oneindig lijkende serie omgekeerde vlaggen langs de A7. Sommige boeren raken verstrikt in idee-fixes van Farmers Defence Force-menners en vergeten zelfstandig te denken en bij zinnen te komen. Iedereen weet dat uit vastgeroeste neerwaarts draaiende denkspiralen komen lastig is. Alle hierbij benodigde hulp is welkom.

Peter Middendorp II: Na ‘Jij bent van mij’ herlees ik ook ‘Vertrouwd voordelig’. Dit boek speelt zich af in Emmen. Ook deze streek ken ik als mijn broekzak. Het is een heerlijk openhartig boek over een Blokkerwinkelierszoon. De auteur spaart de kool en de geit niet en juist dat maakt het tot een (nee, geen meesterwerk noemen) supergoed boek dat in een uur of vier te lezen is.

Zeiler Hoge der A: openhartig vertelt de jonge (zee)zeiler dat niet alles goud is dat hier blinkt. Groningen verwelkomt recreatieboten die in de stad voor een habbekrats mogen aanleggen en maakt zo de binnenstad tot een drijvende camping. Van deze deelnemer aan de nog wat achterlijke watersportindustrie begrijpen we dat toilettanks leegflikkeren in oppervlaktewater, wellicht gedoogd door gemeentelijke toezichthouders, nog ‘common practice’ is. Dus in het recreatieve segment van de rijkste verblijvers in Stad, die al vrijgesteld zijn van APK, vaarwegenbelasting, verzekeringsplicht en die berucht zijn vanwege de grote aantallen weesboten in achterafvaarten is poep (booteigenaren spreken graag van fecaliën)  omtoveren in visvoer usance.

Oosterparkwijk: wat hipper worden wil de Oosterparkwijk. Daartoe is een hele kluit muur/wandschilders aangezocht die overal wonderschone afbeeldingen op muren plaatsen met hulp van hoogwerkers. Georganiseerd door Writer’s Block Murals. Azing griever, Klaas Nuninga, Tonnie van Leeuwen en Pietje Fransen worden ingeruild voor street art….

Surhuizumer boer: keer om alstublieft

Zoals ooit witte scholen een taalklas hebben omarmd, banken de witwasroute hebben uitgebannen,  binnensteden auto’s leren weren, panikerende huisartsen zeurpatiënten via een triage weghouden, kerken hun ruimte verhuren aan whisky- of lingerieproeverijen, religies de orthodoxie buiten de deur houden, zo hebben slimme boeren de afslag genomen naar ecologisch verantwoord bioboeren.

In elk segment houd je de verongelijkten, de starre, stijve, eigenwijze geesten die denken dat alles moet blijven zoals het is en vroeger was. De accountants die blijven spieken bij examens, notarissen die de derdenrekening plunderen, politici die denken dat twitter een levensader is, hospicemedewerkers die volhouden dat een hoofddoek atheïsten en ietsiepietsisten rustige laatste uren opleveren. En boeren die volhouden dat boer zijn een verworven erfrecht is.

W en ik, gemiddelde leeftijd 71, kennen elkaar ruim 50 jaar. Beiden Fries. We houden van de provincie, spreken de taal en we denken de gedachtewereld van de boer te kennen. Zij komt uit Twijzel, ik uit Kollum. We lopen in de buurt van Surhuizum. We zien zeventien omgekeerde vlaggen en één drijvende tussen pijlkruid en krabbenscheer. Het slootwater ziet er prachtig uit. Helder, veel zuurstofplanten, volop vissen. Verderop een sierlijke tjasker. We fantaseren over het waterschap dat samen met de boer de sloten onderhoudt en van ons het predicaat ‘excellent’ krijgt.

Waarom dan die vlag in het water? Vlaggen zijn nationale symbolen die, vanuit welke hoek dan ook bekeken, gerespecteerd moeten worden. We gaan de boer een les leren. Zonder zijn land te betreden, schoenen en lange broek uit en even door de sloot waden, posteren we de vlag zoals het hoort.

De foto’s bij Nieuw in Stad

(gelegenheidsrecensent T. L. M. (Ted) Schilder (1951 Weesp) bespreekt de fotografie van Nieuw in Stad)

De bundel Nieuw in Stad van Klaas Gjalt van der Meulen wordt verluchtigd met 27  foto’s gemaakt door Dorjan Ivan Rener Sitar. Een Sloveense jongeman die in Groningen geneeskunde studeert.

Een van de  mooiste foto‘s – het beeld de zittende jongeling van Jeltsema – staat op de voorkant en bij het verhaal met dezelfde titel als het beeld. Wie de bizarre biografie van Jeltsema kent, wil de naakte jongeling tussen de benen kijken. De foto laat ons raden. Bij de geboorte dacht men dat Fré Jeltsema een meisje was en werd hij ook als zodanig opgevoed, ook nadat men er op driejarige leeftijd achter kwam dat het om een jongen ging. Op 26-jarige leeftijd is door een vonnis de geslachtsvergissing rechtgezet om strafvervolging vanwege travestie  te voorkomen. Vanaf toen ging hij als een man door het leven.

In het verhaal De Pieternella wordt terloops lovend melding gemaakt van het park Oase in de stad van de monumentale vormgever Noud de Wolf. Een kiekje vanaf  deze intieme plek met op de achtergrond het hekwerk van het vroegere Groninger museum had de plaats in kunnen nemen van het hekwerk dat alleen op de foto staat bij het verhaal Mannendingetje.

Bij het verhaal Tandarts zien we een tandarts aan het werk. Mij ontging de reden voor het plaatsen van deze foto. Ik had een poenerige stadsvilla met donkere wolken verwacht bij een smoelsmid die – blijkens het verhaal – zelfs ’s avonds aan het beunen is. De echte reden zag ik toen ik beter keek en zag dat de schrijver het slachtoffer is. Zou de schrijver Dorjan meegevraagd hebben voor een portretje toen hij onder het mes ging?

Gelukkig kunnen we genieten van Groningse luchten als Rener Sitar het Groninger museum fotografeert. De hoge, gele ingang van het museum staat niet helemaal in het midden van de foto, maar ik weet niet of dit juist de charme van de toto is, of gewoon toeval.

Het shot van de baksteensculptuur van de Deen Per Kirkeby  bij het verhaal Follies kan vanaf deze kant niet beter gefotografeerd worden omdat een of andere heikneuter er een lelijke witte muur voor gezet heeft.

Een foto die – wat mij betreft – tot de besten behoort is die van Wall House # 2. Een rimpelend Hoendiep, tegenover wolken in de blauwe lucht en dan het mooie kleurgebruik in de drie verdiepingen van deze dependance van het Groninger museum. Onze Sloveense fotograaf heeft ongetwijfeld strakke instructies van de duivenliefhebbende schrijver gekregen, getuige het feit dat er twee foto’s van duiven te vinden zijn. Een foto van fladderende duiven bij het verhaal Ik vertrek en een foto van voedsel pikkende duiven, die illegaal gevoerd worden door een persoon die verdacht veel op onze schrijver lijkt.

Ach, er is nog zoveel meer te zien:  een foto van grootheden als Ben Feringa en Jan Boer,  het terras van het Pomphuis, boten liggend langs de A, de muurkrabbel ‘klaas je bent de mooist’, een kijkje vanaf de bovenverdieping van schrijvers woonst,  de binnentuin, het geveltuintje,  een straat vol fietsen, het orgel in A-kerk en de vismarkt. Het bespreken van foto’s is moeilijk zonder de foto erbij te laten zien. Misschien toch de bundel kopen?

T. L. M. Schilder: ‘Nieuw in Stad: Niet voor lange tenen’

(gelegenheidsrecensent T. L. M. (Ted) Schilder (1951 Weesp) is de eerste gastschrijver op www.klaastaal.nl)

Schrijfplezier

Door het herlezen van de verhalen die ik eerder op Klaastaal las, merk ik hoe sterk de verhalen zijn. De bundel Nieuw in Stad van Klaas Gjalt van der Meulen is ongetwijfeld met veel schrijfplezier vervaardigd. Geregeld kom je bijzondere woorden, metaforen, taalvondsten en anekdotes tegen. In de inleiding waan je even de Vlaamse krant De Standaard te lezen of een boek uit de 19e eeuw.  De schrijver belooft een inkijk in zijn nieuwe ‘woonst’  en in hem als persoon. In het eerste verhaal complimenteert de schrijver een man met zijn inparkeerkwaliteit met de woorden: ‘Een negen, jongen’. ‘De man kijkt me vernietigend aan bang dat ik zijn verderop staande vrouw jureer,’ vervolgt de schrijver. In deze anekdote leren we ook meteen de schrijver al een beetje kennen: een schoolmeester met humor en aandacht voor vrouwen.

Vrouwen

 In het verhaal ‘Klaas je bent de mooiste’  lezen we: Ooit schreef ik het gedicht ‘Zesentwintig’, dat in 1994 gepubliceerd werd in het Drents Letterkundig Tiedschrift ROET. Ik was ingegaan op de uitnodiging een ‘zelfportret’ te schrijven. Mijn zelfportret bestond uit de namen van 26 meisjes/vrouwen die ik, verlegen Friese dorpsjongen, in mijn jeugd in stilte had aanbeden. Hadden er gemakkelijk 52 kunnen zijn’ Op politiek vlak kunnen vrouwen vaak op de warme belangstelling van K.G. rekenen. Ik noteer: ‘Carola, Alexandra, Sigrid, Agnes, Fleur, Esther, Sylvana. Ook Lale Gül, schrijfster van ‘ik ga leven’, mag zich verheugen in  warme belangstelling, want de schrijver moet niets hebben van ‘moskeeën en synagogen waar vrouwen worden weggestopt in zweterige achterafgalerijen of achter dikke gordijnen’. Over de Groningse  synagoge met een mooie architectuur lezen we ‘dat moeten gereformeerde kerkbouwers geweest zijn’.  De verborgen verwijzing naar de gereformeerde kerkbouwers  architect Tjeerd Kuipers in samenwerking met de architect Ytzen van der Veen is niet de enige aanduiding in de verhalen die fictioneel lijkt maar feitelijk juist is. Over duiven: ‘Onnozelaars die onwetend zijn spreken van vliegende ratten. Weten niet dat duiven betere borstkankerherkenners zijn dan gespecialiseerde medici.’ Tot mijn verbazing blijkt ook dit niet zomaar uit de schrijversduim gezogen

Vrouw I

De eigen vrouw van de schrijver wordt steevast met ‘vrouw’ of ‘vrouw I’ aangeduid. ‘Vrouw’ probeert de plezierschrijver te ontnuchteren als hij een dakloze met plezier een tientje geeft: ‘Die staat hier morgen weer’. In het verhaal over het bezoek aan het restaurant  Het Pomphuis wordt een mooie anekdote over ‘Vrouw I’ beschreven. “Vrouw I wordt wat onrustig. ‘Dat lijkt mijn opa wel. Jan Boer. Die daar met die grote oren, hij houdt zijn hoofd wat scheef alsof hij moeite doet ons te verstaan.’ De tafelgenoten ginnegappen wat. Ja hoor, mevrouw woont net in Stad en denkt dat het Pomphuis haar als innemende, tegen de zeventig lopende, buurvrouw wil  paaien door haar opa aan de wand te exhibitioneren. ‘Leraar aan de kweekschool, later directeur, inspecteur, streektaalpromotor en womanizer avant-la-lettre. Liet mijn oma zitten voor een veel jongere vrouw. Rottumer. Veelschrijver ook.”

Niet voor lezers met lange tenen

De verhalen zijn niet geschikt voor mensen met lange tenen. Hoewel de beledigde personen waarschijnlijk niet veellezers zijn. ‘Aan de overkant van de A stopt een scooter met twee bijna twaalfjarigen. De pas gejatte paarse Vespa Primavera RST met camelkleurige buddyseat, hebben ze nog niet echt in de macht. Het theorie-examen voor bromfietsen is, zonder hulp van de Koranschool, voor hen even onbereikbaar als een foutloos ingevuld belastingbiljet voor hun grote, drillrappende broers of particulieren met een B.V….Drugsrunners zijn als geldezels. Zodra ze vrouwen kunnen beledigen gaan ze van school en verschansen zich bij de zoveelste aanhouding achter het argument van kansenongelijkheid als Limburgers die altijd hebben vertrouwd op en geloofd in de door henzelf verzonnen Mutti Maria en het hebben verdomd de dijken op tijd te verhogen.’

Banken

Ook banklieden zullen even moeten slikken of glimlachen bij de veeg uit de pan bij de beschrijving van de bijeffecten van verhuizen. ‘Mensen in je omgeving gaan je ongevraagd raadgeven alsof je hebt aangekondigd van de ABN naar een bank in de bovenwereld te willen overstappen. In het verhaal Follies lezen we weer een mooie vergelijking.‘ De vraag of deze constructie een folly is of beeldende kunst is net zo lastig als de vraag of de ABN een bank of een maffioos witwasbedrijf is’.

Friesland

In veel verhalen is de liefde voor Friesland en de Friese taal duidelijk aanwezig. We lezen hoe de mensen in stad,  anders de Friezen, zich vergapen aan een tjalk, Hasselter aak of skûtsje. ’Een kapitein met een BMI van 25[2], op sokken. Lange lokken onder de pet. In plaats van spetterend buiswater of een frisse Friese wimpel de sleetse driekleur.’ Een minister die de eed uitspreekt in het Fries  ‘Dat ferklearje en ûnthjit ik’ krijgt de positieve typering ‘eigenwijs of eigenzinnig’.

Urinoirs

Grappig is de aandacht voor urinoirs, plaskrullen, secreetzuilen en urinebakken   of pisbakken. Deze fascinatie lezen we gaat terug op de vroegste jeugd. ‘Bijna zestien was ik, een Friese plattelandsjongen die later boer, politieman, dominee of tolk/vertaler en als het moest leraar Nederlands en Engels wilde worden. Op het christelijk lyceum in Dokkum raakte ik verslaafd. Aan de boeken van Wolkers, Cremer en Reve. Die schreven over alles wat Calvijn, God (Dokkum was nog Allah-vrij), juffrouw Hids en rector Heukels afkeurden. Over brute seks in Amsterdamse urinoirs bijvoorbeeld, althans zo fantaseer ik. Toen al nam ik me voor er ooit eens wat over te schrijven. Over urinoirs dus’ In het verhaal Sitzpinkler wordt uitgebreid ingegaan op de openbare toiletten. De foto[3] bij dit verhaal toont ons twee urinoirs. De ene, de oudste, een urinoir uit 1925, staat aan Hoge der A, destijds ontworpen door gemeentearchitect Siebe Jan Bouma. De andere, het subliemmooie pisbakhuisje van Koolhaas/Olaf staat naast het Pomphuisterras.

Tot slot

Een inkijk in de persoon KG leert ons iemand kennen die erg in kunst en orgelmuziek is geïnteresseerd.  Dat dit soms tot een probleempje leidt, leert het verhaal over het  kennismakingsgesprek bij de huisarts. ‘ Toen ik te lang doorzemelde over orgelmuziek kapte hij me behoedzaam doch kordaat af en verlegde zijn aandacht naar vrouw I.’

De bundel Nieuw in Stad biedt de in taal en Groningen geïnteresseerde lezer veel leesplezier. Om toch ook een kritische opmerking te maken: ik mis de bladzijdenummering en – maar dat is de voorkeur van de recensent – de uitgevulde regellengte waardoor de bladspiegel rustig over komt.

(Nieuw in Stad is toe aan de derde oplage. De publicatie wordt uitgevoerd met echte kleurenfoto’s van 23 x 12 cm, die alle met de hand worden aangebracht. Fotograaf: Dorjan Ivan Rener Sitar, student geneeskunde, die uit Ljubljana naar Groningen kwam.

  • Het kan bij voorintekening worden besteld. Maak het bedrag over naar NL41 RABO 0104 4448 43 t.n.v. K. G. van der Meulen met vermelding van gewenste aantal en uitvoering. De verkoopprijs is naar keuze, afhankelijk van het aantal gewenste foto’s. Voorbeelden: met 1 foto: € 6,-, met 2 foto’s € 7,- met elke extra foto € 1,- erbij tot een maximum van 28 foto’s voor € 33,-.
  • Hoofdstuktitels: De zittende jongeling van Jeltsema, Mannendingetje, Ik vertrek, Ben Feringa en Jan Boer, Pomphuisterras en Koranschool, De Pieternella, Klaas, je bent de mooiste, Tandarts, Blühm en De Ploeg, Follies, Groningers zijn Friezen, Binnentuin, Geveltuinen, Het A-Kwartier, Toporgelmuziek, Overjarige Steradenttablet, Hejduks Wasknijper en Wall House #2, Klinkersnijder, Academie Minerva, Parkeren in Groningen, Het Pitcairn Museum, Blockhouse, Potdomme, duiven voeren is verboden, Isolatiewaarden, Putdeksels en het architecturale telefoonboek, Sitzpinkler, ‘Zeg t mor’ Cursus Gronings.)

Bach meets Hasse, een zomerconcert

Vijf sterren. Douze points. Een tien! Op zaterdagavond vijftien juli is er in de Akerk een werkelijk prachtig concert van (een deel van) het Luthers Bach Ensemble aangevuld met solisten van het Prins Claus Conservatorium. Een feestje, dat is het. Opvallend detail: er komt geen dirigent aan te pas, de dirigent zit in het publiek. Weliswaar is de artistieke leiding in handen van Tymen Jan Bronda en David van Laar, maar de solisten, musici en koor doen het zonder de bewegende baton. En waarom ook niet, de praktijk leert dat de zangers doorgaans meer oog hebben voor de muziekmap dan voor de dirigent. Men kijkt scherp naar elkaar en zorgt er bij de minste beweging van een wimper, wenkbrauw of neusvleugel voor dat inzetten scherp zijn als een geslepen vismes.

Het programma (van acht A-viertjes) vermeldt werk van Hasse, Buxtehude en Bach. Het begint met strijkers die Hasse vertolken. Vervolgens een solo van Bronda op het indrukwekkende kerkorgel met Buxtehude, daarna counter-tenor Van Laar met Hasse, vervolgens weer organist Bronda met Bach en als slotstuk de cantate ‘Christ lag in Todesbanden’ van Bach, gezongen door solisten en koor, begeleid door strijkers en continuo orgel. Het koor treedt op in wisselende opstelling en, what’s more, de wisselingen verlopen vlot. De meeste aandacht gaat vanavond uit naar de counter-tenor. Van Laar zingt de sterren van de hemel, het stof van de gewelfbogen, craqueléscheurtjes in kalkmuren, lach op gezichten en overal wordt continu ‘awesome, amazing’ gefluisterd. Ik reset mijn voorkeurslijstjes en naast Jaroussky en Scholl staat nu Van Laar. En ach, de teksten, die blijven steken in bezwerende verlopen antieke religieuze formules die an sich elke zeggingskracht hebben verloren maar het moeten hebben van de betoverende muziek die door de tijd heen krachtig blijft als voegen tussen grafzerken.

Het publiek, zo’n tachtig personen, natuurlijk veel trotse ouders, opa’s, legio opa’s vriendinnen, buren en  oma’s, trekt zich niets aan van bijgeluiden van lekke brommeruitlaten op straat en een enkele verwarde Riepeverkoper die baalt dat men bij hem niet kan pinnen; veeleer versterken die de intieme sfeer indoor; men klapt de blaren in de handen waarop, gestimuleerd door een luid geroepen ‘Bravo’, een toegift volgt. Mooi om te zien: de oudste zanger, bas Michiel de Vries gebruikt een tablet terwijl de rest, waaronder ook rookies, het houdt op het oude vertrouwde papier met gele zweetkringen. Heerlijk, wat een avond!

Spaak Masters fysio/masseur en economen-kletsica

‘Meer water drinken, geen geraffineerde suikers, geen alcohol, minder vetten, gewoon je leefstijl aanscherpen.’ Deze fysio doet meer dan symptoombestrijding terwijl ze, me de tranen in mijn ogen masserend, wijst op noodzakelijke leefstijlverbetering. De massage, een nieuw achterwiel, tubeless voorband en een fanatieke kopman brengen me tot 31,6 gemiddeld tot en met het Stadspark en dankzij het drukke verkeer in Stad tot 30,6 bij de voordeur. Groningen bedankt.

Wat betekent het dat van de trits Minister van Financiën, President van de Nederlandse Bank en Minister van Economische zaken maar één economie studeerde en de andere twee filologie en bestuurskunde?

Onze road captain bij Spaak Masters op zondagmorgen is een econoom, een hoogleraar nog wel. Graag hoor ik hem zo tussen Loppersum en Oosterwijtwerd even uit over hoe we de inflatie het best tackelen, of Kaag, Jetten en Knot aan de juiste touwen trekken, wat de langetermijneffecten zijn van de Brexit op de effectenhandel vanuit een Aziatisch perspectief en waarom belastingontduiking door particuliere B.V.’s niet hard wordt aangepakt. Op de route van Heidenschap via Lageland naar Schaaphok, net voor Schildwolde, denk ik na over zijn visies. Als het lastig wordt zegt-ie vaak: ‘Ja, maar dat is politiek, hè,’ en zet nog even aan voor een plaatsnaambordje van een Oost-Groningse parel met gestutte voorgevels.

Als vijftienjarige koos ik economie als examenvak en verwachtte een tamelijk exact vak. Niets was minder waar. Docent Reinders praatte ons bij. Keynes, lang aanbeden vanwege zijn werkgelegenheidsdenken werd verguisd als later Freud in de psychiatrie. Wetenschappen die erin slagen in een halve eeuw kernwaarden diametraal om te draaien moet je met een korrel zout nemen natuurlijk. Als zoon van een AA-accountant, en broer van vier die het allemaal in de cijfers, bedrijven, industrieën,  industrietjes en economische onderwijswetmatigheden – kennisoverdracht hoort bij Van der Meulens als biologisch boeren bij Land van Ons – zoeken, is twijfelen een tweede natuur geworden. Die wordt versterkt door praattafeleconomen als RABO-vazal Barbara Baarsma die lijnrecht staat tegenover CPB-directeur Hasekamp waar het gaat om de vraag of arbeidsmigratie zinnig is.

Zoals in televisieprogramma’s leken het in enkele maanden tijds kunnen schoppen tot dirigent van een symfonieorkest, volwaardig onderdeel van de commandotroepen, zo leerden Kaag en Jetten (en Yesilgöz als non-jurist bij justitie) in geen tijd voorop te lopen in de troepen van economen door gewoon praktisch analytisch en scherp te denken en laten de kletsica over aan economen.

vanaf nu te bestellen: Nieuw in Stad

Aankondiging: hij is uit, eindelijk! Inmiddels verscheen al de tweede oplage van:

  • Nieuw in Stad, geschreven door Klaas van der Meulen met fotografie van Dorjan Ivan Rener Sitar. Het zijn 27 observaties van een Friese Drent die in Stad (Groningen) terecht komt.
  • Uit de inleiding: ‘Wat gebeurt er met een zestiger die in 2021 verhuist van Emmen naar Groningen? Van een provinciestad naar een provinciehoofdstad? De overgang van het landelijke, weidse Noordbarge aan de rand van Emmen naar het A-kwartier in Groningens binnenstad is een ingrijpende. Vrienden spreken van een schok. Wat te doen? Een diazepammetje en in de leunstoel wegzakken? Ik ga eropuit en onderzoek, als een kind dat in steeds wijdere cirkels de omgeving om de zandbak exploreert, de wereld voorbij Reitemakersrijge, pak de pen en beschrijf de ommekeer in mijn leven en zoek later samenwerking met een fotograaf.’

 De publicatie wordt uitgevoerd met echte kleurenfoto’s van 23 x 12 cm, die alle met de hand worden aangebracht. Fotograaf: Dorjan Ivan Rener Sitar, student geneeskunde, die uit Ljubljana naar Groningen kwam.

  • Het kan bij voorintekening worden besteld. Maak het bedrag over naar NL41 RABO 0104 4448 43 t.n.v. K. G. van der Meulen met vermelding van gewenste aantal en uitvoering. De verkoopprijs is naar keuze, afhankelijk van het aantal gewenste foto’s. Voorbeelden: met 1 foto: € 6,-, met 2 foto’s € 7,- met elke extra foto € 1,- erbij tot een maximum van 28 foto’s voor € 33,-.
  • Hoofdstuktitels: De zittende jongeling van Jeltsema, Mannendingetje, Ik vertrek, Ben Feringa en Jan Boer, Pomphuisterras en Koranschool, De Pieternella, Klaas, je bent de mooiste, Tandarts, Blühm en De Ploeg, Follies, Groningers zijn Friezen, Binnentuin, Geveltuinen, Het A-Kwartier, Toporgelmuziek, Overjarige Steradenttablet, Hejduks Wasknijper en Wall House #2, Klinkersnijder, Academie Minerva, Parkeren in Groningen, Het Pitcairn Museum, Blockhouse, Potdomme, duiven voeren is verboden, Isolatiewaarden, Putdeksels en het architecturale telefoonboek, Sitzpinkler, ‘Zeg t mor’ Cursus Gronings.

Uit hoofdstuk 1:We gaan de omgeving verkennen. Tijdens een wandeling langs de singels zien we hem. ‘De zittende jongeling’ van Jeltsema. Zoals met bijna alle beeldende kunst zoek ik er iets van mezelf in. Deze keer is het gemakkelijk. Een smal lijf, peinzende, serieuze blik, gespierde bovenbenen, echt een dorpsjongen. Een Groninger, wed ik. Eén die goed en vlot Gronings sprak, misschien nog spreekt. Het beeld is van 1960. Gemaakt door F. E. Jeltsema (1879 – 1971). Lopend over het hondenpaadje aan de singel,  zo goed als geen hondenpoep. Enthousiast complimenteer ik een man met zijn inparkeerkwaliteit en roep: “Een negen, jongen!”. Hij kijkt me vernietigend aan, bang dat ik zijn verderop staande vrouw jureer.’

Uit hoofdstuk 4:Je bent nieuw in Groningen en dan ontdek je dat een paar huizen verderop een café annex terras annex restaurant is. Het Pomphuis. Een broodje paling heet hier ‘flatbread smoked eel’. Patat wordt ‘fries’. Voor een Engels sprekende Fries is ‘fries’, zeg maar Gronings voor Fries een  interessant woord. Na een fietstocht met Emmense vrienden strijken we neer in het café. Een batterij over elkaar heen buitelende vrolijke jongens en meisjes bedienen ons en als boeren die grondwater over dorre akkers sproeien, pompen ze onophoudelijk Leffe blond in glazen.’

Uit hoofdstuk 8: Even een kopje thee en verder met de snerpende diamantboor. Van binnenuit klinkt het als een scheepswerfje in een bunker. Geen gestress als een onderdeeltje dat later in mijn mond zal worden verankerd op de grond flikkert en als een stuiter op het schoolplein onder een kast rolt, waarna Joppe, op zijn buik liggend, met een swiffer in de weer gaat. De stoppenkast maakt overuren en lampjes haperen  als een koor bij een rustteken. Mijn lippen voelen droog als de opengevouwen bovenkanten van een karnemelkpak dat een week op het aanrecht staat. Ik vertrouw de door Zeiss gestuurde handen als Urker vissers buienradar.’

DSC_0393

Uit hoofdstuk 12: ‘Projectontwikkelaars en roependen in de woestijn krijgen soms, en Minnesma van Urgenda altijd, pas na een kwart eeuw het gelijk aan hun zijde. Of de vermaledijde socialmediabrandstapel van de twitterintelligentsia. Toen in 1994 de nieuwbouw aan de Schuitemakersstraat en Reitemakersrijge werd opgeleverd was er sprake van een unicum. Nou ja, unicum, helemaal uniek was het niet maar speciaal zeker. Het was de tijd dat het begrip ecologie nog onbekend was, als vrouwenemancipatie bij orthodoxe religieuzen, de voorloper van de Christen Unie, of de Taliban. De ontwikkelaars hadden niet voor parkeerpleinen gekozen, maar voor een gemeenschappelijke tuin op de binnenplaats.’

Uit hoofdstuk 23: Heerlijk gevoel. Ja, ik beken, ik ken de man – en inmiddels vrij goed -, die stiekem de stadsduiven voert. Hij slentert in een sleetse ouwemannenjas door de stad. Op de plek waar je een versleten grijze pet met vettige randen zou verwachten, steekt een brutaal volle springerige kuif alle kanten op. Zijn nek is omzwachteld met de mooist denkbare sjaal ter wereld: wijd vallend, gehaakt, met kleurige blokjes uit de beste schilderwerken van Gerhard Richter uit de periode dat hij nog dacht dat geometrie gelijk stond aan landschappen. De man, hobby’s: zingen in projectkoren, lezen en schrijven, wandelen, rustig racefietsen en wereldraadselen oplossen, is eigenzinnig en eigenwijs als een Moslim met druk op de borst die ja zegt tegen een varkenshart of een minister die de eed [dat ferklearje en ûnthjit ik] in het Fries aflegt.’

Museum Het Loo negeert Keti Koti

Terwijl in het hele land vorige week met Keti Koti de afschaffing van de slavernij wordt herdacht en gevierd, volhardt Museum Het Loo te Apeldoorn, bomvol koninklijke pracht, prullaria en praal, in het presenteren van dubieuze kunst, zonder verwijzing naar de veranderde inzichten. Het betreft een kunstwerk dat door het Rijks Museum is uitgeleend: ‘Cupido en Sideron’ van Isaac Lodewijk la Fargue van Nieuwland, een aquarel uit ongeveer 1766. Afgebeeld zijn twee zwarte kinderen afkomstig uit Curaçao en Guinea, uitgedost in een mal kleurrijk bediendenkostuum, elk met een dienblad in de handen met daarop een kopje thee of chocolade. Volgens het bijschrift werden beide kinderen, Cupido en Sideron, als kamerdienaren cadeau gegeven aan Willem V. Mijn neefjes, we zijn hier in het kader van een familiedag, kijken raar op. Weggegeven. Als cadeau. Aan iemand in een ander werelddeel.

Deze museale onachtzaamheid is natuurlijk des te wranger nu koning Willem Alexander zijn excuses heeft aangeboden over het Nederlandse slavernijverleden en vergiffenis heeft gevraagd voor de onwelriekende acties van zijn graaiende voorouders die maar raak handelden in zwarte mensen. Ook werd bekend dat het koninklijk huis zo’n 600 miljoen heeft verdiend aan de handel in tot slaaf gemaakte kinderen, mannen en vrouwen uit overzeese gebieden, voor een deel als koddig uitgedoste verjaarspresentjes weggegeven aan bevriende relaties? Het mag bijzonder heten dat Museum Het Loo haar educatieve taak verkwanselt en schaamteloos voorbij gaat aan het leed aangedaan aan de tot slaaf gemaakten door het kunstwerk met het nare  bijschrift naïef te blijven tonen zonder te wijzen op veranderde inzichten. Museum Het Loo om een toelichting gevraagd meldt na vier dagen via een conservator dat dit onderwerp zeker langdurig is bestudeerd en tegen het licht gehouden. De tekst zou zelfs vier keer herschreven zijn.

Ik ben Dennis Wiersma, racefietsspiegels, Dilan Yeşilgöz

Maandagmiddag. Mijn fietsmaat wil een stukske rond het Zuidlaardermeer jakkeren. Ik moet afzeggen want er staat een overleg met de gemeente gepland, samen met andere binnenstadswijken. Van afspraken afzeggen houd ik net zo min als Piet Adema van tegenwicht geven aan de stikstofmaffia. De  nieuwe binnenstedelijke ontwikkelingen zijn interessant maar saai. Ik bewonder de geduldige voorzitter en droom weg naar het talud bij Loppersum, waar je die lekkere, goddelijke, gierende fluittoon hoort tussen je achterwiel en de scherp afgestelde remblokken als je met 59 naar beneden jacht. Die heerlijke pijn in mijn longen, middenrif en afgematte ziel als ik mijn fietsmaat tevergeefs probeer bij te houden. Mijn strakke bovenbenen als de sportmasseur met net iets te weinig massageolie op mijn stugge beenhaartjes niets ontziend haar gang gaat en mijn spieren kneedt als een Turkse bakker te droog brooddeeg voor de hadj. Bij de rondvraag, ver na sluitingstijd, probeert iemand de discussie nieuw leven in te blazen. Als ik haar getergd uitleg waar een rondvraag voor bedoeld is kijkt ze me verstoord aan. Godver, een denniswiersmaatje denk ik dan. Ik ben Dennis Wiersma.

Eind vorige eeuw maakte ik van nabij de discussie over tweede buitenspiegels op auto’s mee en daarna de gordelverplichtingdiscussie. Na ettelijke doden door afslaande vrachtwagens is de dodehoekspiegel verplicht. Racefietsers zijn inmiddels aan helmpjes gewend. 90 % heeft een bel. Maar een veiligheid bevorderende fatsoenlijke spiegel is een brug te ver. Inmiddels verplicht op de Speedpedelec. Het interessante, maar vreemde feit doet zich nu voor dat de conservatieve wereld van racefietsers de eenvoudige spiegel (gemonteerd in de linker beugel) overslaat en en masse overgaat op een kek kwetsbaar en duur radarsysteem dat, gemonteerd aan de zadelpen, achterop komend verkeer detecteert, en permanent rood knippert als een bordeel-w.c.-raampje met stroomstoring. In fietsadvertenties en in geschorenbenenbijeenkomsten heet het racefietsstuur al cockpit, hahaha.

De tweede VVD’er voor wie ik mijn pet afneem, ik word met de dag milder, is Dilan Yesilgöz. Ze besluit dat politieagenten vanaf nu geen herkenbare religieuze symboliek mogen uitdragen. Dus geen keppeltjes, bungelende rozenkransen, jubeltenen in retrosandalen, kruisjes, enkelkettinkjes, maansikkels, libido killing hoofddoeken en pastafariaanse vergieten, ongewassen baarden of tonsuur. Eindelijk. Godsdiensten prima, maar achter de voordeur. Nu het onderwijs nog, denk ik erachteraan. Weg met religies in scholen. Dennis had zijn plan al klaar liggen. Auke Dennis Wiersma, jongen, we gaan je missen bro.

Een dag uit het leven van een pensionado,

Ex-kankerpatiënt Maarten van der Weijden doet iets speciaals. Zichzelf voor 250K laten imploderen in een dunwandig koekblik enkele kilometers op weg naar de Titanic lijkt ‘m niks, dus wordt het een speciale triatlon: de Elfstedentocht fietsend, zwemmend en lopend. Hij houdt van uitdagingen. Die zijn er meer. Ik onderzoek hoe lang ik aan één stuk kan fietsen. Na eerdere tochten van 113 en 133 is mijn doel nu 150 kilometer. Het worden er 165 kms. De omstandigheden zijn optimaal: matige wind (West 3), 18° om 06.00 en 25° om 12 uur, en mijn vorm is okee.

Het wordt tegen de wind in via Grijpskerk, Kollum, Dokkum (over het Bolwerk) naar Holwerd. Dan rechtsaf en voor de wind naar Lauwersoog en onderdijks, met af en toe even een max van 47,8 aantikkend, naar Uithuizen. Schapen kijken me, kauwend en aarsmaden de ruimte biedend, ‘waarom doe je dit?’ vragend, verbaasd aan. Weer rechtsaf richting Groningen. Bij 140 kms slaat vermoeidheid, verzuring en tegenwind toe. Ik realiseer me dat opgeven altijd nog kan, maar ik ben Sjaak van der Tak niet. Mijn gemiddelde vervalt van 27,8 naar 26 bij thuiskomst. Gelukt. Tevreden. Zeer moe, maar dood of stikkapot noem ik het niet. Twee bananen, twee bidons en twee koeken houden me de 165 kilometers in 6.20  op de been. Een bad met rek- en stretchexercities, 1,32 liter Radler herstellen mijn spieren & vochtpeil.

Wat dit bewijst? Lijven zijn tot veel in staat. Als je geluk hebt ook herstel van nare ziekten. Volhouden en je net iets meer inspannen loont en levert prachtherinneringen op.  Fietsend heb ik de neiging wat te romantiseren; mijn jeugd ligt onderweg verspreid. Ik lees de mooie zin ‘Wat der ek bart yn’e wrâld, sjoch dernei yn Aldwâld’. Maar het is ook de streek van omgekeerde vlaggen, een burgemeester die onder de tafel verdween toen er protesten tegen een AZC ontstonden en het was de streek van giftige chemische industrie tussen Oudwoude en Westergeest, moorden op Bonifacius en Marianne Vaatstra door gereformeerde boeren uit de streek. Gelukkig maar dat er ook tegenhangers zijn: een nieuw restaurant in het voormalige Kollumer gemeentehuis en de alles herstellende kunsten; dichter François Haverschmidt woonde hier en beeldenmaker Jan Ketelaar, voor wiens beeld ‘Wachten op Hoog Water’ ik even afstap om een foto te maken.

Bij thuiskomst ligt er sinds vaderdag een bijzonder boek van Anjet Daanje te wachten: ‘Veelvuldig en alleen’ en wacht een bezoek aan het Midzomernachtconcert met organisten Robert Koolstra en Tymen Jan Bronda die, tweehandig en tweevoetig in de Lutherse kerk tekeer gaan op drie orgels in elke samenstelling die de bijna volle zaal wenst. Bach, Händel en Mozart. Kippenvel.