Lucie Horsch en Anne-Gäelle Chanon – Akerk Groningen

19 oktober 2023. Het negende Schnitgerfestival opent met Horsch op blokfluit en Chanon op orgel. Plaats van handeling: de Akerk in Groningen, stijf uitverkocht. Dankzij de mooie foto-expositie aan de muren, we hebben zicht op prachtig gestileerde Afrikaanse pics, krijgt de avond een inclusief cachet. Enkele onbezette sponsorenstoelen worden opgevuld met mensen die achter de pilaren zitten. Attent, fijn.

Twee jonge vrouwen spelen de sterren van de hemel, elk op haar eigen aerofone instrument. De een op een antieke, tegelijk lomp en sierlijk ogende, complexe Schnitger, die zoals later zal blijken aan een grote onderhoudsbeurt toe is, maar toch de Rolls Royce onder de orgels blijft, de ander op een daarbij vergeleken uiterst eenvoudig instrument, een blokfluit, een soort orgelpijp met gaatjes, voor de kenners: een Renaissance Ganassi sopraan van Stephan Blezinger en twee barokinstrumenten van  Seiji Hirao.

 Beide vrouwen zijn grote talenten. Virtuoze musici. Horsch, die alles uit het hoofd – en zo te horen uit het hart – speelt, is driedubbel getalenteerd; naast blokluitist, pianist, mezzosopraan. Het zou me niet verbazen als in haar ook een begenadigd dirigent schuil gaat. Er wordt samengewerkt met het Luthers Bach Ensemble (dat hopelijk nadenkt over haar naamgever).

Horsch excelleert met werk van Castello, Sweelinck, Telemann en Bach. Chanon kiest voor Lübeck, Böhm, Buxtehude en Händel. Allen Hanzestadbewoners, dit jaar het centrale thema van het Schnitger Festival. Denk je bij deze componistennamen soms aan complexe muziek die het zonder nadere toelichting niet gaat redden, de vrouwen laten het tegendeel horen: een en al tintelende, sprankelende, lichtvoetig- en vrolijkheid. Muziek zoals je hoopt dat muziek altijd klinkt. In het eerste stuk van Horsch lijkt de balans tussen strijkers en blokfluit wat in haar nadeel,  maar dat wordt allengs beter. Lucie licht het programma toe en onthult een première: Pavane Lachrymae van Sweelinck is van origine een orgelwerk dat zij heeft bewerkt voor fluit en strijkers. Het is op zich een droevig stuk, maar zij weet het zo te laten klinken dat je er blij van wordt.

Vanwege een noodzakelijke reparatie aan de ouwe Schnitger wordt de pauze wat vervroegd. Met acht pax achter de bar lukt dat nog ook. Dan volgen de mooiste stukken: van  Buxtehude en zijn student Bach, Händel en Telemann. En, o verrassing, een toegift met organiste Chanon en Horsch als vocaliste, ook een primeur? Het publiek (en Schnitger) raakt in vervoering.

Maarten ’t Hart 9  ‘Mammoet op zondag’ (1977)

 Achttien smakelijke korte verhalen, zes drukken. Binnen het thema heimwee naar de kindertijd zeer gevarieerde onderwerpen: een voorbij Maassluis varende mammoettanker, een jongen die verliefd is op de sokkenstopster van de schoenenwinkelier, een voddenman die hoopt spreker te zijn bij een begrafenis van een dorpsgenoot. Mooie dorpsverhalen uit de vorige eeuw, doorspekt met Maarten’tHartiania. Lekkere spotternijen over elkaar de tent uitvechtende doodgravers die op weg naar het 100e lijk in één jaar elkaars doden door elkaar husselen. Over vredelievende jagers en agressieve vegetariërs. Een van de mooiste: een vrouw heeft een verwilderde rat die de auteur van een rattenboek even moet vangen.

Verhalen over alles verzengende, peilloos diepe, onmogelijke verliefdheden van een docent biologie en een studente, over Maarten Biesheuvel en een Amerikaanse spreker. Voor het eerst komt de naam Hanneke (’t Harts vrouw) om de hoek kijken en de Alpen als favoriet wandelgebied, waar de ik-persoon op twee kleine kinderen moet passen. In Rat op rum moet de rattenboekauteur in een verzekeringskwestie bepalen waar een rat in 60.000 l rum is geraakt: prachtig. Ook komt ’t Harts weerzin tegen kantoren en vergaderen naar voren in een surrealistisch Kafkaësk verhaal over een dwaaltocht in een kantoorgebouw op zoek naar de juiste vergaderkamer. Opvallend is dat deze verhalenbundel eindigt met het in 1976 apart uitgegeven Avondwandeling.

Luthers Bach Ensemble – Opera Dido & Aeneas – Henry Purcell

Kijk, dat doet de Lutherse kerk goed: terwijl verderop kerken leeg lopen als racefietsbanden nabij een glasbak, staan hier de gasten zondagmiddag op de stoep in de rij. Een uitverkocht huis. Vandaag geen orgelmuziek maar een lekker spelend ensemble, zangklaszang van het conservatorium en een opera.

Voorafgaand aan de opera Dido & Aeneas van Purcell zingen conservatoriumstudenten Wilko Koekoek, Karel Stegeman, Rasa Vitoliņa, Freya Turton, Twan van der Wolde, Jaap de Kok stukken van Händel en Purcell als gearriveerde solisten. De teksten van Händel kan je gerust openhartig en vrijmoedig noemen: we horen van ‘een gewetenloze schurk’, ‘vuig bloed’, of ‘‘k leef of ‘k sterf ’t maakt geen verschil’. En dan nog onverwacht actueel ‘Why does the God of Israel sleep’. Alsof we in een praatprogramma over Israel tegenover Hamas zijn beland. De jonge zangers zijn zeer getalenteerd. Ze zingen alsof ze nooit anders doen. De beide vrouwen zorgen voor kleur: felgroen en felfuchsia; daar kunnen de jongens, in stemmige bankmedewerkeroutfits nog een puntje aan zuigen.

De spreekstalmeesteres beschrijft de fijne samenwerking tussen het Luthers Bach Ensemble met Tymen Jan Bronda, de zangklas van het Prins Claus conservatorium, en ingehuurde musici, zoals blokfluitist Robert de Bree en theorbespeler Giulio Quirici. En, voor de decors en kleding met twee ontwerpers van Minerva, Milo Kok en Mikaela Martinez Parente. We zien in de opera mooie vondsten: een met een hengel in een laken opgestoken ingenieuze boot, en een met grote dozen verbeelde stad.

Robert de Bree, foto: Daria Vinogradova

Na de pauze luistert en kijkt de uitverkochte Lutherse kerk ademloos naar de zang, muziek en toneelspel. Je kan een speld horen vallen. De zangklas zou net zo goed een toneelklas kunnen heten, ze spelen geweldig. Enthousiast, vol vuur en gewoon goed. En ach, de inhoud van de opera is natuurlijk zo gedateerd als het maar kan, het centrale thema, liefde, schuld, geluk en ongeluk, is van alle tijden, maar als je voor een toekomstbestendig Carthago Gaza leest….

De speelruimte wordt uitstekend gebruikt. Soms waaieren de spelers door de hele kerkruimte heen en komen als flashmobspelers in een winkelcentrum van alle kanten naar het centrale podium onder de kansel. Ook de preekstoel, in vroeger tijden door dominees gebruikt, wordt ingezet als de tovenaar/geest, gespeeld door countertenor Wilko Koekoek, zijn ei kwijt wil. De voorste rij wordt bijna bij het spel betrokken, zo dicht wordt op

‘heksen’ Mieke en Hannah

het publiek gespeeld. De hoofdrolspelers Clarisse Planchais als Dido en Michiel Nonhebel als Aeneas schitteren, evenals Johanna Bart als Belinda. Ook zijn we onder de indruk van de twee heksen Mieke  Pressley en Hannah Tomasini die zich met lef en verve in hun rollen hebben ingeleefd, én goddank met humor; af en toe dendert een gulle lach door de zaal.

Heerlijk, wat een schitterende productie. Het publiek bleef tot de uitgang applaudisseren.

Maarten ’t Hart 8  ‘Verlovingstijd’ (2009)

Bij het (her)lezen van dit boek denk ik enkele keren: oei, niet ’t Harts beste. Het boek ademt historie, met Maassluis eind veertiger jaren. De eerste hoofdstukken zijn zonder uitzondering alle als los kort verhaal te lezen. Muziek, schoolmeesters met losse handjes die niet terug hebben van een leerling die, zich baserend op de concordantie van Trommius, aangeeft dat nergens in de bijbel staat dat je bij het bidden de ogen gesloten en de handen gevouwen moet hebben, oude beroepen (een moffelinrichting), straten die ‘’t Paard zijn Bek’ heten; van alles komt voorbij. Het begin wordt verteld vanuit het moederperspectief. De hoofdpersonen zijn twee jongens: de ik-persoon (zoon van een rioolwerker) en Jouri, zoon van een fietsenhersteller die fout was in W.O.II. Beiden kunnen leren als de beste en blinken uit op school. Later komen ze elkaar weer tegen als ze studeren.

Het boek begint traag, maar wint allengs aan doorleeszin. Of ze nu Hebe, Ans, Wilma, Frederica, Julia of Katja heten, alle meisjes in de lagere- en middelbareschooltijd verkiezen Jouri boven de ik-persoon. Het mooiste meisje van de klas klopt zelfs bij de ik-persoon aan om advies. Duidelijk wordt dan dat Jouri pas interesse in het meisje krijgt als de ik-persoon soort van verkering met haar krijgt. Zijn fascinatie voor kunstnagels, sexy kleding en make-up blijft onveranderd.

Dit spel van aantrekken, loslaten, twijfelen en jaloers verwijderen gaat maar door en door en door, opgetuigd met de typische Maarten’tHartiaanse elementen: natuurobservaties, muziek, verlangen zich in vrouwenkleren te hullen, make-up-fetisjisme, religieuze gekkigheden, studie- en arbeidszin, verheerlijking van de geboortestreek, enz . Op het eind van het boek verandert er iets en ontstaat er een welhaast on-Maarten’tHartiaanse situatie. Er ontvouwt zich een seksuele verhouding tussen de docent-ik-persoon en studente Lorna en wordt er schaamtelozer gevrijd als krolse katten waarbij de bronst vleugels kreeg onder de muziek uit Béatrice et Bénédict, van, nee deze keer niet Bach of Bruckner, maar van Berlioz. Als de dialogen iets minder uitgesponnen waren, zou het boek aan kracht winnen. Aan het eind komt de uitleg van Jouri en daarna komen we weer bij de moeder terug.

Van fucking asshole naar teringhond

Hoorde ik dat nou goed? Zei ze echt ‘fucking asshole’? Tegen mij? Waarom? Ik verbaas me over haar  ruwbesnaarde vrijmoedigheid. Ze kwam toch echt van links en vergat mij voorrang te verlenen. Ik schat haar op ruim achttien, aan haar accent en buitenissige make-up te horen en te zien uit Texas in het gebied tegen Louisiana aan waar ze de /æ/ extra nasaal uitspreken. Modieus gekleed, grote pupillen, verwilderde blik, iets te hoge, ongemakkelijke hakken voor de swap-fiets. Zadel wat al te hoog afgesteld (goed voor de gluteus maximus maar slecht voor evenwicht) en boterzachte banden.

Als je met een klein en licht Calvinistisch rugzakje de wereld ingaat blijft vloeken en schelden een dingetje. Mijn schoonvader, aannemer in Groningen, kon vloeken als een slootgraver. Vrouw I als een bootwerker. Krijgen katholieke vrienden het gvd-woord net zo gemakkelijk over de lippen als de mechanisch geprevelde instantgebeden, ik reserveer die vloek voor zeer uitzonderlijke gelegenheden en als ik ‘m gebruik is ‘t vaak een verkorte versie: godvet of godver. Als  kind vond ik het prachtig dat de bezwerende spreuk wel voorkwam in mijn initialen. Hoe leuk was het niet om boven het proefwerk Nederlands van mevrouw Hids, die samen met Künzli, Sturm en Pauzenga uit Groningen naar Dokkum carpoolden, mijn naam als kGVDm te kunnen schrijven. En, had meneer Ter Stege, docent godsdienst die orde houden lastig vond, en daarom elke les begon en eindigde met een lang gebed, maar wel drie sigaretten per les rookte, ons niet uitgelegd dat god-verdom-me eigenlijke en soort gebed, of zelfdestructievraag is: God Verdo(e)m Mij?

Ik kijk de Texaanse na als ze richting BlockHouse rijdt. Die kom ik nog wel eens tegen, denk ik, sans rancune. Wat zeg ik zelf als ik een verkeersregelovertreder de les wil lezen? Ik kom niet verder dan klojo, sukkel, eikel, lomperd, Sjakie of stommeling. Van vloeken naar het CDA is een kleine stap. Hoe noemden brave CDA-broeders Pieter Omtzigt alweer in enge groepsappjes? Focking eikel, psychopaat en teringhond. Soms geïllustreerd met een Hitler-snor. Zo’n woord als teringhond zou ik, evenmin als homohond, kankerlijer, mongool, nooitneanever over mijn lippen krijgen, zelfs als die Texaanse me van de weg zou rijden nog niet.

Maarten ’t Hart 7 ‘Avondwandeling’ (1976)

Avondwandeling is een van de bijzonderste, want kleinste, uitgaven van Maarten ’t Hart: een kort verhaal dat als boekje van 41 pagina’s werd uitgegeven door BZZTôH in 1976. Het onderwerp is (herinneringen aan) ontmoetingen of relaties met vrouwen. De ik-persoon maakt in Leiden een avondwandeling op zoek naar een bosuil. Of is het de behoefte om te dwalen? De hoop op een ontmoeting met een meisje? Op een terras biedt een vouw hem een nummertje aan voor vijftig gulden. Iets verder wordt hij uitgescholden voor kale. Als hij een orgel hoort herinnert hij zich een meisje uit Maassluis. Meer bijzondere ontmoetingen volgen, waaronder met een vrouw die hem beschuldigt van aanranding, waarvan hij door een getuige wordt vrijgesproken. Het boekje eindigt met een droom aan zijn moeder, die hem aankijkt met afkeer.

Rob Stoker – Olaf

‘Olaf’ (uitgegeven door Kleine Uil, € 17,50)  is een echt opa-kleinzoon voorleesboek. Sterke, stoere mannen die graag samenwerken en die tobben over een permanent soep kokende oma met beginnende dementie.

Stoker heeft dit keer gekozen voor een crowdfundingactie en ik begrijp dat die snel volliep zodat het boek gedrukt kon worden. Dat is goed gelukt: een stevig gebonden mooi boek met bijzonder gave illustraties van Tom Beijering, de grootste zelfs in kleur. Zeer aardige details: de in rood gedrukte hoofdstuktitels en de lichtgroene paginanummering. Daar is veel aandacht en tijd aan besteed. De uitgever doet er goed aan bij een tweede druk de tekst nog een keer tegen het licht te houden. 

Olaf is een tienjarige jongen die, bijgestaan door zijn opa, zeven moeilijke opdrachten moet vervullen om zo de vurig gewenste ‘blokker’ te verkrijgen waarmee het dementieproces van oma gestopt zou kunnen worden. De variatie in sprookjesachtige opdrachten, Olaf moet op zoek naar vloekgras, een krokodillentraan, noorderlicht in een potje en meer, toont Stokers grenzeloze fantasie. Olaf moet, steeds beginnend vanuit een gat in de tuin bij opa en oma, een ondergrondse hut, lopend door een gangenstelsel, één van de zeven deuren binnentreden, waarna hij in een geheel andere wereld terechtkomt. Hij ontmoet een drietal wezens met een bijzonder postuur en uiterlijk. Maar goed dat hij zijn, van oma gekregen, zakmes bij zich heeft. De jongens/mannen-avonturen kunnen beginnen.

Lezers die ingevoerd zijn in de jeugdliteratuur herkennen onmiddellijk gelijkenissen met bestaande jeugdboeken. In ‘Koning van Katoren’ van Jan Terlouw moet Stach ook zeven taken vervullen. Anders dan bij de maatschappelijk angehauchte opdrachten van Stach, zijn die van Olaf fantasievol en sprookjesachtig. Kijk eens naar de illustraties van J. M. Verburg in ‘Tom Tippelaar’ van A. M. G. Schmidt. Heeft Tom Tippelaar aparte, extra grote oren, op de tekeningen van Tom Beijering kijk je ook extra aandachtig naar de bijzondere fysionomie van Olafs gezicht en profil.

het boek is opgedragen aan Kim. Mooi!

 

 

Cathedral Music in dorpskerk Sleen

Zaterdagavond 30 september 2023. Lofzangen, gewijde koorstukken, psalmen: ogenschijnlijk termen uit een ver verleden maar vanavond in Sleen levendiger dan ooit. Het wordt een avond van contrasten. Lopen op zondag de kerken leeg als stadions na een seizoen verliespartijen, bij het Cathedral Music concert in de dorpskerk van Sleen is de kerk stijf uitverkocht en wordt er met klapstoelen gesleept. De ‘Dutch Choral Singers, een combi van Groninger en Twentse zangers, gedirigeerd door Henk de Vries en begeleid door Eeuwe Zijlstra op het uit Noord-Brabant geïmporteerde Vollebrecht orgel maken wonderschone muziek.

De twintig koorleden, met in hun midden enkele twintigers, en hun dirigent komen verrassend van achteruit de kerk aanlopen en trakteren de bezoekers op vijf kwartier schitterende Engelse koormuziek.  En dan komen we erachter dat Engeland niet enkel de bakermat van het voetbal, cricket, brown ale en met vijf premiers in een korte tijd het land van onbegrijpelijke politiek is, maar ook van heerlijke, bruisende koorzang. Melodie, dynamiek, harmonie, alles dikke prima. De zeven mannen en twaalf vrouwen, soms aangevuld met de dirigent als cantor, klinken zoals je het wenst: loepzuiver en enthousiast en what’s more, ze stralen plezier uit.

Guess what, het publiek mag twee keer meezingen. Zijlstra laat nog even duidelijk horen waarom hij eredivisionist van de orgelmuziek is met stukken van Byrd, Hastings Parry en Händel: fijn, precies, gedurfd, beetje branie, maar nooit te. Waar je ook kijkt zie je ritmisch meeverende voeten, dankzij het hoogpolige tapijt dat de akoestiek reguleert als een stofmat in een vette retro Benz behouden de onder de zerken liggende oud-Sleners hun waardige rust.

En wat kleuren de statige koormantels, azuurblauw met eroverheen een witte overgooier en een kek, sexy kraagje er bovenuit kierend mooi onder de kroonluchters: feestelijk en opgetogen, een lust voor het oog. En dan de teksten: ach, het gaat om de muziek, blijf ik maar denken, als je bij het woord God denkt aan Sarina Wiegman, Shakespeare of Paul McCartney, dan houd je het goed vol. Tot slot: onbegrijpelijk waarom Hastings Parry’s ‘Eventide’ niet als stadionsong van welke voetbalclub dan ook wordt gezongen, vooral als het woord Heer of Lord wordt vervangen door een eenlettergrepige trainersnaam als Bos, Slot of Steijn.

Na afloop nog een glaasje grenadine, wijn of Brown Ale aan uitnodigende, gezellige  statafels; als ik kerkbestuurder was met hart voor de zaak dan wist ik het wel….

Tommy Wieringa – Nirwana

In 80 hoofdstukken schrijft Tommy Wieringa ‘Nirwana’: een intrigerende, spannende familie-, (eeneiige)tweeling- of driegeneratieroman over zonde, boete en inkeer. Een centraal onderliggend thema is het allesverzengende ‘vuur’, dat door de roman kringelt als vlammen in een openhaard. Hoofdpersonen: tweeling Hugo (snob, parvenu, beeldend kunstenaar) en (fucking psychopaat) Willem (de veroveraar), die de Boreas bouwt, het grootste schip ter wereld, een supercatamaran van twee tankers. De karakters van Hugo en Willem vormen, als een menselijke catamaran, samen één complex borrelend, explosief geheel, dat Wieringa in Groningen ‘das Doppelgängermotief’ noemt. Dan pake Willem Adema die zwijgend een toespraak houdt. Geestelijk beperkte tante Geertje die wordt weggestopt in een tehuis, pleegmoeder Beth en schrijver Tommy Wieringa. Voor mij het eerste boek waarin de auteur zo prominent met naam optreedt als romanpersonage. Tommy en Hugo hebben dezelfde pleegmoeder, Beth Wiel.

Na de eerste 100 pagina’s krijg ik een sterk déjà-vu gevoel, vanwege soortgelijke thema’s in eerder gelezen boeken. Bijvoorbeeld het kunstenaarsmilieu in ‘Zwarte Schuur’ van Oek de Jong. ‘Otmars Zonen’ van Peter Buwalda vanwege het moeizame geploeter met een complex onderzoek naar de olie-business en bij kraakheldere en veel leesbaarder Wieringa naar het foute gedrag van pake Adema. Een jeugdzonde, misstap, onbezonnenheid in W.O.II, in 1943 rechtgezet (?) door in het verzet te gaan. Dan zie ik Munninkhofs familiekroniek ‘De Stamhouder’, vanwege het generatiethema en het onderzoek naar fouter dan foute familiedraden in W.O.II. Uit Willem Frederik Hermans ‘De donkere kamer van Damokles’ de vergelijkbare tegenstelling Dorbeck – Osewoudt en Ilja Leonard Pfeijffer vanwege ‘Alkibiades’, bij Wieringa Alcibiades, de Atheense generaal die ‘van kant wisselde’ en natuurlijk Maarten ’t Hart vanwege het woord jacobsladder op p. 94 naar ’t Harts gelijknamige roman.

Nirwana is een leerzaam boek; nu ken ik de woorden raphe, saisine, bathyscaaf, ectoplasma, paroxisme, en cenotaaf. Schrijver Wieringa heeft zich in de zes jaar werken aan Nirwana verdiept in archeologie, geologie, esoterie, politiek, klimatologie, drie generaties geschiedenis en meer.

Als noorderling volgt een feest der (noordelijke) herkenning. Wieringa, die in Diever naar de middelbare school ging, noemt Nieuw-Balinge, Sleen, Mantingerzand en Valthermond, een Drentse streek die de achterbuurt van het land wordt genoemd, met van oudsher boeven en uitvallers. Drenten zijn mannen met grote handen en geboende gezichten. Huisbaas Beuving wil koud na de dood van zijn huurster Beth nog even snel € 1.300,- innen. Hopelijk herkennen de geboende gezichten de alles relativerende ironie, want schrijver Tommy Wieringa, ‘die schooier’, krijgt zelf bavianentanden en hij stinkt uit zijn mond. Veel meer hedendaagse herkenbaarheid (maar hoe is dat over 100 jaar?): de Chinees Lotus in Westerbork, Baudet in zijn pak van Suit Supply, let op de initialen, die zijn metaforenjanboel uitstort over het volk en Trump, R. Fuchs, Tinkebel, Neo Rauch, F. B. Hotz, Sjarel Ex, Neelie Smit-Kroes, Van Caldenborgh,…

Pake Willem Adema heeft in zijn SS-tijd een dagboek geschreven dat Hugo via Beth verkrijgt. Opmerkelijkste ontdekking is dat pake homoseksueel was. In het kort: tweeling Hugo en Willem, resp. kunstenaar en ondernemer zijn elkaars tegenpolen. Hugo ontdekt pakes dagboeken over zijn strapatsen als SS’er. Gruwelijke beelden komen voorbij. Hugo spreekt het dagboek in en leest het aan de dementerende pake voor. Hugo schildert zijn de onsterfelijkheid uitzittende pake en oma. De één in een rolstoel, de ander met een leguaan op schoot. Daarna begint Hugo op Ibiza aan een serie zwembadschilderijen.

Een zijpad: Wieringa beschrijft in mooi gebeeldhouwde zinnen de vrijscènes van Hugo met Loïs en Vera, gevarieerde, lekkere seksuele uitspattingen die met Hugo’s testosteronniveau, torenhoog na de scheiding van Loïs, alleraardigst zijn. Het vuurthema komt zo vaak voorbij dat je verwacht dat het een vooruitwijzing zal zijn en je bereidt je voor op een immense fik. Nadat Willem de Boreas heeft gedoopt kan Hugo bij de opening van zijn expo de wereld vertellen over de dagboeken van pake en en passant de offshore vergelijken met de oorlog. Na de Nieuwsuuruitzending volgt de ontlading. Broer Willem is not amused.

Wieringa, die in Forum (Groningen) zegt ‘Ik ben een provinciale boerenlul’, beschrijft de door Hugo gemaakte schilderijen beeldend, plastisch. Het is afwachten hoe lang het duurt voordat een gisse kunstenaar met een passie voor AI de door Wieringa beschreven doeken produceert. Voor de kerst, wed ik. Je kunt zien dat de boekdrukpersen op volle toeren hebben gedraaid: af en toe zijn letters te weinig drukinkt toebedeeld, en wordt een o een u of een f een t, zodat Spotify leest als Spuuty (442). Wieringa’s Nirwana is een zeer goede roman die leest als een trein. Ik kijk nu al uit naar twee iets minder lijvige boeken, één met een regionale component, die in Wieringa’s hoofd aan het ontstaan zijn.

Grootkoor, eerste repetitie

Het zijn mooie tijden. Mijn schouder herstelt na de fietsval, Vrouw I zie ik nog dagelijks en ik ben begonnen in ‘Nirwana’, de nieuwste van Tommy Wieringa. Lezend smul ik; niet alleen omdat het een tweelingroman is met Friese invloeden en mijn vorige woonplaats Sleen, Trump, Baudet, en de Chinees Lotus uit Westerbork erin voorkomen. Ik geef nu al tien sterren.

Maar eerst repeteren met het grootkoor. De repetitieruimte is van Helpman Groningen uitgeweken naar Haren Groningen, naar een joekel van een kerkgebouw. Vergeleken met de overvolle, rijkelijk met prullaria, als kaarsen vermomde elektrische Actionlampjes en sleetse vibratorvormige Mariabeeldjes volgeplempte katholieke kerken die je in vakanties in mediterrane gebieden, waar de belastingmoraal evenredig is aan rijgedrag op N-wegen, dagelijks bezoekt is dit wel een heel sobere kerk. Koel en kaal, kraak noch smaak, misschien op de modernistische kroonluchter met kaarsvormige matglazen armaturen na, van Vincent van Leeuwen uit Coldam (D.) gok ik? De enige kleur die ik ontwaar is het stimulerende rood van de zorgvuldig gelakte teennagels van de tenor naast me. Mooie tenen ook. Voor potentiële zangers: de kosten voor het Grootkoor, inclusief repeteren in, …..tromgeroffel…. het Concertgebouw zijn nog geen € 100,-. Als boekhouderszoon kan ik het niet laten en reken snel even door. Er zijn 15 grootkoren. Als die allemaal 200 leden hebben dan wordt het aluminium koffertje in drie maanden gestoffeerd met 300K.

Beide dirigenten, Etty en Nan, hebben er zin in. Ze veronderstellen voorstudie, zo lijkt het. Ik loop op mijn tenen. We vliegen erdoor. Tot op het bot gemotiveerd. 200 zangers dus. Daarvan tien tenoren, waaronder één vrouw: Geesje naast mij met die mooi roodgelakte nagels. Volgende keer voegt ook Erna zich bij ons, heeft ze beloofd. Hoe mooi is dat: twee krachtige alten die liever de stevige tenorpartijen meezingen dan de wiebelige altpartijen. Bij de tenoren is duiken geen optie. Dat de vrouwelijke tenoren af en toe als onderdeel van de groep worden aangesproken met ‘Mannen en nu jullie,’ deert hun niet. Klassewijven, denk ik dan. Benjamin Rogier is er, zij het wat verlaat. Bram nog niet. ‘Mille Cherubini in Coro, l’homme Dieu, Prince of peace, shepherds, Sons of God, Piccolo Amor, Gesu Bambino, maken jullie je borst maar nat.