Wonderful world

Hun ouders zingen toegewijd van Schweinespeck
en Borstenvieh en houden permanent de dirigent
in ’t oog, als was hij vrouw met zeven borsten in een kermistent;
nooit heb ik zoveel maatgevoel gezien:
Nienke, Geertien, Kim, Josien.

Het liefste eten zij patat met mayonaise
en dromen van de Spice Girls of Tom Cruise
die op hun tienerkamer smult van een tompoes.
Nog eeuwen ver lijkt zeventien:
Nienke, Geertien, Kim, Josien.

Ze fietsen elke dag naar Emmen op en neer,
trotseren hagel, regen, wind en wagensmeer.
Komen de allersterkste meiden echt uit Slien?
Is het dan toch waar misschien?
Nienke, Geertien, Kim, Josien.

Op school lijken hun blonde lokken als van goud,
ze vragen: sir, are you a ladykiller?
Waarop ik zeg: nee, da’s m’n broer, noem mij maar Mr Miller,
en droom weer weg naar de Top tien:
van Nienke, Geertien, Kim, Josien.

Fietstocht

Holsloot per fiets, een lichte wind, de schuwe
zon schijnt mild, een kievit buitelt kopje als
een kind, de juffrouw op het plein ben ik;

de lucht van mest en ingekuilde grassen,
een ver geluid, gebries, gooien mij zeer ver terug
in ‘t diepe van mijn jeugd, immense vlakte tijd

trekt rimpelloze voren naar het nu; ik zie mezelf
als jongen met een pet, ik hoor een lach en zoek;

geluk ligt binnen mijn bereik en ik geniet
een helder hoofd, gedachten zijn weer vrij.

Bijverdienste

Haar zachte stem klinkt als fluweel
wanneer zij in de voorleeshoek
de schimmen uit het sprookjesboek
tot leven dwingt in haar gareel.

Het grut aanbidt in haar de kloek
die als een heks met bezemsteel
haar rol speelt op dit schouwtoneel;
acteren is haar invalshoek.

Maar ’s avonds als het donker wordt
vereist haar rol een ander spel
terwijl de inzet eender blijft.

Voor haar stopt menig nummerbord
met stijve mannenrug, ruim vel
dat zij masseert en lekker wrijft.

Stamboomvorser

Wat was de stamboomvorser zonder dood?
Een visser op het droge; een hoge
ome zonder pet, een schrijver zonder ogen,
een workaholic met Berufsverbot.

Daar gaat hij weer, al zestig en nog vief,
op speurtocht door een stapel folianten,
notulenboeken, fiches, oude kranten,
verliefd op duisternis in het archief.

Als hij zich weer eens dagen had begraven
in krochten van een ver verleden, vol
bloedverwanten die zich overgaven
aan echtelijke twist en moord op achterlijke neven

dan schrok hij op en peinsde liefdevol:
nog meer dan van de dood hield hij van ‘t leven.

Özcan Akyol

Elke waarheid heeft vele gezichten. In de Volkskrant van 2 januari 2014 schrijft Özcan Akyol dat geweld langs en binnen de lijnen van amateurvoetbalwedstrijden wordt veroorzaakt door ‘moedwillige sabotage van clubscheidsrechters’ en door ‘het slappe optreden van veel clubbesturen’. Bestuursleden zouden zelfs agressie en onsportiviteit cultiveren (sic). Dat is een gemakkelijke redenering. Akyol gaat voorbij aan de eigen verantwoordelijkheid van sporters. Een Fries spreekwoord luidt: ‘Je moet horen wie het zegt.’ Eens kijken wie hier aan het woord is. Akyol is auteur van Eus, een roman die overloopt van agressie tegen meisjes, vrouwen, onderwijzers/leraren, politie, werkgevers, reisleiders, buren, winkeliers, ambtenaren; de lijst is niet uitputtend. Het boek wordt een schelmenroman genoemd. Enkele citaten aangaande sportactiviteiten:
– p 51: “Met de zware ballen torpedeerden wij het andere geslacht. Ze moesten kapot. De meisjes smeekten om genade, maar wij waren doof voor hun smeekbedes.” “…één meisje raakte ik zelfs pontificaal in haar gezicht … dat het bloed uit haar snavel liep. Een tand had zich door haar lip geboord. …Kreupelend ging ze richting de uitgang.“ Met een uit de jatten van Ömer gegriste basketbal werd het meisje nogmaals gevloerd. “Nu krijste ze zo hard…” Enz.
– p.88: “Kareltje rochelde de tegenstander in zijn gezicht, onze aanvoerder deelde een elleboogstoot uit … Hij raakte de beste speler van die kakkers pontificaal op zijn rug.”
Het eerste citaat betreft een gymles, het tweede een voetbalwedstrijd.
Uiteraard is de auteur niet gelijk aan zijn romanpersonages. Maar romans worden gelezen. Lezers worden beïnvloed. En zeiden Tommy Wierenga en Maarten van Rossem (bij de presentatie van Arjen Lubachs ’IV’) niet al dat alles wat een schrijver schrijft autobiografisch is?
Akyol creëert in zijn boek een agressieve sfeer jegens spelleiders, toezichthouders, regelhandhavers. En het was in zo’n sfeer dat scheidsrechter Richard van Nieuwenhuizen in december 2012 werd doodgeschopt door vandalen. Tijdens een voetbalwedstrijd.

In uitzendingen van DWDD (29 oktober 2012) en Pauw & Witteman (18 februari 2013) werd de schrijver een kritiekloos podium geboden. Uitgebreid kon hij zijn boek promoten. Via e-mail heb ik geprobeerd te achterhalen of Van Nieuwkerk en Pauw & Witteman het boek van Akyol (helemaal) zelf hebben gelezen, of het aan hun redacties hebben overgelaten. Ik ontving geen antwoord.

Gewoon geluk

Voorzichtig nog dringt het tot elkeen door,
De vier jaar Esdal zijn haast omgevlogen,
De meesten deppen met een lap hun ogen,
Hun mentor is de klos, de kletsmajoor;

De dagen vloden voort, de uren gleden
Weg, ‘t was gewoon geluk; de lessen meest
Een feest; examenstress was licht vermaak.
Wie had dat ooit gedacht, vier jaar geleden?

Voilà, ’t is bijna klaar en dus weer tijd
Voor een goed boek, een glas of wat champagne,
Een sterk verhaal, een Albert Heynlasagne,
Een frisse duik, een vruchtenijs, jolijt.

Laat tantes, ooms en dronken oma’s kletsen
Dat vroeger alles beter was en leuker
Het mooist is nu, zegt elke ware hedonist,
De romantiek van toen is voor de kommaneuker.

(gedicht voorgelezen op 30 juni 2014 t.g.v. diploma-uitreiking leerlingen klas 4a (b.b./k.b.) en 4b (t.l.) Esdal College Oosterhesselen)

Kleine tuinman

Broek op halfzeven,
licht gebogen tuinman,
jonge pake in de dahlia’s;

ik beschouw je nieuwe handen,
tuinman, die net nog
harken waren, van dichtbij,

driftig op zoek naar een vertraagd want
aangeschoten lieveheersbeestje
(nu al liever dan een pissebed).

De natuur en jij tuinman,
lief gestreken door een
nevelige zon die niet zo zeker is;

mijn ogen strelen je rug
en het verre onweer
houd ik met hetzelfde gemak
als waarmee ik kastanjes vel,
met mijn handen tegen.

Jij kijkt op en om en weer op
en peilt mij met begrip
en verder ga je, tuinman,
de aarde zwelgt mijn zorgen.

Emmen, geslaagd

Met een nieuwe rugtas vol Franse hunebedstenen op weg:
Angelslo, vanaf de Heckningecamp, begin jaren negentig, je
Aarzelt bij de afslag naar de Heemingeslag, alsof
Ruimte je uitdaagt en influistert, de moskee
Talmt nog bescheiden op een taaie tekentafel:
Eigengereide kantinebakstenen; buurman Ludolf harkt graffiti:
Naadloze, nieuwe banen gras; takken vallen en bloc
En nu, eindelijk later, verorbert Ellert een tosti
Na een kalme, net geen Koreaanse, koningpilsnacht;
Magisterloze dagen tot examens. Nu baskets, volleys, nee
Even geen school meer, maar vrijheid, tijd voor feestje
En vakantie, werken; nu al kiezen voor leven later,
Straks, Life is Life, muziek, droom, voor herinneringen geslaagd.

(N.B. dit gedicht gaat over geslaagden in Emmen, maar speciaal over onze zoons Maarten en Mees, zoals de titel verraadt en de begin- (maar ook eind-) letters van de dertien regels)

Jongbloedvaart

O Jongbloedvaart, o mooie Jongbloedvaart;
je waterkant, je sensuele lissen,
je krabbescheer, je riet, je openbaart
aan mij je hart, je ziel, je hagedissen.

O Jongbloedvaart, o wulpse Jongbloedvaart;
naast jou word ik geregeld nagestaard
door een passant die aan mij vraagt: wat vinje?
en fluist’rend stamel ik dan zacht: ‘k bemin je’.

Je trekt aan mij al ben je soms wat duister,
toch zie ik door je kroos de waterpest,
fonteinkruid, hoornblad en de ware luister
van een kikkerpaar dat jij hebt vetgemest.

O Jongbloedvaart o hete Jongbloedvaart;
daar fietst mijn lief en roept vrij onvervaard:
‘zeg lekker ding, hoe staat de zaak, wat vinje?’
Mijn klompen uit, mijn moed bijeengegaard

en lustig zeg ik hees terwijl ik likkebaard:
‘verroer je niet, lig stil, dan kom ik in je.’

Zomertuin

De zachte wind beweegt
jasmijn, laurier en hop,

de zon prikt waar ze wil,
vooral haar rug en nek.

Hij sluit zijn ogen snel
en ziet een zwarte stip;

het scherpe licht omrandt
haar hoofd, de haren waaien.

Haar rug beweegt eerst niet,
dan maakt ze heerlijk vaart.

Genietend krult zijn mond,
zijn rug, hij likt haar oor.

Zijn ooghoek registreert
gejaagd bezoek op ’t pad.

De spanning loopt snel op
en sneller nog weer af.

Verliefd zoent hij haar mond;
dankzij het mooie weer
dit jaar al voor de elfde keer.

Wat een prachtzomer toch!