Matthijs Röling – Museum Wierdenland Ezinge

Er zijn mensen die voor een schilderijenexpositie naar Amsterdam gaan, Wassenaar, Gorsel, Parijs, Leeuwarden, Florence of Ezinge. Er zijn mensen die de wereld naar zich toe laten komen via feestboek. Houd je van fietsen en laat je graag kerosine en diesel links liggen, ga je het best naar Ezinge en op de terugweg nog even langs Winsum. De expo ‘Binnen kijken bij Matthijs Röling’ in Museum Wierdenland biedt ruim 50 schilderijen en een handvol uitvergrote foto’s van Rölings interieur. Net als je je afvraagt: waar zag ik eerder zo’n tegelvloer, en je aan Venetië denkt, schiet Vermeer je te binnen. Röling en Vermeer zijn geen tijdgenoten maar wel zielsgenoten. Ook zijn invloeden van Leeuwarder Esscher zichtbaar.

Figurativist Röling toont zijn verwevenheid met Italiaanse renaissancisten. Op en top. Buitengewoon. Schitterend. Portretten, stillevens, alledaagse bezigheden als het vlooien van de hond, naakten, objecten, poppen en, vooral, wonderschone zelfportretten. In een aparte ruimte wordt een film vertoond. De oude (80-jarige) meester wordt gevat in zijn nadagen. Rollator. Herfstopnamen. Winterse beelden. Dwarrelende bladeren. Piepende deuren. Kerkklokken, Stoofschotel. Wijze woorden: “Kunst kan alle kanten op. Kunstgeschiedenis is heel erg om te lachen. Grensverleggend? Onzin.”

Heerlijk dat relativerende van een kunstenaar die de eenvoud en gemakzucht van de abstracte mode aan zich voorbij laat gaan als wetenschappelijk onderzoek aan Wopke Hoekstra en zijn kompanen. We zien doorleefd werk. Handwerk. Superioriteit. En passant laat Röling weten wel eens ontstemd te zijn geweest over dwaze, neerbuigende opmerkingen over figuratieve kunst. Röling is realisme pur sang.

Die zelfportretten tonen medogenloos de ontwikkeling van jong naar oud. Het is niets minder dan een ode aan het verval en ouderdom. Een ode aan figuratieve kunt. Je ziet diepte waar het oppervlak vlak is. De hoge lijstranden werken natuurlijk wel mee. En dan dat licht. Die ogen. Dat licht.

In Winsum exposeert Luciën Olinga in Biljartcafé Hunsingo. Tien schilderijen, alle rond de € 500,- met Groningse binnenstadstaferelen. Het bekijken meer dan waard.

In Between, Anne-Will Lufting, Pieter Immenga en Nico Gerbenzon bij Campis Assen (26 03 23 – 07 05 23)

Lufting

Dat beeldende kunst serious business is bewijst de folder bij ‘In Between’, een expo bij Campis in Assen. Twee buikige zeventigminners kijken in de camera alsof FC Emmen weer verloren heeft en de jongste van de drie, een vrouw, tovert een minzaam glimlachje rond d’r lippen. C’est le ton qui fait la musique, zullen we maar zeggen.

Het is de omgekeerde wereld, kunnen we na bezichtiging van de decoratieve spullen in Campis vaststellen: de jeugdige vrouw, ooit der mannen pupil, wijst de oudere heren de weg: haar werk: sexy, modern, strak en tegelijk zacht, kek, hip willen we wel. Uiterst decoratief, vrolijkmakend, uitdagend, stoffelijk, beeldend. Wat de expositie het reisje naar Assen de moeite waard maakt is de verscheidenheid. De steriele expositieruimte met een vreselijke akoestiek leidt niet af.

Immenga

Immenga is vooral goed in de kijker vragen te laten stellen: wat zien we, wat is het, waar hangen we het aan de wand? Mysterieus, minimalistisch werk dat schreeuwt om een handleiding en een toelichting. Gerbenzon is eenvoudiger te duiden: we zien een man die zijn leven in de buurt van water heeft gewoond en dat vergroot wil weerspiegelen in zijn werk: een dobber, een polsstok, een duwboom, een vlaggenstok, uitvergrote lucifers; alles eenvoudig neergevlijd op lelijke behangersschragen. Warm worden we bij Lufting: de rolbevestigende folderfoto had ons al wat voorbereid, zagen we de mannen, beiden grijs, met donkere schoolmeestersbrillen, gekleed in gedekte kleuren beige, donkerblauw en matzwart die decennia meegaan, de vrouw draagt een keirode wijde broek en toont wilde, lange blonde lokken die onder een haarband uit kieren. Hoe voorspellend wil je zijn?

Wat zien we? Voorbij de entree, links, drie werkjes en negen stickers. De beide suppoosten erbij geroepen hebben tien minuten nodig om de puzzel te ontwarren. Verder nergens prijzen, het werk is niet voor de verkoop maar enkel voor de reizende circusexpo’s denkelijk en een plattegrond met nummers die verwijzen naar de kunstenaars.

Gerbenzon

Anne-Wil Lufting kennen we van groepsexposities in het CBK en Pictura: kunstig gedrapeerde, lieflijk geplooide stukken zeildoek, beschilderd in felle ralkleuren met hier en daar een contrastkleur. Formaten variërend van 10 x 10 tot 80 x 50. Gerbenzon met ogenschijnlijk gepapiermacheede herkenbare, eenvoudige polsstokken, of uitvergrote lucifers, horizontaal op steunen gelegd. Immenga met eenvoudige, dromerige, who knows naïeve,

Immenga

abstracte tekeningen in milde, fletse kleuren. Het langst stonden we voor een lijst met schooltekenpapier met daarop acht groene reepjes plakband die bij nadere beschouwing gekleurde lijntjes zijn: ‘Bright Forest 2’ geheten.

‘Arib’ III

“Ja, die stomme El Yakoubi en Orkun Kökcü verpesten de boel weer. El Yakoubi is ook een Riffijn, maar dan één uit Utrecht. Ken zijn grootvader nog van de souqs uit mijn geboortestreek.” Ze begint al als ze me ziet aankomen, een lach van oor tot oor en op werkschoenen deze keer. “Kom,” ze wenkt me mee naar het stenen muurtje op het Akerkhof. Zonnetje, overal duiven: perfecte plek. Ze legt me geduldig uit dat ze zich geneert voor die verwende aanvoerders die de OneLove-aanvoerdersband niet willen dragen. “Moslims, dan krijg je dat,” gaat ze door, “ik herken dat, homoseksualiteit wordt, net als door Nederlandse psychiaters 50 jaar geleden, door de Islam nog steeds als ziekte of zonde gezien, ze denken dat het dragen van die band henzelf ook homo maakt,” en ze schatert de duiven weg, de vlecht springt en danst vrolijk mee. Twee jonge kauwtjes kijken haar verwonderd aan. Een kwieke eindzestiger loopt voorbij en strooit kwistig met een handvol gemengde korrels. ‘Arib’ knipoogt naar hem. Zielsgenoten.

We springen van de hak op de tak. ‘Arib’ was ook in het Forum toen schoothond Rinse Sinkgraven Lisa Loeb interviewde. “Tuurlijk, die Lisa Loeb had het niet gemakkelijk in haar jeugd. En dan die dorpsjongens die haar pestten, verschrikkelijk, maar om nou de docenten als oorzaak van alle kwaad aan te merken?” “Ja, was niet best,” vul ik aan, “vreselijk dat ze gebukt ging onder angsten en paniekaanvallen, en wat goed dat ze daar vrijuit over praat.”

“Heb je ‘Het lied van ooievaar en dromedaris’ van Anjet Daanje al gelezen?” Verdomme, denk ik, ze is me voor. “Nee, ben halverwege, lees net over die tweeling die als één persoon wordt uitgebeeld: magisch, schitterend, prachtig. Daanje komt met stip mijn toptien van schrijvers binnen. Net onder Rijneveld.” “Je hebt veel praatjes, jongen,” hoor ik. ‘Arib’ gaat verzitten en kijkt naar een doffer die takjes verzamelt voor de verderop wachtende duivin. “Laat zien wat je waard bent en ga zondag op Schier het strand kuisen,” zegt ze licht dwingend. “Alleen als jij meegaat,” en ik zeg haar gedag.

Uitzonderlijke Matthäus Passion in Akerk door Luthers Bach Ensemble

Voorjaar. Tijd voor rituelen. Meikermis, Zwartecross, Paasvuren, Trekkerslep, kievitseieren zoeken, Matthäus Passion. Het afgekloofde verhaal is zo langzamerhand bijzaak maar de muziek triggert. De semi-scenische uitvoering van het Luthers Bach Ensemble is uitzonderlijk goed. Vijf sterren en als het kon zes. Deze keer van mij geen gezever over waarom de antisemiet Luther aan Bach wordt verbonden, maar enkel waardering voor de zangers en musici. Guess what, het voert gelijk mijn MP-top-vijf aan, nog voor een typische Jan – god hebbe zijn ziel- Rot-Matthäus met Zuid-Amerikaanse muziekinvloeden en een uitvoering in de mooist denkbare taal het Fries.

Orkest en koor treden op in hun dagelijkse kloffie. Dus geen saaie zwarte pakken met glimmende zitvlakken, vlinderstrikken, stilettohakken en ongemakkelijk striemende doorkijkjurkjes maar herkenbare Zeeman, Hilfiger en Gaastra-outfit. En de zangers (op de evangelist na) zonder in bladmuziek te kijken, alles uit het hoofd en -dus- uit het hart gezongen. Kippenvel! Ontroering. Verrassing. Voor mij de eerste MP zonder gegaap, en beginnend snurkje, slechts een enkele verdwaalde bezoeker wiens (jaja, altijd mannen) hoofd af en toe oplicht vanwege een blauw schermpje. De grens tussen uitvoerenden en bezoekers vervaagt als die tussen boven- en onderwereld in systeembanken zodat er een soort eenheid ontstaat.

Als een flash-mob, zo begint het. Van alle kanten komen de zangers, gekleed in hun overjassen, naar het podium en beginnen met de vervoerende zang en muziek. Wat je ook van het gehele Passieverhaal over Jezus’ lijdensroute met aparte verwikkelingen kan vinden, de toeschouwers – voor de tweede keer een stijf uitverkochte Akerk – zijn onder de indruk. Voor het eerst zie ik een MP die lijkt op een toneelstuk. Hoor je over verwijten, beschuldigingen, ontkenningen, toejuichingen, dan zie je die ook. Er wordt bewogen, gespeeld en uitgebeeld zodat er een natuurlijke sfeer ontstond. Semi-scenisch in vaktermen. Hoogtepunt: een counter-tenor die staande op een wiebelig keukenkrukje met gespreide armen het publiek toezingt en we zien de boegscene van de Titanic-film.

En wow, wat een kwaliteit bij de musici, solisten, koorleden. Of de dirigent echt nodig is, blijft natuurlijk de vraag. En dan het begin en eind voor de pauze met de gouden stemmen van het jongenskoor. Na een kleine drie uur naar de uitgang lopend zie je iedereen denken: supergoed gedaan allemaal. We willen nooit weer anders. Nog een kleine stap naar het Gronings als voertaal misschien? En het publiek, vaak hondstrouwe, witte, al wat oudere  MP-groupies, uitnodigen de koralen mee te zingen terwijl de dirigent met zijn armen zwaaiend luidkeels ‘allemaal’ roept? Ja graag! Tenslotte: een compliment voor de perfect gepresenteerde programmaboekjes gedrukt op knispervrij papier en de organisatie van de pauzeconsumpties: vooruit: alles zes sterren!

‘Arib’ 2

Het valt vrouw I op dat ik steeds ‘ik ga wel even,’ zeg, mocht er iets op het standaardboodschappenlijstje staan. Dagelijks kom ik nu in AH. Wat speelt hier? De vierde keer is het raak en zie ik haar die ik ‘Arib’ noem bij de beslagen deuren van de viskoeling. “Je stalkt me toch niet, hè?” Een vrolijke kop kijkt me aan. “Je spreekt het uit als ‘stolkt,” kan ik niet laten te antwoorden, en “nee ik jaag op anderhalf pond onverpakte elstar.” Ik verbaas me over haar Riffijns-Groningse tongval. Ik zie een wel erg rechte knip in haar jeans ter hoogte van de rechter knie of iets erboven. Ze volgt mijn ogen. “Ja, zelf ingeknipt, scheelt een stuk met de dure scheurmerken,” lacht ze. Zie ik een diamantje in een boventand rechts? Een dikke zware vlecht krult zich om haar nek als een slapende boa constrictor. Alsof er niet een week tussen heeft gezeten pakken we ons gesprek weer op. Moeiteloos. Voor de geplastificeerde, gekoelde, gefileerde vissen. “Voor mijn studie moet ik naar een school.” Ha, leuk,” reageer ik enthousiast. “Een witte,” vervolgt ze, zuur klinkend. “Montessori ook nog.” Mmm, denk ik, weet ze dat ik een onderwijsachtergrond heb? “Ken je Red ons, Maria Montanellli van Herman Koch?” vraagt ‘Arib’. De a’s van Maria klinken Gronings, beslist Noordoost-Gronings, zeg maar uit de buurt van Uithuizen en het ‘Montanelli’ is onvervalst Siciliaans. “Zeker, Kochs boek is een heerlijke relativering van het speciaal bijzonder onderwijs,” zeg ik terwijl ik geniet van de constatering een gezamenlijke hobby te hebben, “staat in de top-vijf van HAVO-vijfleerlingen en VWO-6’ers.” Voor de gerookte forel, zalmsnippers en brado’s die bij AH gerookte haring heten praten we rustig verder, de andere klanten en vakkenvullers lopen voorbij. Witte scholen zijn als studiosportredacties met enkel mannen in baasfuncties: je moet het niet willen. ‘Arib’ gaat verder: “Is het normaal dat scholen dure bijlessen verplicht stellen?”  Daarna gaan we verder over Studio-Sport-verslaggevers die meer hun eigen meninkjes willen verkondigen dan die van door hen geïnterviewde sporters. We zijn het sprekend met elkaar eens dat de omstanders, de meelopers op de NOS-sportvloer hun taak hebben versaagd. Toen huisvader/sneue schuinsmarcheerder Egbers zijn jonge vlam dumpte nadat mevrouw Egbers erachter was gekomen, en Egberts een vuige pestexercitie begon, hadden niet alleen zijn bazen maar ook de toekijkende collega’s moeten optreden. “Je kunt het één op één met pestgedrag op scholen vergelijken,” concludeert ‘Arib’ wijs. Met mijn elstars in een herbruikbaar zakje ga ik verder, ‘wanneer zie ik je weer?’ denkend.

‘Arib’ 1

Groningen is stad en dorp tegelijk. Ineens zijn horecabedrijfjes onaangekondigd op zondagavond gesloten, als twitterende boeren- en BBB-geesten voor argumenten. De stadswebsite oreert in chocoladen telegraafletters als een in zijn toeter schreeuwende dorpsomroeper dat de ‘broodjesbakker van eigen deeg’ een yuppenbakker is. Als op dorpskermissen en -markten zie je overal en altijd dezelfde mensen.

Op maandagmorgen kom ik haar die ik eerder ‘Arib’ genoemd heb (https://klaastaal.nl/rif-aan-akerkhof/) weer tegen, nu bij de bakkersafdeling van AH. Midden vijftig, nog steeds vals, sexy en Riffijns-Gronings. “Ik herken jou,” begint ze voorzichtig. “Je postte een brief voor je laatste tante.” Ik knik. “Wat vind jij nou van de dreigende sluiting van ‘Broodje van eigen deeg’, hier tegenover?” Beiden hebben we tijd, voel ik. Ik vind haar leuk. Ze is vastberaden, openhartig, welbespraakt, maatschappelijk betrokken, op het activistische af. “Dat ze op zondagmorgen niet open mogen?” antwoord ik met een vraag. “Ja, terecht toch,” gaat ze door. “Waarom zou je een winkel voor boomers, yuppen en de happy few extra openingstijden gunnen?” “Omdat ze hofleverancier zijn van Free Café?” opper ik voorzichtig. We komen er niet een-twee-drie uit. “Woon je hier?” Mijn ‘ja, om de hoek’ lijkt haar te verbazen. Ze vertelt dat ze Internationale Betrekkingen studeert aan de uni, daar hip International Relations and International Organization geheten. De studie valt haar zwaar. Als ik haar vertel dat ik adviezen geef op het gebied van teksten en taal, klaart ze op. Dat ze een paper moet schrijven hoor ik. Ondertussen schuift ze de rechterschoen uit met de punt van de linker en begint dan met de vrijgekomen tenen de hak van de andere voet te bewrijven. ‘Austria’s attitude towards skiers as the new farmers’, zoiets meen ik te horen. Skiërs de nieuwe boeren? Arib begint een samenhangend en steekhoudend verhaal over negatieve ecologische footprints die door de boeren vijf decennia willens en wetens zijn genegeerd en ze ziet een parallel met mensen die skiën en net doen alsof dat geen ecologische schade oplevert en over een smalle witte strip van witgespoten neopreen naar beneden glijden. Dan nog iets over lange- en kortetermijnschade. Mijn boodschappenbriefje dwarrelt op de grond. Ze ziet me kijken en knikt me toe. “Als ik er niet uitkom, weet ik je te vinden,” zegt ze hoopvol. Naar huis lopend vraag ik me af of ze daarmee mijn tekstadviesrol bedoelt of haar zoektocht naar de uitgang van de super.

Zeg t mor, Cursus Gronings (II)

We hebben de zesde les Gronings achter de kiezen. De groep dunt uit als kruinen van Noordpolderzijlbewoners. Bijna 30 procent is absent. Eén cursist is permanent afgehaakt, één studente mis ik al drie keer en drie zijn vanavond verhinderd. Groningse lessen volgen is als je relatie of tuin onderhouden. Of als Caroline van der Plas ervan overtuigen dat de boeren toch echt de kern van de stikstofproblemen zijn. Of Max Verstappen of Bouke Mollema laten inzien  dat ze door in Monaco te wonen ordinaire belastingontwijkers zijn. Je moet je stinkende best doen en doorzetten. Dit is de beste les tot nu toe, iedereen krijgt voldoende spreektijd. De juf neemt de huiswerkmakers serieus, die kunnen laten horen wat ze ervan gemaakt hebben. Ik denk terug aan vroeger, mijn MAVO-viergroep in Oosterhesselen, sommigen deden graag huiswerk, anderen poetsten de plaat.

Mijn klasgenoten leer ik langzamerhand kennen. De openhartigheid treft me. Mijn buurvrouw heeft morgen een spannende audit. Een ander vertelt dat ze als hobby het liefst met de zeis zwaait en maait. Verhalen over een ontsnapping aan een Papoease krokodil, de wens een koffietent te beginnen, foto’s en trouwringen van overleden voorouders, van dakspanten geschoten duiven onder werktijd, mijnbouw in de ruimte, onverwachte vondsten in overalzakken. Een vrouw draagt kekke, korte, zwarte handschoentjes. Haar wordt belangstellend gevraagd of ze artrose heeft, last van hypermobiliteit of dat het SM-attributen zijn. Geschater!

De juf begrijpt wat nodig is en stelt open vragen als Twan Huys na een opfriscursus. Niets beters dan de cursisten laten vertellen over hun jeugd, dorpen van herkomst, werkgerelateerde anekdotes of een ‘koesterpotje’. Er wordt goed geluisterd, invoelend geknikt en aangemoedigd. Gelachen ook, uitgelachen nooit. En even voorzichtig meegezongen over de Poolse bruid, een geraffineerd, vals, fout lied van Bert Hadders over een via een datingsite binnengehengeld (tegenvallend) Pools hebbeding.

Een oplettende cursist bevreemdt het dat de zin ‘Gait is buiten’ in het Gronings (Gait is in boeten) 25 % meer woorden nodig heeft dan het Nederlands terwijl gezegd wordt dat het Gronings zo’n beknopte taal is. Even een check: de twaalf zinnen bovenaan blz. 30 tellen in het Gronings 81 en in het Nederlands 69 woorden: 17% meer in de streektaal. Oeps!

De kennis van het Gronings en vaardigheidsverschillen zijn extreem groot. Omgerekend van kleuterschool tot universiteit. Dan komt het aan op de moeilijkste onderwijsvaardigheid: differentiëren. Analyseren en observeren wat de verschillen zijn en daar een onderwijskundig verantwoorde oplossing voor bedenken, waarbij recht wordt gedaan  aan de verschillen, zeg t mor. We gaan de goede kant op.

Roald Dahl Matilda

Roald Dahl Matilda, 39e druk 1999 (in de vertaling van Huberte Vriesendorp)

Dahls mensbeeld geanalyseerd aan de hand van zijn gebruik van adjectieven, scheld- en schimpnamen

Matilda lees ik voor het eerst in 1990. Moe van de rolbevestigende A. M. G. Schmidt, Enid Blyton, Anne de Vries en Hotze de Roos komen auteurs als Jan de Zanger, Tonke Dragt, Miep Diekman en vooral Roald Dahl in beeld. Roald Dahl is een verfrissing. Kinderen overvleugelen volwassenen en Dahl hanteert een duidelijke en voor kinderen en volwassenen aantrekkelijke, bloemrijke, taal. Maar vooral de thematiek spreekt leerlingen aan. Zijn boeken zijn apart, fantasierijk, verrassend, magisch, humoristisch, niet-politiekcorrect, griezelig, soms wreed; alle eigenschappen die zijn lezers, jong en oud, waarderen. De meeste boeken van Dahl lopen goed af.

Ha, het is tijd voor herlezen, want er is reuring omdat een clubje ‘sensitivity-readers’ de Engelse uitgever gevraagd adviseert bepaalde woorden in Dahls boeken te vervangen. Het gaat hier niet om Dahls vermeende antisemitische taalgebruik, waarvoor de familie in 2020 excuses aanbiedt, maar om adjectieven die personen nader negatief duiden.

Kernvraag: zijn die woorden aanstootgevend of beledigend? De pers geeft voorbeelden. Dik wordt enorm, kleine mannetjes worden kleine mensjes. Overigens is het fenomeen van taalaanpassing niet nieuw, het gebeurde eerder ook bij Astrid Lindgrens Pippi Langkous. Is er sprake van censuur of gaat het om een gemoedelijke kuising?

Laat eens kijken. Dahl staat bekend om veelzeggende, pesterige scheldwoorden en een uitgebreide toepassing van bijvoeglijke naamwoorden. Welke adjectieven gebruikt Dahl als hij een leesgraag vierjarig meisje, haar ouders en haar juf beschrijft? Om zwatelend napraten te voorkomen herlees ik Matilda en pak de pen erbij.

Matilda’s ouders en het schoolhoofd noemen Matilda “het walgelijkste mormel, afgrijselijke spruit, volslagen onbenul, irritant meisje, giftig krengetje, ijzige schoonheid, een korstje, onnozel, onbenullig, lawaaierige kletskous, verwend nest, klein donkerharig figuurtje, een heel speciaal geval, smerige kleine wandluis, vies luizeëi, walgelijk loedertje, miezerige mossel,” en meer. Haar juf noemt haar: ‘fantastisch, briljant, buitengewoon, extra gevoelig, wonderkind, genie, wiskundig brein, beminde spruit, een lezend klein meisje, uitzonderlijk voorlijk, bescheiden.”

Opvallend is de strijd die wordt gevoerd tussen een jong Dickens, Hemingway en Kipling lezend meisje en haar vader die zich op fraudeleus handelen laat voorstaan en zijn vrouw bij gelegenheid een ‘stom sekreet’ noemt en zijn dochter ‘een klein dom mormel en een stom klein, achterbaks loeder’. Aan de andere kant zit Matilda hem altijd schaamteloos op te jutten en zint ze op wraak; Dahl verzint hier een schitterend thema: een kind dat de ouders en later het schoolhoofd (die tegelijk juf Marij’s tante is) gaat straffen. De lezer hoopt en voelt dat zij ‘met haar fantastische, subtiele brein’ en haar later ontwikkelde tovenaarskwaliteiten het gaat winnen van haar vader, het ‘ratachtige mannetje’ met zijn ‘rottige tweedehands auto’s’ en de door alle leerlingen gehate juffrouw Bulstronk.

Hoe komt de vader er bij Dahl vanaf? Een voddenman die een luid mannelijk gegrom, gehijg en gezucht laat horen als hij zijn hoofd masseert. Hij noemt zichzelf geniaal en slim en de anderen sukkels en stommelingen en zijn dochter is een leugenares en bedriegster, die zeker geen goed antwoord kan geven. De moeder schijnt emotioneel en lichamelijk uitgeput te raken van bingomiddagen, is alledaags, plomp, met een zelfvoldaan pafferig puddinggezicht.

Dan de juf, Marij Engel, een slimme, onversaagde, slanke, frêle, wijze, jonge vrouw, romantisch en wees.  Directrice Bulstronk, Vorstin der Duisternis, Grote Giftige Cobra, Vurige Draak, menselijke bom, is een oud-kogelslingeraar, een reuzin met een rode stierenek, een paardegezicht, een paddelijf, die kleine kinderen weerzinwekkend noemt, nutteloze dwergen, ongedierte, nagels aan de doodkist, vieze rupsen, en ze haat en ze voor straf in een stikdonker stikhok met glasscherven en spijkers stopt. Dan nog wat medeleerlingen: Lavendel, Hortensia, Ollie Bobbelfluit, Julius Rotswinkel, Amanda Trip en Bram Bokkepoot die er wel erg slecht afkomt met een dik pafferig gezicht, en het verder  moet doen met de kwalificaties: stuk ongeluk, schobbejak, smerig pokkejoch, giftige steenpuist, walgelijke misdadiger, onderwereldfiguur, lid van de mafia, dief, struikrover, piraat, schelm, bandiet, miserabel stuk verdriet, misselijk wangedrocht, gauwdief, inbreker, ladenlichter, bokkepoot en tenslotte nog Nico Haaks: misbaksel, een stuk vuil, wandelende bacteriefabriek, stomkop, Primula en Robert: stomme slijmerige slak, hersenloos stuk onkruid, holhoofdige hamster, onnozele snottebel, kronkelende worm en als laatste Erik Inkt: onbeschofte flerk, giftige pestbuil, maar toch ook interessant en ondeugend. De schoolkokkin heeft verdroogde levenssappen en is een verdroogde schoenveter.

Aldus Dahl. Wat we zien is een tsunami aan verschillende bijvoeglijke naamwoorden en scheld- en schimpnamen. Je zou denken dat de hoeveelheid de scherpte van de woorden afvlakt. De verzameling wordt curieus, lachwekkend en doet geen pijn. Opvallend is Dahls preoccupatie met dik of slank zijn, waarbij de eerste groep het aflegt tegen de tweede. Maar aanstootgevend of beledigend? Oordeel zelf.

Vergeetachtigheid

Er zijn van die dagen dat de fietsgrage zevenenzestigjarige op een dag drie lijders aan een keur aan verschillende ziekten spreekt. Na rikketik, rug, en rompdruk  staat nu ‘de prostaat’ bovenaan. Prostaten met vlekken, tumoren, ontstekingen, verklevingen, uitstulpingen, vergroeiingen, stuiteren voorbij als roestige ballen in een flipperkast. Fysieke aandoeningen staan in hoger aanzien dan mentale. Lees huisartsencolumns maar ‘ns of kijk en luister in het rond. Wordt de oog-, oor-, long-, hart- of leverlijder dagelijks bezorgd gevraagd of traplopen nog gaat en of de boodschappentas niet te zwaar is, de autistische narcist, krijgt zelden te horen: ‘Lastig voor je hoor, maar zal ik je even helpen een open, invoelende, belangstellende vraag te stellen?’

De getrainde fietsman vindt het steeds gewoner vriendenbezoekjes op meer dan zestig kilometer afstand fietsend af te leggen. Deze keer gaat de rit naar oude vriendinnen in Sleen. Vrouw I vertrekt al ’s ochtends met de deelauto en benut de mobiele vrijheid door onderweg nog wat extra vriendinnen te bezoeken. Fietsman stopt zijn burgerkloffie in een koffertje dat vrouw I alvast voor ‘m meeneemt. Schoenen, zeep en handdoek niet vergeten? Nee. Overjas mee, want ’s avonds wil het koud zijn? Ja ja. ’s Middags hijst hij zich in zijn fietsmanpak en reist af. De tegenwind is mild als curry zonder Madame Jeanetten, zodat hij geniet van de gelijkmatigheid van de ronddraaiende pedalen als garagisten van gereviseerde cilinderstangen. De uiterst minieme afstand tussen de velgen en de remblokken zorgen voor een sonoor, hoog, prettig zoevend, suizend, fluitend geluid dat wonderwel past bij de onophoudelijk geneuriede eerste maten van de Matthäus Passion.

Na aankomst volgt het gelukzalige moment van een straffe fles Belgisch bier na gastvrouwenzoenen. Vrouw I arriveert en er wordt bijgepraat dat het een lust is. Fietsman doucht, droogt zich af en kleedt zich aan. Het koffertje puilt uit, alles is meegenomen. Maar Godver Waar Is Zijn Broek? Draait vrouw I hem een loer en heeft ze de pantalon even uit de koffer gehaald? Nee. Er zit niets anders op dan, half gekleed, gestoken in fletse merinowollen kniekousen en in een feestelijke Valentijns-onderbroek de kamer binnen te treden en de drie vrolijke, luidruchtig schaterende, wijnen drinkende vrouwen beschroomd en timide onder ogen te komen en te bekennen dat zijn vergeetachtigheid hem parten heeft gespeeld en dat hij het heus niet doet om zijn gespierde bovenbenen te tonen. Het lachende proesten of proestende lachen davert door de kamer als echoënde klankschaalresonanties in een Kirgizische nomadenjoert op één mei. De oudste van beide gastvrouwen verlost hem uit zijn lijden en biedt hem een felgele retrofitnesssportbroek aan.

Journaal 12 februari 2023

Mijn eerder (13 nov 2022) in Neverneanietnooit beschreven streven een jaar geen nieuwe kleding te kopen houdt nog steeds stand. Tot nu toe gemakkelijk zelfs. Mannenkledingetalages loop ik zonder de pas in te houden voorbij als vrouw I fietsenwinkels en orgelconcertposters. Ik ben trots op mijn rafelige overhemdmouwen en -kragen. In ons tweepersoonshuishouden doe ik de was. De was ophangen, opvouwen en overhemden strijken (hij is geen man die zelf niet strijken kan) zijn voor mij even normaal als het voor mijn vader ondenkbaar was. In een ruim twee jaar oude Bamigo-onderbroek zie ik, naar beneden turend, voordeel van Sitzpinkler hè, een losse naad. Naar ‘De Gouden Schaar’ brengen gaat me te ver, ik zie Nilofar Guglun mij al aankijken. De van mijn schoonmoeder geërfde naaidoos biedt uitkomst. Vijf minuten met een iets te dikke naald en een blauwe draad in de weer geven me een herstelde onderbroek en een goed, tevreden gevoel dat zeker 24 uur duurt.

Was ik ouder van een studierichting zoekend creatief kind, moest ik een neef of nicht adviseren, ik wist het wel. Naar Kunstacademie Minerva luidde mijn stellige advies. De open dag laat steken vallen (personeel zonder badges, de werklokalen aan de Peaediniussingel allemaal ledig en de straat niet peukenvrij), maar het overige gebodene biedt genoeg perspectief voor de met artistieke genen getooide, zoekende middelbareschoolverlater en zoveel meer dan de van  Minerva afgescheiden Klassieke Academie. Er zijn meer dan 55 nationaliteiten; en de kosten zijn voor EU-studenten € 2.209,- en daarbuiten € 7.900,-. Ik spreek docenten Klug en Groenenberg. Een docent en een student lichten het toegestroomde publiek voor. In steekwoorden: de opleiding is multidisciplinair, met in het eerste jaar een aanbod van alle richtingen. De studie is meer gericht op vragen stellen dan antwoorden geven. Ontwikkelingsprocessen en zelfreflectie zijn belangrijker dan producten. Circa 40 % van de studenten in de Autonomous Fine Art-richting wordt kunstenaar. De instructies en conversaties zijn in het Engels (hoewel klaarblijkelijk de aanduiding ‘Smokefree Area’ nog wat moeilijk blijkt te zijn). Van studenten wordt een nieuwsgierige, ambitieuze houding gevraagd. Op donderdag is er een gezamenlijke vegamaaltijd. Naast praktische vaardigheden ook filosofie en kunstgeschiedenis.