Suïcidale luchtvis

Dobber, waar bent u gebleven in dit tableau,
Boven of onder de werkelijke, weidse wereld, daar
waar de dreigende haak mij zoekt; spiedend
Langs gehavende Belcampo-indrukken,
Een Blauw Dorp, of Groninger land;
Tegeltjeswijsheid: wie de vis heeft, heeft de graat;
Ik spoed me over de lokkende, lonkende trompetten
Van groot hoefblad dat zich als een vagina dentata
Prijsgeeft als open schelpen, badend in
Schemerlicht met bomen behoedende maan,
Ver voorbij haar die een stam knotte als een
Kaasschaaf een Parmaman zonder overdreven
Gevoel zou inkorten en ontdoen van de fallus
Impudicus, die hem maakt en drijft.
Boot, waar verstopt u de wijkplaats, zeppelin
Van het water, bolknak, drijver in luchten, waar vind ik
Het anker, de ketting naar leven, naar lucht…

‘Suïcidale luchtvis’ werd geschreven bij het schilderij ‘Luchtvis’ van Hans Busman

Val

De val was iets te vrij
geworden, een vleug paniek
greep haar zeer stevig vast.

Van boven af zag zij
de horizon, een kerk
en in de verte een fabriek.

Ver onder haar publiek,
wijd open monden
genageld aan de grond.

Men liep gehaast
in deze noodseconde
en zie, daar was de dood.

Zijn blik ietwat verbaasd,
de handen op de rug,
wie had hem hier genood?

De avondzon scheen licht
en gaf de laatste kleur
aan haar gedeukt gezicht.

Hoe te leven

Wie zegt mij dat ik geen hut mag bouwen, een astronaut
In een hondendrol laten ontploffen tegen de nieuwe
Opel Astra van de buurman, hangen in touwen
Boven een houtvuur zoals iedereen hangt, een overall
Dragen en een dode mol begraven naast Barbie,
Een eksternest leeghalen, een ravenjong koesteren,
Roeien, een vlot bouwen, als piraat plassen in goten
Op het kermisterrein, de meester met drop en Bazooka
Vastplakken, pieren steken, met een katapult
Weerloze jongetjes met vuurwerk bekogelen,
Duiken vanaf bruggen over de Ericase vaart,
Paddenstoelen proeven, met de slee raggen achter
Een crossbrommer, onvoorzichtige latten
Decouperen, een vlieger aan de skelter binden of … …?
Moet ik soms lieflijk mijn tong uitsteken
Bij de dokter, veel te grote, gifgroene
Jurkjes dragen? Vertel me, vertel me
Van het waarom
En het hoe
Te leven.

‘Hoe te leven’ werd geschreven bij het schilderij ‘Uitdagend’ van Silvia Benniks

Gemeentedichters Emmen

gemeentedichters Emmen V.l.n.r.: Eddie Zinnemers, Bertus Beltman, Joep van Ruiten, Peter veen, Berendy Gähler, Klaas van der Meulen, Geja Casu, Cobi de Jonge en Anna Hardonk.

Koning Willem Alexanderkanaal, of palingen steken oceanen over

Palingen steken oceanen over om te gaan
Paaien; zalmen zwemmen tegendraads &
Stroomopwaarts  indien nodig naar verre,
Ongenaakbare geboortegronden; ondankbare
Snoeken hoeven maar tot Zuid-Friesland,
Want daar zijn voor zoete snoeken de beste
Paaigronden, zeggen ze; op zulke uitspraken
Zul  je broedse kieviten nooitnevernea betrappen;
Tot nu stootten de Duitse volle visvrouwtjes
Hun geile, grage neuzen tegen basalten taluds
Van stalen Eemsdijken ter hoogte van Meppen,
Haren, wie weet zelfs Rütenbrock-Mitte; westwaarts
Willen ze, als meegalopperende snoekshoofden,
Vom Osten nach Westen, een prima route.
Drentse waterstaatingenieurs met een passie
Voor snoeken verstonden  de driften en
Verzonnen iets: kunstmatig creëerden ze
Vraag naar doorvaarroutes, die waren goed
Voor toerisme en de weg zoekende volgelingen
Van dominee Rosenbaum in Klazienaveen-Noord,
Voor kunststof hatende Ericanen die blijven
Neuriën dat hout moet, de snoekentomtom navigeerde
Nabij de grazige weiden van beide Compascua,
Klazienavener Woonschepen: uitverkocht,
Submariene hunebedden kwamen in beeld,
Vanaf rondvaartboten met glazen bodems, alles
Dankzij de paaigrage snoek, Oranjedorp kreeg
Nog meer kleur, de doorzwemroute kwam er
En daarmee de doorvaarroute, de wereld ligt
Open, verre horizonten ontsluiten zich, straks
Ligt Emmen aan de staandemastroute, wordt
Coevorden twaalfde stad, de snoeken dankbaar,
Dankbaar de snoeken.

Wit, grijs, zwart

Natuur in Zuidoost-Drenthe is Van Gogh:
Grijsgetint, ouderwets, soms ingetogen;
Bekeken door een bus bebrilde ogen,
Op zoek naar gulden snee, gezichtsbedrog.

Dan weer is de natuur een bont palet
Van beelden, kleuren als een druppel olie
Op een weg, schittering van zilverfolie,
Een kermis, voorjaarstinten van Monet.

Als contrast ontwaart men, reeds op afstand,
Zwartwitte vogels vliegend, soms een grijze,
Knisperend en fladderend, dissonant
In rust, stilte-infiltrant, ten bewijze

Van vooruitgang, hier een reep, daar een flard
landbouwplastic, lappen wit en zwart.

26 x Mavo Allee 1978/79

Na 35 jaar is meer dan een derde uit de tijd:
Mooie, veelkleurige herinneringen aan het tiental
Bult, Hendriks, Klabou, Kuipers, Scheffer,
Stoker, Van der Wal, Weerman, Wolters,
Zwierstra. Van een aantal ben ik niet
Helemaal zeker, dichten is geen pokeren.

Levend op mijn beeldscherm en in het echt:
Bonkes, Bontjer, Geertsema, De Groot,
Harkema, Van der Hei, De Jonge, Klewer,
Klok, Meiringh, Slomp, Venekant,
Wielaert, Paulusma, Van der Wouden.

Spaarzegels voor elke naam die u zich herinnert,
Een plakplaat voor een hoofd, een andekdote
En 3 verlofjaren van de geheugenpoli.
Een fles wijn voor een volle stempelkaart!
Voor de geheugenlozen een gereserveerde stoel
In troostplaatsen De Bleerinck, Holdert, of De Horst.

Bargeres

Klein-Drenthe in je strakke stratenplan,
Ruim twintig brinken die als lassolussen
De mens wil vangen in zijn armen, kussen;
Stedenbouwkundig krachtig toekomstplan.

Vanuit de trein zie je een dorp met scholen,
Half-pipes, containers, nee, geen gekkenhuis,
Wel hotspot, pleinen, perken boordevol violen,
Veel winkels, en een filiaal van ’t Rode Kruis.

Een serie hoge eiken als symbool van power,
Een rugby- en een voetbalveld, reclameborden
Van een rijschool en een buurtcafé met happy hour;
Een pad dat liever spoor had willen worden .

Dat alles bij en langs een recht en strak kanaal,
Waar toch iets mist: een touch, een toets, een tint;
De blik op water werd pas optimaal
Met roestvrij staal van Willem Kind.

Sneintemoarn

Mantsjemachtig set it spul der op út,
nei it tsjerkhôf neist it hartekampke;
it is kâld en de mûtsen hingje skeef;
wiete tsjûke stikken snot rinne as
trochseane sopgriente lâns de mûlen.

Heit is yn’e slach mei omke Anne of
wie it Jabik-om? Nee, fansels, dy wie
dochs noch gjin omke, (mear noch Jappie
mei de anti-roas boarstel). Wacht,
der wâdet ien troch in droege sleat.

In stik of trije tôgje mei in plastiken
tasse dy’t fier opwaait; de sneinse skuon
traapje yn in poele foar it sulveren hek,
it slot pipet as de kreake yn’e krystnacht;
nei goed oardel oere binne de beammen keal.

Nije wike sil de jierdei-besite fan mem
de poaten wol wer brekke oer fjouwer yn e
gong útstoarte doazen kastanjes en sa’n
sân tûzen ikels; dit jier sûnder dopkes.

Heit

Sneintemoarn, de tsjerke efter ús,
de preek úttize,in leafol wurk,
gleskeguod op tafel, in jonkje as twa
efter it knopsgat fan it maatpak,
boartsjende bern oer de flier &
heit sit en stiet as’t knypt
wer foar de radio, te wyld
slaan syn hannen rom yn it rûn;
fotolistkes -sjoch ik der Klaasom
mei Jan en Lys fan’e Westerein?-
skodzje op ’e maat fan syn lea
en nea, nea seagen wy him losser;
de holle skean, smook fan de ieuwige
Golden Fiction imitearet de hillige geast
en heit is wer de dirigent.